Amsterdam past op de woorden

Met de introductie van buurtteams in Amsterdam eerder dit jaar, werd ook een ander taalgebruik geïntroduceerd. Minder ambtelijk, minder ongelijk. Dat is niet lachwekkend, dat geeft hoop voor de toekomst, stelt Jos van der Lans.

Sinds april 2021 kent Amsterdam, in navolging van Utrecht, buurtteams: verspreid over alle wijken van de stad in totaal maar liefst 33. De bedoeling daarvan is dat Amsterdammers daar op een soepele manier met vragen over zorg, wonen, gezondheid, werk, geld, ontmoeten of veiligheid terechtkunnen. Wie op een van de gebieden advies of steun nodig heeft, kan zich melden bij het buurtteam, waarvan de medewerkers indien gewenst bij je thuis komen. Dat hoef je ook niet in je uppie te doen, je mag ook altijd iemand meenemen naar zo’n gesprek. Dus weg met de bureaucratische obstakels en verschillende loketten. Daarvoor in de plaats zijn dus sinds het voorjaar herkenbare, uitnodigende en vooral laagdrempelige buurtteams gekomen.

Buurtteams: vlotte hulp

Daarmee maakt de hoofdstad, vijf jaar later dan de meeste andere gemeenten in het land, alsnog een van de beloftes van de decentralisatie waar, namelijk de veronderstelling dat als je burgers met vragen eerder passende (generalistische) steun biedt, je daardoor kunt voorkomen dat ze later een beroep doen op gespecialiseerde en vooral ook duurdere hulpverlening. Hoe eerder, hoe verstandiger en uiteindelijk hoe goedkoper − dat was het idee.

De vertraagde invoer van deze sociale wijkteams stelde Amsterdam wel in staat om van ervaringen elders te leren. Een van de lessen die men in het stadhuis en de buurtteam-organisatie trok, was dat taal in zo’n vernieuwingsoperatie ertoe doet en het daarom zaak is om in de communicatie met Amsterdammers op de woorden te gaan passen. In een wekelijks overleg van betrokkenen die de invoering van de Amsterdamse buurtteams moesten voorbereiden, werd geconstateerd dat het sociale domein doordrongen is van een vervreemdend taalgebruik dat onrecht doet aan de intentie van de nieuwe organisatie. Daar wilde de Amsterdamse buurtteam-organisatie graag afscheid van nemen. Voortaan liever geen besmette taal meer.

Taboe op beleidsjargon

Om dat te realiseren, werd er een lijst opgesteld van aanduidingen en begrippen waarvan het beter zou zijn om die in de communicatie met Amsterdammers te vermijden. De lijst bevat tien tabellen, waarin in rood is aangegeven welk begrip bij voorkeur niet meer gebruikt wordt, in donkergroen wat het alternatief is, en in lichtgroen welke aanduidingen ook acceptabel zijn. Zo is het niet langer de bedoeling om van ‘klanthouder’ of ‘regisseur’ te spreken (‘te dwingende connotatie’), maar wel van ‘regievoerder’ (donkergroen) of ‘contactpersoon/coördinator’ (lichtgroen). Ook de aanduiding ‘hulpverlener’ is uit de gratie (‘we willen juist de eigen kracht van de Amsterdammer benadrukken’). Daarvoor in de plaats spreekt men bij voorkeur van ‘buurtteammedewerker’, met als alternatief ‘professional’ of ‘ondersteuner’.

De lijst, waarvan het de bedoeling is dat deze zich werkende weg uitbreidt, is een gerichte poging om beleidsjargon terug te dringen en los te komen van het dominante zorgidioom. ‘Indicatie’ moet gewoon een ‘besluit’ genoemd worden. ‘Behandelplan’ wordt ‘ondersteuningsplan’ (of ‘perspectiefplan’). Uit den boze is verder het woord ‘producten’ (‘te commerciële connotatie’), dat zijn gewoon ‘voorzieningen’ of ‘diensten’. Het spreken over ‘burgers’ is ook veel te algemeen, niet doen dus: het zijn gewoon ‘Amsterdammers’, ‘buurtbewoners’. Ja... en waar je binnen de Amsterdamse buurtteams ook niemand meer over zult horen, is het ‘keukentafelgesprek’ (‘inmiddels archaïsche term’), dat is gewoon een ‘eerste gesprek’ (‘waarin de professional de vraag van de Amsterdammer verheldert’).

Afscheid van bureaucratisch denken

Het is niet moeilijk om met deze lijst de draak te steken. De koppen in de media zijn gemakkelijk voorspelbaar: ‘Amsterdam verbiedt gebruik woorden’, ‘Woord ‘hulpverlener’ voortaan taboe in Amsterdam’ of ‘Vrijzinnig (of Halsema’s) Amsterdam hanteert woorden-index’. De samenstellers zagen wat dat betreft de bui hangen en doen hun uiterste best om te melden dat het geen ‘dwingend lijstje’ is van ‘geboden en verboden’, maar een handreiking voor gebruikers om ‘te kiezen welke term wanneer het meest passend is’. Of die disclaimer kan voorkomen dat de media erop losgaan, is natuurlijk zeer de vraag.

Zo’n cynische reactie is echter te gemakkelijk. Woorden zijn nu eenmaal niet onschuldig of neutraal. Veel van deze termen (‘klant’, ‘product’, ‘indicatie’, ‘huiskamergesprek’) zijn gemunt in een periode waarin het bedrijfsmatig en systemisch denken de toon begon te zetten in het vormgeven en aansturen van het sociale domein. Dat was niet de taal van hulpverleners (pardon: professionals) of burgers (sorry: Amsterdammers), maar vooral van ambtenaren en managers. Met die taal (en een leger voorlichters) zetten ze de sociale sector naar hun hand, met – zoals we nu weten – averechtse bureaucratische gevolgen. Wie daarvan afscheid wil nemen, zal niet alleen moeten nadenken over andere beleidsinstrumenten, maar ook over de taal en de wijze van communiceren met de buitenwereld.

Dat Amsterdam daarmee nu – achter de schermen, want de notitie is bewust intern gehouden en niet aan de grote klok gehangen − een begin heeft gemaakt, valt daarom alleen maar toe te juichen.

Jos van der Lans is cultuurpsycholoog en publicist. Deze column verschijnt ook in het winternummer van Tijdschrift voor Sociale Vraagstukken

 

Foto: KatjaLinders (Flickr Creative Commons)