Afgelopen zomer ondertekenden meer dan vijfhonderd inwoners van Heerlen en tientallen lokale verenigingen – de moskee, de harmonie, de jeugdcarnavalsvereniging – een petitie. Hun dringende oproep aan de wethouder: laat bewonersfonds Frisse Wind bestaan. Het is de tweede keer in zes jaar dat het fonds moet knokken voor zijn voortbestaan.
Heerlen staat daarin niet alleen. Van het Texelfonds tot Buurtgroei in Nijmegen, van de Amsterdamse buurtfondsen tot het Twentse Noabers Fonds: door het hele land staat het bestaansrecht van bewonersfondsen, hoe succesvol ook, op het spel.
BewonersfondsenBewonersfondsen staan internationaal bekend als community foundations. Het European Community Foundation Initiative omschrijft ze als: lokaal gewortelde instellingen die de sociale veerkracht van een gemeenschap versterken met kennis, mensen en kapitaal. In Nederland zijn tot nu toe 33 fondsen in kaart gebracht die aan deze definitie voldoen. Maar waarschijnlijk is het daadwerkelijke netwerk van lokale fondsen vele malen groter. |
Bij het Heerlense Frisse Wind, opgericht in 2020 met een startimpuls van VSBfonds, hielpen scout-coaches de afgelopen jaren ruim vierhonderd initiatieven op weg: van een jeu de boules-baan tot een plantenbieb en van een dierenweide tot een kerstviering voor wie anders alleen thuis zit.
In een stad waar het vertrouwen in instituties en het percentage mensen dat vrijwilligerswerk doet tot de laagste van het land behoren, is de begeleiding die een fonds biedt geen overbodige luxe. Iemand die bij je langskomt, meedenkt en je in contact brengt met andere initiatieven is een voorwaarde om iets te laten ontkiemen. Vorig jaar was het jaarbudget van Frisse Wind dan ook al in oktober vergeven.
Vast in de projectencarrousel
Maar wat gebeurt er als een bewonersfonds aan de verwachtingen voldoet? Dan dreigt het vast te lopen in de projectencarrousel. Overheden en grote landelijke fondsen financieren graag wat nieuw is, maar trekken hun handen af zodra een initiatief op eigen benen lijkt te kunnen staan.
Het zwaarste en meest kwetsbare werk begint pas na de opstartfase
Maar het succes van bewonersfondsen moet niet alleen aan de hand van het aantal nieuwe initiatieven worden beoordeeld. Want het zwaarste en meest kwetsbare werk begint pas na de opstartfase. En dát vergt investeringen.
Op basis van inzichten verzameld in zes jaar Frisse Wind en gesprekken met collega-fondsen ontkrachten we drie hardnekkige misverstanden, en schetsen we wat er nodig is om het werk van de meer dan dertig bewonersfondsen die ons land rijk is, structureler te ondersteunen.
Drie misverstanden
Het eerste misverstand is dat een fonds vooral een instrument is om kleine startsubsidies uit te strooien, en dat elke euro die naar begeleiding gaat een euro is die niet bij bewoners terechtkomt. Wie dat denkt, onderschat de rol van de coaches die achter de voordeur komen. Zij raken bekend met de motivatie van de bewoners, adviseren, stimuleren en laten bewoners zien wat er mogelijk is als je ergens gezamenlijk je schouders onder zet.
Kyra van Hoof, directeur van Mensen Maken Amsterdam, de koepelorganisatie van acht Amsterdamse buurtfondsen, ziet coaches daarom als dragende krachten die niet moeten worden afgedaan als overbodige overhead: ‘Zonder een actieve kartrekker die in de lokale context opereert, bereikt het geld onvoldoende de initiatieven die het écht nodig hebben. Je hebt mensen nodig die in contact staan met de gemeenschap om bewonersinitiatieven te stimuleren én duurzaam te activeren.’
Zolang het alleen om output draait, ontbreekt de prikkel te zorgen voor wat al groeit
Het tweede misverstand is dat succes zich louter laat aflezen aan het aantal nieuwe aanvragen. Zolang een fonds alleen op de zogeheten ‘output’ wordt afgerekend, ontbreekt de prikkel en ruimte om te zorgen voor wat al groeit. Het gaat om het bestendigen van wat je hebt opgebouwd: de toegevoegde ‘meerwaarde’ van een lokaal initiatief koesteren, er zijn bij tegenslag, en soms bijsturen. Zonder dat – voor de buitenwereld vaak onzichtbare – werk sterft een initiatief vaak snel een stille dood.
Een derde misverstand is de gedachte dat een gemeentelijk loket dit net zo goed, en misschien wel goedkoper, zou kunnen doen. Maar een gemeentelijk loket werkt met strakke regelingen, vaste termijnen en moet iedereen gelijk behandelen; het kan niet uit eigen beweging langsgaan bij een initiatief dat dreigt om te vallen of bewonersgroepen die niet zo snel uit eigen beweging een aanvraag indienen. Bovendien is zo’n loket onderdeel van een overheid waar bewoners niet altijd goede ervaringen mee hebben. Zien welk initiatief ondersteuning nodig heeft en waarmee, vraagt om professionals die dicht genoeg bij de gemeenschap staan en op basis van vertrouwen kunnen werken met bewoners.
Wat er op het spel staat
Nu gemeenten fors moeten bezuinigen, staat het voortbestaan van bewonersfondsen zoals gezegd onder druk, in Heerlen en elders in het land. In tegenstelling tot klassieke vermogensfondsen beschikken veel lokale bewonersfondsen niet over eigen kapitaal of een verdienmodel. Ze kunnen daarom niet zomaar terugvallen op welgestelde stadsgenoten of het bedrijfsleven. Duurzaam opgebouwde lokale kennis, netwerken en vertrouwen dreigen zo te verdwijnen.
Wat helpt bewonersfondsen in deze situatie? Allereerst, dat er een einde komt aan jaarlijkse toezeggingen of kortdurende startsubsidies. Stem de financiering af op de tijd die bestendiging werkelijk kost, bijvoorbeeld voor een periode van minimaal zes jaar (een raadsperiode plus twee jaar).
Bewonersfondsen zijn de hoveniers die blijven om kwetsbare scheuten te beschermen
Ten tweede dragen landelijke fondsen een verantwoordelijkheid: stap niet direct uit zodra de opstartfase slaagt, maar bouw samen met gemeenten aan continuïteit. Tot slot ligt er een rol voor het Rijk: beschouw bewonersbetrokkenheid niet als een los project naast het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid, maar maak het tot een vast, structureel onderdeel daarvan, met dezelfde lange adem.
Wie een tuin aanlegt en de hovenier na drie seizoenen wegstuurt, moet niet vrezen voor een beetje onkruid, maar voor het verlies van de hele tuin. Bewonersfondsen zijn er niet voor de eenmalige aanplant. Het zijn de hoveniers die blijven om kwetsbare scheuten te beschermen, en wat extra water te geven wanneer het even tegenzit. Pas dan schieten bewonersinitiatieven echt wortel.
Job Zomerplaag promoveert aan de Universiteit Maastricht en UNU-MERIT en onderzoekt burgerparticipatie en wijkgericht werken bij gemeenten. Hij is sinds de oprichting betrokken bij Frisse Wind. Sanne Stephan werkt sinds 2020 voor bewonersfonds Frisse Wind Heerlen, de laatste jaren als manager projecten. Dit artikel is tot stand gekomen door gesprekken met coördinatoren van bewonersfondsen verspreid over het hele land.
Foto: Carole Meijers Fotografie