#30 Onder de oppervlakte van de decentralisaties

Serie

Nabij is beter. Decentraal denken en doen

In samenwerking met KING (Kwaliteits Instituut Nederlandse Gemeenten) en de VNG halen Pieter Hilhorst en Jos van der Lans verhalen en ervaringen op over de vraag of de decentralisaties op de werkvloeren van de samenleving daadwerkelijk de vernieuwing op gang brengen die ze hebben beloofd. Elke twee weken rapporteren zij daarover op socialevraagstukken.nl en nodigen zij mensen uit om mee te denken.
Twee jaar onderzochten Pieter Hilhorst en Jos van der Lans de veranderingen in het sociale domein als gevolg van de decentralisaties. Zij schreven 29 afleveringen voor deze site. Was het een succes of een koude douche? In hun slotbeschouwing stuiten ze op vijf hardnekkige gewoontes die door de organisatorische veranderingen steeds scherper in beeld komen. Ze blijven optimistisch, maar als die routines niet veranderen zullen de beloften van de decentralisaties een illusie blijken.  

Wie twee jaar over de werkvloeren van de veranderende Nederlandse verzorgingsstaat zwerft en daar regelmatig verslag van doet, zoals wij gedaan hebben op deze site, geldt al snel als een decentralisatie-deskundige. De uitnodigingen om te spreken op conferenties volgen elkaar in steeds hoger tempo op, en mensen verwachten een afgemeten oordeel over ‘de transformatie van het sociaal domein’. Opmerkelijk daarbij is dat de toon met het verstrijken van de twee jaar steeds zorgelijker is geworden.  Waren de vragen in het begin open en nieuwsgierig (‘wat gaat er gebeuren?’), na twee jaar dringen de oordelen zich in de vragen op (‘het gaat niet goed met die wijkteams, hè?’). Het is inmiddels een typisch Nederlands verschijnsel: na het beleidsmatig optimisme volgt – gevoed door op incidenten gerichte media en kritische wetenschappers – de onvermijdelijke scepsis. Na de overspannen verwachtingen volgt de koude douche.

Dat alles neemt niet weg dat we getuigen zijn geweest van misschien wel de meest ingrijpende en verstrekkende personele reorganisatie van onze verzorgingsstaat ooit. Er is een fundament gestort voor een andere structuur van onze verzorgingsstaat, waarin niet zozeer de formats van de instituties de dienst uitmaken, maar waar burgers en professionals in een nieuwe wisselwerking doen wat nodig is. We hebben in het begin van ons project dit programma samengevat in de tien beloften van de decentralisaties, die we – met een knipoog naar de keukentafelgesprekken  – op een placemat hebben afgedrukt en meenamen naar de gemeenten waar we op bezoek waren.  Wie die tien beloften er nu op naslaat, ziet dat we er nog lang niet zijn.

Het zou ook vreemd zijn als dat wel zo was. We zijn op 1 januari 2015 niet begonnen aan een netjes uitgetekend reorganisatieproces met een begin- en einddatum, maar eerder aan een zoektocht om gestolde verhoudingen, bureaucratische praktijken en professionele gewoonten te doorbreken en daarvoor in de plaats nieuwe omgangsvormen en andere ondersteuningspraktijken te ontwikkelen. Dat gaat niet zonder weerstand, aarzelingen en terugval. Dat zijn ook de kwesties die na twee jaar in de lokale praktijk boven komen drijven en die in de verschillende afleveringen in de serie op deze site ook zijn belicht. Verwachten we niet te veel van de generalisten? Wat heb je aan een wijkteam als ze geen toegang krijgen tot voorzieningen? Mogen ambtenaren bepalen of iemand zorg nodig heeft?

