Allochtonen zijn al decennialang het haasje

Donners integratienota is geen knieval voor de PVV. Het is de uitkomst van een morele diskwalificatie van allochtonen die al decennia aan de gang is. Zelfs de rechterlijke macht maakt zich hieraan schuldig. Tegelijkertijd worden burgerschap en tolerantie gepredikt. Dat is de spagaat waarin Nederland zich bevindt.

Het is eerder opgemerkt: de multiculturele samenleving is geen experiment en kan dus ook niet mislukt zijn. Het is geen ontwerp, zoals de welvaartsstaat, die een wilsuiting is geweest. Verscheidenheid van culturen is historisch een haast natuurlijk verschijnsel. In Nederland komt die tot uiting in bijvoorbeeld de restanten van de zuilenmaatschappij, de heterogeniteit aan streekculturen en de variatie aan stedelijke leefculturen. Die verscheidenheid verschilt in één wezenlijk opzicht van wat nu de multiculturele samenleving wordt genoemd: de huidige verscheidenheid wordt belichaamd door diverse allochtone groepen, zichtbare minderheidsgroepen, klein in aantal, versnipperd, sociaal en politiek zwak, in veel opzichten zelfs weerloos.

Met de multiculturele samenleving wordt niet alleen het allochtone bevolkingsdeel bedoeld, maar meer specifiek de groepsvorming van allochtonen die zich sinds de jaren zestig en zeventig voltrok. De ontzuiling ging gepaard met processen van secularisering en individualisering, ontwikkelingen die haaks stonden op de allochtone groepsvorming. Dat leidde tot jeuk en kriebel bij de baby-boom-generatie, die zich heeft ontpopt als de ‘anti-zuilengeneratie’. De oplossing van dit zuileneczeem bestaat uit assimilatie, individualisering en nationale verbondenheid – de cocktail van het huidige nationalisme. Het moet niet verwonderen als historici later zullen optekenen dat de huidige politieke elite bezig is af te rekenen met het eigen verleden.

Sinds de ontzuiling staat de multiculturele samenleving synoniem voor ‘verdeeldheid’. De integratienota van minister Donner past wat dat betreft in een CDA-traditie waarin politici als Verhagen en Balkenende hem voorgingen. Daarom is de kabinetsbrief waarin Donner afstand neemt van de multiculturele samenleving geen knieval voor de PVV. Deze stelling is van oudere datum en ook door andere Europese leiders verwoord. Wat al deze uitspraken gemeen hebben is de suggestie dat etnische minderheden niet willen integreren en een nationalisme dat een stamgevoel bij de autochtone bevolking smeedt.

Wandelende sociale problemen
Etnische minderheden waren niet alleen vreemd volk dat zich in groepen organiseerde. Hun integratie voltrok zich ook niet altijd geruisloos, een tijdelijke ontwikkeling
overigens die specifiek is voor bepaalde groepen.  Indische Nederlanders en Molukkers, Surinamers, Turken, Chinezen en later Antillianen, Marokkanen en Somaliërs laten een opeenvolging zien van ‘aanloopproblemen’ gevolgd door geslaagde integratie. Deze verbinding tussen immigranten en sociale problemen is niettemin altijd gelegd, eerst besmuikt en vanaf de economische crisis van de jaren tachtig steeds openlijker. Een hele generatie Nederlanders is opgevoed met de overtuiging dat allochtonen wandelende sociale problemen zijn. Dat is een nationale reflex geworden, wat onder andere heeft geresulteerd in tendentieuze kosten-batenanalyses van de grootte van deze wandelende sociale kostenposten.