Doordringen tot de ‘defaults’

Het zijn praktische kwesties waarvoor werkenderwijs oplossingen worden gevonden. Die zullen niet in alle gemeenten hetzelfde zijn, gelukkig niet, want verschillen horen bij de aard van de decentralisaties. De kunst zal zijn – we schreven er over in aflevering #14 – Kennis maken met verschillen – om van de diversiteit te leren. Onze indruk is dat gemeenten daar toegewijd mee bezig zijn. Het besef dat er aan een transformatie wordt gewerkt die lange adem vergt en vraagt om grote bestuurlijke en ambtelijke alertheid is in vrijwel alle stadhuizen doorgedrongen. De sombere voorspelling dat gemeenten die verantwoordelijkheid niet aan zouden kunnen is wat ons betreft de afgelopen twee jaar wel gelogenstraft.

Maar we zijn er dus nog niet, nog lang niet. Sterker, het in de lokale praktijk vertalen van de beloften van de decentralisaties heeft een aantal dieperliggende hardnekkigheden aan het licht gebracht die de komende jaren de nodige creativiteit en bestuurlijke moed zullen vragen om te zorgen dat we ook op koers blijven. Het zijn erfenissen uit het verleden die zich zo diep in de routines en gewoonten van niet alleen professionals en bestuurders, maar ook in de verwachtingen en wensen van burgers hebben genesteld.

Toch kunnen de beloften van de decentralisaties pas waargemaakt worden als ze weten door te dringen tot deze ‘vanzelfsprekendheden’, tot wat wel de defaults van het systeem wordt genoemd, de basisroutines, die vrijwel onbewust door iedereen wordt gehanteerd.

Wat zijn die defaults? Wat zijn die routines en vanzelfsprekendheden die zich niet direct als probleem melden maar die wel bepalend zijn? We zijn er in onze rondtocht in dit project de afgelopen twee jaar een flink aantal op het spoor gekomen. Zonder het idee te hebben dat we daarmee volledig zijn, willen we in deze afsluitende aflevering van de serie Nabij is beter bij vijf van deze taaie logica’s stil staan. Omdat het veranderen van deze logica’s bepalend is voor het antwoord op de vraag of we erin slagen daadwerkelijk veranderingen te realiseren.

1. De individualiseringtrechter

Individualisering als term wordt vaak gebruikt als een sociologische aanduiding, die vooral lijkt te verwijzen naar een soort van moderne geestesgesteldheid. Maar het is niet alleen iets dat in bewustzijn van hedendaagse burgers is doorgedrongen, het is ook het standaard organisatieprincipe in professionele praktijken - in indicaties, gesprekstechnieken, financieringssystemen, registratieformulieren. De ideologie van zelfredzaamheid is de verpakking van een omvattend dienstverleningssysteem, waarin alles wordt getrechterd naar een individu, die aanspreekbaar, verantwoordelijk en manipuleerbaar is. De grondstructuur is een relatie tussen het individu en de staat.

Daar los van komen is bijna onvoorstelbaar. Toch is dat wat de decentralisaties voor ogen hebben. De decentralisaties bevatten een agenda om de dienstverlening uit deze individualiseringstrechter te halen en als het ware te socialiseren. Vandaar de nadruk op het inschakelen van sociale netwerken, het inbedden van professionals in buurten, het zoeken naar andere verhoudingen tussen formele en informele zorg.

Daar komt echter nog maar weinig van terecht. Wijkteams zijn lokale samenwerkingsverbanden voor individuele hulpverlening, geen voertuigen van lokale samenlevingsopbouw. We schreven er in de serie meerdere afleveringen over (#3, #25, #29). Zeker, er worden wel pogingen gedaan om te ontsnappen aan deze individualiserende trechter (zoals bijvoorbeeld netwerkberaden, de JIM-aanpak), maar het blijven spaarzame experimenten. Het is nog lang niet zo dat mensen op gesprek bij de dienst werk & inkomen de vraag voorgelegd krijgen om bij de volgende keer iemand mee te nemen die hen kan ondersteunen.

Het is bepaald geen gewoonte om lotgenoten bij elkaar te brengen en elkaar te laten ondersteunen. Het is nog steeds zo dat woningcorporaties niet willen werken met garantiestellingen bij huurders met een problematische woongeschiedenis en bij wanbetaling dus liever een seintje geven aan dure incassobureaus dan aan een vertrouwde garant staande naaste. Over dat soort gedachten wordt zelfs niet eens gediscussieerd. Die weerstand zit overigens niet alleen bij professionals (die het vaak lastig vinden om hun verantwoordelijkheid en kunde te delen met anderen), maar ook bij mensen zelf die om tal van redenen (schaamte, sociale controle) liever met een afstandelijke professional dealen dan met een dicht bijstaande bekende.

Het gevolg is wel dat er per saldo weinig verandert. Dat professionals – zij het op een andere plaats of in een wijkteam – toch weer in de bekende hulpverleningsmodus schieten en bij haperingen in het contact constateren dat de persoon in kwestie onvoldoende gemotiveerd is om mee te werken aan zijn eigen herstel. Het delen van verantwoordelijkheden voor verbetering met betekenisvolle anderen en deze ook een plaats en invloed geven in het herstelproces vraagt om andere gespreksvormen, andere werktijden, andere oriëntaties, andere stappen, andere vormen van tijdsmanagement en registratie. Maar als daarover niet serieus nagedacht wordt, en als bestaande routines daar niet op bevraagd worden, dan trekken we elk probleem steeds opnieuw door de individualiserende trechter. En daarvan hadden we nu juist geconstateerd dat er na die trechter een hulpverleningswerkelijkheid wacht die verkokerd, bureaucratisch, duur en, naarmate de problemen complexer zijn, inefficiënt

2. De vloek van regelgestuurde efficiëntie

Generalisten in wijkteams zijn veel tijd kwijt aan het verkrijgen van toegang tot andere onderdelen van de overheid. Hoe meer die andere onderdelen van de overheid ingericht zijn om op basis van vaste regels de uitvoering zo efficiënt mogelijk in te richten, hoe groter de werklast voor de generalisten in de wijkteams.

Neem de belastingdienst. Het is heel handig om teveel betaalde toeslagen te verrekenen met nieuwe toeslagen. Het betekent wel dat bewoners opeens veel minder inkomen hebben. Dat levert weer werk op voor de wijkteams. Die moeten met sociaal-raadslieden nagaan of de beslagvrije voet wel is gerespecteerd. De efficiëntie van de ene organisatie is de taakverzwaring voor het andere onderdeel van de publieke sector. Het maatwerk wordt over de heg gegooid.

Hetzelfde geldt voor de RDW, de rijksdienst voor het wegverkeer. Voertuigen die niet verzekerd zijn, krijgen automatisch een boete en die wordt ook automatisch verhoogd als er niet wordt betaald of gereageerd. Helaas zijn er veel mensen van wie het leven te wanordelijk is voor de efficiency van de RDW. Ze zijn verhuisd, ze hebben tijdelijk geen woning, ze zijn de brommer die niet goed is uitgeschreven allang vergeten. Met enorme boetes tot gevolg die de hulpverlening en het herstel danig in de weg zitten.

Het is niet wenselijk om het kind met het badwater weg te gooien. Natuurlijk, de grote volumes van de belastingdienst en de RDW moeten efficiënt worden behandeld. De eerste opdracht voor deze diensten is daarom om de kans op fouten te voorkomen door versimpeling van de regels voor de beslagvrije voet en nauwgezet rekening te houden met die simpele beslagvrije voet bij het verrekenen van toeslagen.