Ook deze verbinding tussen wandelende sociale problemen en wandelende kosten is niet nieuw. Om enkele voorbeelden te noemen: begin jaren tachtig, toen het sociale zekerheidsstelsel een grote toestroom van werkloze allochtone arbeiders kreeg te verwerken, werd er drastisch bezuinigd op de uitkeringen. Hoewel de overheid inderdaad haar uitgaven moest reduceren, was het destijds een veelgehoorde aantijging dat allochtonen het sociale vangnet verwarden met een hangmat. Dus werden hoogte en duur van de uitkeringen aangepast om de toestroom en het verblijf in de ‘hangmat’ minder aantrekkelijk te maken. Ander voorbeeld: eind jaren tachtig deden allochtonen steeds vaker een beroep op voorzieningen zoals de bekostiging van gebedshuizen - een regeling waar van oudsher de christelijke kerken op hadden gesteund. Deze voorziening werd subiet ontmanteld.

Voorbeeld drie, meer een verzameling van voorbeelden: allerlei voorzieningen ter ondersteuning van de integratie van allochtonen, zoals gratis wemlessen, taalcursussen of uitgaven als voorlichting in eigen taal, stuitten op verzet van een afgunstige autochtone bevolking en werden slechts morrend en mokkend
toegestaan. Het is een  onuitgesproken, maar hardnekkige constante in het beleid: zodra allochtonen relatief vaker gebruik maken van een voorziening, wordt die bij de eerste en beste gelegenheid afgebouwd. Gelukkig was de economische groei sinds de jaren tachtig niet erg hoog, zodat telkens het argument ‘financiële crisis’ kon worden aangevoerd.

Assimilatie
In dit licht zijn ook de aangekondigde bezuinigingen door Donner op onder meer allochtone organisaties en inburgering geen nieuw verschijnsel. De voortdurende
morele diskwalificatie van de multiculturele samenleving maakt het makkelijker om bezuinigingen door te voeren.

Die morele diskwalificatie, zo gemakkelijk om bezuinigingen te legitimeren, bestaat niet alleen uit het refrein ‘de multiculturele samenleving is mislukt’. Het is de afgelopen decennia gepaard gegaan met een downgrading van allochtonen. Hen is regelmatig en in verschillende bewoordingen voorgehouden dat zij niet uit een democratische cultuur komen, dat zij geen homo- en vrouwenemancipatie kennen, dat hun cultuur op een lagere trap staat. Een dergelijke cultuur kan natuurlijk niet op dezelfde voet staan als de superieure Europese cultuur, dat zou getuigen van een onaanvaardbaar relativisme. Culturele superioriteit, zo vanzelfsprekend aanwezig in de koloniale periode, is terug van weggeweest, en daarmee assimilatie. Tegelijkertijd wordt de gelijkheid van burgerschap gepredikt, de tolerantie, de openheid. Dat is de spagaat waarin Nederland zich heeft gemanoeuvreerd.

Rechterlijke macht
Niet alleen de uitvoerende en wetgevende machten zijn debet aan constructie van tweederangsburgers. Het afgelopen decennium heeft ook de rechterlijke macht zonder
uitzondering de zijde gekozen van politici die er behagen in scheppen om allochtonen moedwillig te kwetsen. De grenzen van het toelaatbare werden voor rechtse politici steeds rekkelijker geïnterpreteerd. Wat rechters ontgaat is dat zij niet alleen de polarisatie legitimeren, maar dat hun partijdigheid het vertrouwen van grote groepen allochtonen in autochtone instituties ondermijnt. De rechterlijke macht is niet meer een stabiele baken in een woelige samenleving, maar een op drift geraakte institutie. Vrouwe Justitia mag zich blind voordoen, zij heeft wel een neus voor de macht.

Het meest opmerkelijke van deze ontwikkelingen is de stilte van allochtone zijde. Hun politieke en morele marginalisering geeft geen aanleiding tot woedende reacties
of tot ingezonden stukken. Hebben zij het geloof verloren dat hun stem iets uitmaakt? Of hebben zij de capaciteit niet om de degens te kruisen met de gevestigde machten? De tijd zal het leren.

Ruben Gowricharn is hoogleraar sociale cohesie en transnationale vraagstukken aan de Universiteit van Tilburg.

Foto: Bas Bogers