Maar een efficiënt systeem kan nooit alle vraag om maatwerk incorporeren. Dan wordt het te ingewikkeld en inefficiënt. Er moet daarom een aftakking komen voor maatwerk. Dat kan bijvoorbeeld door op lokaal niveau actief mee te werken met initiatieven als Vroeg erop Af in Amsterdam of Vindplaats Schulden in Nijmegen. Zo wordt voorkomen dat ellende uit de hand loopt. Het kan ook door oninbare vorderingen van het CJIB over te dragen aan de gemeente. Linksom of rechtsom moet er iets aan de systemen gebeuren om het werk van wijkteams te verlichten.

3. We leren verkeerd

Het is lange tijd mode geweest om te spreken van lerende organisaties. Wat dat precies in hield was niet altijd even duidelijk, maar als beeld tegenover de starre, onbeweeglijke en tot bureaucratie geneigde organisaties sprak het velen aan. Bij de nieuwe werkelijkheid in het sociale domein hoort ook zo’n beeld: dat van de lerende, kennis delende professional, nieuwsgierig en onderzoekend. Als contrast met de oude professional die zich in specialismen, eigen organisaties en beroepsverenigingen had opgesloten. Maar hoe moet die nieuwe professional leren? Is er een omgeving gecreëerd die haar daartoe in staat stelt? Helaas, daar is even nog niet aan gedacht. Ja, er zijn congressen, er zijn modellen en methoden bijeengebracht door nationale kennisinstituten, je kan in de trein stappen en een workshop volgen.

Het kan allemaal, maar dat is precies het leren zoals dat altijd is georganiseerd. Het is leren dat vanuit een centraal punt wordt georganiseerd. Het is aanbod gedreven (door mensen die een inspirerend verhaal vertellen) en niet ontstaan vanuit de dilemma’s van de praktijk. Het zijn meestal grootschalige conferenties, gericht op zoveel mogelijk deelnemers, in plaats van kleinschalige kennisuitwisseling tussen gelijken. Het is vooral een vorm van ophalen, niet van brengen. Het is aanbodonderwijs, niet praktijkonderwijs.

Wat we nodig hebben zijn lerende lokale gemeenschappen van professionals van verschillende snit die geoefend worden in het bevragen van elkaar en elkaar opzoeken om kwesties te bespreken en met elkaar op te trekken. We hebben professionals nodig die hulp durven te vragen bij professionele collega’s en daarvoor (digitale) netwerken aanwenden. Er moet een horizontale, lokaal georiënteerde cultuur ontstaan waarin psychiaters, sociaal werkers, specialisten, ambtenaren, van elkaar kunnen leren.

Zo’n cultuur ontstaat niet vanzelf, die moet worden gestimuleerd en georganiseerd. Zo’n cultuur ontstaat ook niet door twee dagen per jaar verplicht bijscholing te moeten volgen, maar door elkaar op te zoeken, te bevragen, zaken voor te leggen. Er zou een cultuur moeten ontstaan waarin elke lid van het sociaal wijkteam leermaatje wordt van een specialist waar hij het meest of veelal mee te maken heeft.

Dat creëert nieuwsgierige over grenzen denkende en handelende professionals, precies het type dat nodig is om de beloften van de decentralisaties handen en voeten te geven. Maar ook precies het type dat niet wordt gestimuleerd omdat het nieuwe systeem opnieuw grenzen trekt, zoals ook de Transitiecommissie Sociaal Domein concludeerde (zie: #27: De transformatie dreigt te verzanden in verkokering), die leerzame ontmoetingen en uitwisseling van kennis niet bevorderen.

4. Het keukentafelgesprek is geen machtsvrije ontmoeting in een huiselijke ruimte

In de door de Transitiecommissie Sociaal Domein uitgegeven essaybundel Wie houdt er niet van kakelbont? schrijft de filosoof René ten Bos: ‘Keukentafelgesprekken hebben de neiging te ontaarden in keukentafelpreken.’ Even afgezien of dat ook overal het geval is, is zijn waarneming tekenend voor de mystificatie die rondom deze ontmoeting tussen leefwereld en systeemwereld is ontstaan. Daar is de overheid zelf als eerste voor verantwoordelijk door een term te introduceren die een bijna ouderwetse huiselijke gemoedelijkheid suggereert.

Nu is een keukentafel beter dan een kille spreekkamer, zoals een uitwedstrijd doorgaans lastiger is dan een thuiswedstrijd, maar het is natuurlijk pure misleiding om daar een al te romantische voorstelling van te maken. Het zijn gesprekken die onder spanning staan, soms zelfs hoogspanning als het water aan de lippen staat.

Het gaat om de strijd van cliënten om hun zorg te optimaliseren en daarvoor (bijvoorbeeld bij het vaststellen van een PGB) de vereiste middelen binnen te halen; het gaat om de verantwoordelijkheid van de gemeente om schaarste middelen zorgvuldig, eerlijk en rechtmatig te besteden; het gaat om de mogelijkheden van professionals om zorg te bieden binnen het budget en de tijd die daarvoor beschikbaar is en zo zijn er nog wel meer belangen te benoemen die in dit spel betrokken zijn. Maar het gaat vooral ook om een ontmoeting waarin mensen worden uitgenodigd om zelf met oplossingen en voorstellen te komen.

In werkelijkheid ervaren mensen het vaak als beoordelingsgesprekken. In nogal wat gevallen was dat ook precies de bedoeling, want dan waren de professionals van de wijkteams op pad gestuurd om tot een herindicatie te komen. Het keukentafelgesprek mondde ook nogal eens uit in een zelfredzaamheidsmeting, waarvan mensen heel snel de bedoeling begrepen: hoe zieliger je je voordoet, hoe groter de kans dat de overheid je hulp aanbiedt. Bij een debat waar wij aanwezig waren, bekende een generalist dat hij zijn eigen moeder had aangeraden om in het keukentafelgesprek te zeggen dat ze geen contact had met haar kinderen. Want wie zegt: ‘ik heb niemand, ik ken niemand, niemand kan me helpen’, krijgt meer steun van de overheid.

Zo dreigt een situatie waarin initiatief van bewoners eerder wordt afgestraft, dan wordt beloond. De keukentafelgesprekken zijn dan eerder examens in zieligheid dan een startpunt voor empowerment. Daarmee zijn de gesprekken in een heel ander gesternte komen te staan dan de bedoeling was, namelijk: ruimte bieden voor eigen oplossingen en onderzoeken welke professionele ondersteuning en dienstbaarheid daarvoor nodig was.

Dat was ook de filosofie van eigen-kracht-conferenties, waar je tegenwoordig nog maar opvallend weinig over verneemt. Als bewoners met behulp van hun netwerk een eigen plan maken, dan wordt dit in principe overgenomen door professionals (tenzij het plan niet veilig is voor de betrokken kinderen).

Bij de jeugdzorgaanbieder Youké wordt gewerkt met vertrouwenspersonen uit het eigen netwerk van jongeren. Dat werkt heel goed, op één voorwaarde: dat de vertrouwenspersoon ook zeggenschap krijgt. In principe wordt het plan dat de jongere met zijn vertrouwenspersoon maakt overgenomen. Het blijkt een enorme opgave voor professionals te zijn om deze omslag te maken, gewend als ze zijn om in één-op-één-contacten de hulpverlening ter hand te nemen. De Florence-Nightingale-reflex zit diep ingebakken in onze professionele manschappen, overigens voor 80 procent vrouwen.

Zeker als de nood aan de man is, de schulden hoog, mensen in de war, kinderen onveilig, dan is een netwerkgesprek niet het eerste waar je aan denkt. Dan moet er wat gebeuren. Maar om blijvend resultaat te boeken moet mensen weer de regie over hun eigen leven ter hand kunnen nemen, en moet er ook een omgeving tot stand komen die mee werkt. Precies op dat – cruciale - punt wringt nogal eens de schoen.

Er bestaat in kringen van sociale professionals een grote terughoudendheid om anderen in zo’n gesprek te betrekken, laat staan om ze ook echt zeggenschap te geven. Dat kost ook veel tijd. Maar toch zullen ze om echt betere zorg en ondersteuning mogelijk te maken die kant op moeten bewegen en hun dienstbaarheid daar meer en meer op moeten gaan afstellen.

 5. We willen het niet zien als een machtsoverdracht

De decentralisaties zijn gestoeld op de gedachte dat burgers meer zeggenschap moeten krijgen over hun eigen leven en dus ook over de zorg en ondersteuning die ze krijgen. De Nederlandse verzorgingsstaat is gebouwd op een lange paternalistische traditie waarin er voor mensen van alles geregeld wordt, zonder dat ze een stem hebben in de manier waarop die zorg vorm krijgt. Gandhi heeft dit paternalisme ooit mooi aangeklaagd: ‘Alles wat je voor mij doet, zonder mij, doe je tegen mij.’ De belofte van de decentralisaties is om met die traditie af te rekenen. Of zoals het in de beleidsnota’s in één formule wordt samengevat: niet voor mensen, maar door mensen.

Het probleem is echter dat deze verplaatsing van zeggenschap in de transformatie van het sociaal domein allereerst wordt gezien als een organisatievraagstuk, veelal in de vorm van het opzetten van sociale wijkteams. Maar het is veel meer dan een organisatievraagstuk. Je kunt dingen wel dichtbij, in de buurt organiseren en je kunt een regisseur per gezin hebben, maar als het plan een dictaat is, dan voelt zorg dichtbij niet als empowerment, maar als een vergroting van de machteloosheid.

Om echt fundamentele stappen te kunnen zetten moet je ook vanuit dit perspectief naar de veranderingen blijven kijken. Voor een geslaagde verbetering van de zorg en de lokale dienstverlening is een drievoudige machtsoverdracht nodig. Van het Rijk naar de gemeente (of te wel van staat naar stad), van beleidsmakers naar uitvoerende professionals en van hulpverleners naar bewoners/burgers.

Om de vraag te beantwoorden of de decentralisaties een succes zijn moeten we dus niet kijken of de bezuinigingen zijn gerealiseerd, en ook niet of er organisatorische hervormingen worden doorgevoerd, maar of mensen meer te zeggen hebben gekregen over hun leven en de hulp die ze nodig hebben om vooruit te komen. Omdat nu vrijwel alle aandacht uitgaat naar het (financieel) organiseren en de daarbij horende vraagstukken komt deze emancipatorische kant van de decentralisaties niet echt uit de verf, en zien wijkteams – om een voorbeeld te noemen, dat we ook in #29 Collectief kijken blijkt blinde vlek wijkteams aanhaalden  – niet de noodzaak om over hun werk verantwoording af te leggen of in gesprek te gaan met bewoners uit hun wijk.

Zijn de decentralisaties verworden tot een koude douche?

Zijn de decentralisaties daarmee verworden tot een koude douche? Na de beschrijving van deze vijf hardnekkigheden zou je bijna denken dat die conclusie onvermijdelijk is. Toch is dat niet het verhaal waarmee we deze serie afsluiten. Ons verhaal is niet pessimistisch, hoezeer we ook valkuilen hebben ontwaard en problemen zien. Die zijn echter onvermijdelijk, het zou naïef zijn om te denken dat die niet zouden opduiken.

Maar we zijn ervan overtuigd dat er een weg is ingeslagen die onomkeerbaar is. Er is geen weg terug. Er is wel een verleden dat meeloopt naar de toekomst, dat zijn zegje blijft doen en in onzekere tijden kan winnen aan aantrekkingskracht. Geschiedenissen raak je niet zomaar kwijt, daar moet je de goede dingen uit filteren om mee te nemen naar de toekomst.

We zijn optimistisch, omdat je moet veranderen om de diepere lagen van de realiteit in beeld te krijgen. Je moet iets nieuws beginnen om scherp te krijgen wat je klaarblijkelijk tegenhoudt. Precies dat luidt na de eerste twee jaar de volgende fase van de decentralisaties in.

We zijn aan een veranderingsproces begonnen, hebben daar andere vormen van financiering en organisatie voor bedacht en zien nu dat daaronder een werkelijkheid van routines, vanzelfsprekendheden en werkwijzen schuilgaat waarvan we ons zonder de veranderingen nooit bewust zouden zijn geworden. Wij hebben de afgelopen twee jaar dertig afleveringen van deze serie Nabij is beter nodig gehad om dat beeld scherp te krijgen; het is nu zaak om die ontblote werkelijkheid te gaan veranderen.

Dit is de laatste aflevering van de serie Nabij is beter waarin Pieter Hilhorst en Jos van der Lans van juni 2015 tot en met december 2016 30 afleverimgen schreven over hun ervaringen en waarnemingen over de  ‘transformatie van het sociaal domein’. Naast deze afleveringen organiseerden zij in acht gemeenten 3D-Labs waarin zij met betrokkenen praktische problemen die met de veranderingen de kop op staken probeerden op te lossen. Zowel de serie als de 3D-Labs werden mogelijk gemaakt dankzij financiële ondersteuning van KING/VNG.  De verslagen van de 3D-Labs, een overzicht van alle dertig bijdragen en verwijzingen naar twee essaybundels die tijdens dit project verschenen, vindt u in het dossier Nabij is beter op deze site.

Pieter Hilhorst is politicoloog, publicist en oud-wethouder van Amsterdam. Jos van der Lans  is cultuurpsycholoog en publicist.

Foto: guah (Flickr Creative Commons)

 

Bronnen

Links in de tekst

http://www.josvdlans.nl/publicaties/2015-11-placemat-beloften-3D.pdf

https://www.socialevraagstukken.nl/14-kennis-maken-met-verschillen/

https://www.socialevraagstukken.nl/de-meerwaarde-van-gebiedsgericht-werken/

https://www.socialevraagstukken.nl/25-de-vraagverlegenheid-voorbij/

https://www.socialevraagstukken.nl/29-collectief-kijken-blijkt-blinde-vlek-van-wijkteams/

https://www.transitiecommissiesociaaldomein.nl/documenten/publicaties/2016/01/21/transitiecommissie-sociaal-domein-essaybundel-spread

https://www.socialevraagstukken.nl/27-de-transformatie-dreigt-te-stranden-in-verkokering/

https://www.socialevraagstukken.nl/29-collectief-kijken-blijkt-blinde-vlek-van-wijkteams/

 

 

 

Dit artikel is 682 keer bekeken.

Reacties op dit artikel (5)

  1. Een paar opmerkingen:
    – Het artikel begint met de opmerking dat het ‘’inmiddels een typisch Nederlands verschijnsel is’’ dat na het beleidsmatig optimisme de onvermijdelijke scepsis, gevoed door op incidenten gerichte media en kritische wetenschappers, volgt.
    Wat zonde is dit toch steeds weer. Met zo’n opmerking is er geen open debat meer mogelijk over hoe het gaat en wat beter kan, en wordt de toon gezet: wat een domme critici die zich laten leiden door incidenten en kritische wetenschappers. Bovendien wordt er onrecht gedaan aan mensen die kritisch zijn, die er anders over denken en andere keuzen voorstaan. En ook nog eens vaak dagelijks met de gevolgen van het beleid geconfronteerd worden en zich hierover zorgen maken.

    – De Nederlandse verzorgingsstaat is niet gebouwd op een lange paternalistische traditie waarin er voor mensen van alles geregeld wordt maar is -nuance- ontstaan uit onvrede over afhankelijkheid, onzekerheid en armoede. Toen in de jaren 50 de AOW en de bijstandswet tot stand kwamen, was dit voor heel veel mensen een enorme opluchting. Zij konden zelfstandig blijven, en hoefden niet afhankelijk te zijn van hun kinderen voor zorg en huisvesting, of erger: van de armenzorg en liefdadigheid.

    – Met de stelligheid waarmee (steeds) wordt gesteld dat er is een weg is ingeslagen die onomkeerbaar is en dat er geen weg terug is, heb ik grote moeite.
    Zo lijkt het net alsof we met ‘’een onzichtbare hand’ te maken hebben in plaats van met politieke keuzes die gemaakt zijn en ook anders kunnen.

    – Mensen willen zelfredzaam zijn en regie over hun eigen leven voeren, ook toen die termen nog niet bestonden. Het is niet nieuw, het is niet hetzelfde als ‘onafhankelijk’, en het heeft niets met de participatiesamenleving te maken. Zelfredzaam zijn is ook weten wanneer je hulp nodig hebt. En zelf kunnen beslissen wat voor hulp dat dan is.
    Iedereen is -wij ook- op een x-moment afhankelijk van anderen. (Gelukkig zijn overigens zij die geld hebben en hulp kunnen kopen…)

    Tot slot: het is een misverstand -en ontkenning van de professionaliteit- dat welzijnswerkers vroeger alles overnamen. Dat deden zij niet, integendeel zelfs; uit overtuiging en ook omdat het niet anders kon. Op het welzijnswerk is stelselmatig bezuinigd en welzijnswerkers waren altijd al inventief en innovatief in hun zoektocht naar manieren om mensen die hulp nodig hadden constructief bij te staan, én hen te helpen, zo mogelijk, zichzelf te helpen.
    M.Bauwens

  2. Betrek nu toch ook eens de persoonlijke veiligheid van de sociale professionals in de wijken en gebieden. Zij zijn nu professioneel boksbal geworden van die leefwereld van de burger en die logica van de systeemwereld. Maar wel met gebonden handen en zonder enige backup wanneer men vanuit werk slachtoffer wordt van een misdrijf.

  3. De schrijver van dit artikel schrijft dat “we aan een verandering zijn begonnen, en dat daar andere vormen van financiering en organisatie voor zijn bedacht . En dat we nu zien dat daaronder een andere werkelijkheid schuilt…waar WE ons anders nooit bewust van zouden zijn geworden. Ik weet niet wie WE zijn in dit artikel maar ik en vele werkers in de zorg en hulpverlening waren ons al decennia bewust van de routines en regels. Het artikel beschrijft terecht dat een groep een vorm heeft bedacht zonder de werkelijkheid te kennen of zich daarover te informeren. Die werkelijkheid was er al, de realiteit nu is dat kwetsbare ouderen en jongeren de prijs betalen voor de vorm die bedacht is. Vervolgens gaan we met holle kreten zoals ” het kon zo niet langer, het is allemaal niet te betalen en de burger moet zijn verantwoordelijkheid nemen” met man en macht verder om de vorm in de mal van de werkelijkheid te persen.

  4. De reacties die zijn geplaatst heb ik niets aan toe te voegen. Ze geven een wereldvreemdheid aan bij van Hilhorst en van der Lans die ik wel vaker meen te ontwaren in hun bijdragen. Bijzonder dat zij met de media en kritische wetenschappers (alsof een wetenschapper dat niet zou mogen zijn als het om 3D gaat) nooit het inhoudelijke debat aangaan. De eigen 3D Labs zijn zijn een veilig oord om eigen standpunten bevestigd te zien.

  5. Een ‘reactie op de reacties’ zou ik zeer op prijs stellen. Alleen door in gesprek te gaan over maatregelen, keuzes en gevolgen komen we verder. En uiteindelijk tot een goed beleid.

Reageer

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *