Beleidsmakers, de Oost-Europese arbeidsmigranten blijven

Veel Oost-Europese arbeidsmigranten verlaten de Nederlandse arbeidsmarkt na een eenmalige en langere periode gewerkt te hebben. Een aanzienlijk deel vestigt zich echter langdurig in Nederland, blijkt uit nieuw onderzoek.

Oost-Europese arbeidsmigranten hebben sinds hun toetreding tot de Europese Unie in 2007 vanwege het vrij verkeer van werknemers geen arbeidsvergunning meer nodig om in Nederland te kunnen werken. Werkgevers kunnen deze groep werknemers eenvoudig inzetten en bieden de arbeidsmigranten veelal tijdelijke contracten aan. De fysieke nabijheid van het thuisland en goedkope vlieg- en bustickets vergemakkelijken voor de arbeidsmigrant het op en neer reizen tussen Oost-Europa en Nederland. Zij komen vaak via uitzendbureaus naar Nederland dat ze flexibiliteit biedt omdat ze niet in het bestemmingsland zelf naar werk hoeven te zoeken en ook een tijd in hun thuisland kunnen verblijven.

Lange tijd was het heersende beeld – of moeten we misschien zeggen: de hoop – dat het bij arbeidsmigranten uit Oost-Europa vooral om tijdelijke migratie zou gaan en dat Polen en andere Oost-Europeanen zich niet permanent in Nederland vestigen en geen ‘gastarbeiders’ worden. Op gemeentelijk niveau wordt de het huisvestingsvraagstuk van arbeidsmigranten dan ook opgelost met tijdelijke maatregelen als Polenhotels en containerwoningen.

Maar andere gemeenten stellen regels op die moeten voorkomen dat te veel Oost-Europese arbeidsmigranten zich vestigen, bericht Trouw. Onder meer Maasdriel, Zuidplas, Zaltbommel en Tiel gaan Poolse en Roemeense arbeiders weren om woonwijken leefbaar te houden.

Oost-Europese arbeidsmigranten verlaten vaakst de Nederlandse arbeidsmarkt

Het roept de vraag op in hoeverre de werkpatronen van arbeidsmigranten uit Oost-Europa wijzen op patronen van tijdelijke, circulaire en vestigingsmigratie. We beschikken via het Centraal Bureau voor de Statistiek over een grootschalige dataset van alle werknemers die in de periode 2010-2015 in Nederland in loondienst werkten.

Door vast te stellen hoeveel maanden per jaar werknemers uit Oost-Europa in Nederland werkzaam zijn krijgen we meer inzicht in hun verblijf in Nederland. Door arbeidsmigranten over een langere periode te volgen, kunnen we ook veranderingen in de tijd in kaart brengen. De analyses gaan alleen over werknemers. Zelfstandigen, werknemers in dienst bij een buitenlandse werkgever (detachering) en zwart werk blijven buiten beschouwing.

In juni 2010 werkten 7,4 miljoen werknemers in Nederland in loondienst. 144 duizend werknemers kwamen uit Oost-Europa, dit is twee procent van het totale aantal werknemers in juni 2010. Uit onze analyses blijkt dat in de vijf jaren dat we de werknemers volgen, meer dan de helft van de Oost-Europese arbeidsmigranten stopt met werken in loondienst op de Nederlandse arbeidsmarkt (figuur 1).

De uitstroomredenen van de arbeidsmigranten die niet meer in loondienst werken, zijn onbekend. Aannemelijk is dat velen de Nederlandse arbeidsmarkt verlaten om terug te keren naar hun thuisland omdat werkloosheid een belangrijke aanleiding is voor retourmigratie.

Substantieel deel vestigingsmigrant

Onze bevindingen wijzen er tevens op dat een derde van de arbeidsmigranten uit Oost-Europa na ruim vijf jaar is te typeren als vestigingsmigrant. Zij zijn het grootste deel van het jaar in Nederland werkzaam en zetten dit in de volgende jaren voort.

De vestigingsmigranten in onze analyse zijn in twee typen te onderscheiden. Het gaat enerzijds om migranten die in Nederland verblijven met een lange(re) verblijfsintentie en die zich hebben ingeschreven in het bevolkingsregister, relatief vaak vrouwen en migranten met een wat hoger uurloon, en anderzijds om migranten die zich niet hebben ingeschreven in het bevolkingsregister, maar niettemin al een aantal jaren langdurig in Nederland werken, en vaak ouder zijn.

Figuur 1:

Aandeel werknemers dat werkt in loondienst in de maanden juni 2010-december 2015 (maandelijkse waarnemingen), werknemers werkzaam in juni 2010

(Bron: CBS Microdata, 2010-2015; bewerking auteurs)

Trends die duiden op seizoensmigratie

De figuur laat tevens zien dat een deel van de Oost-Europese arbeidsmigranten blijkbaar jaarlijks terugkeert op de Nederlandse arbeidsmarkt. Dit terugkeerpatroon doet zich voor vanaf het voorjaar met een piek in juni, en neemt daarna weer af. Dit terugkeerpatroon loopt gelijk op met het aanbod van seizoenswerk in de agrosector en duidt op een seizoensmigratiepatroon. Dit patroon zien we bij werknemers uit de andere Europese landen, met ook open grenzen, in veel geringere mate.

 Gering aantal circulaire migranten

Circulaire migratie, een herhalend patroon van tijdelijk werken, is onder arbeidsmigranten uit Oost-Europa zeer bescheiden van omvang. Het gaat het om zo’n zes procent. We verwachtten dat circulaire migratie aan belang zou toenemen en mogelijk zelfs een dominant patroon zou vormen binnen de ‘nieuwe Europese migratie’. De geringe omvang van het aantal Oost-Europese arbeidsmigranten dat meerdere jaren achtereen kortdurend werkt roept de vraag op of gesproken kan worden van circulaire migratie als een belangrijk nieuw verschijnsel.

Beleid richten op duurzame integratie

Oost-Europese arbeidsmigranten blijken dus vaker dan gedacht zich langere tijd in Nederland te vestigen, terwijl een herhalend patroon van kort weken in Nederland beperkt voorkomt. Deze conclusies nuanceren het beeld van de nieuwe Europese migratie, want dan zouden we minder arbeidsmigranten verwachten met ononderbroken periodes van werk en meer arbeidsmigranten die een beperkt aantal maanden van het jaar werken.

Voor politici en beleidsmakers is de belangrijkste conclusie dat zij er rekening mee moeten houden dan een aanzienlijk deel van de Oost-Europese migranten zich langdurig in Nederland zal vestigen. Naast beleid voor tijdelijke huisvesting, zou het beleid zich dus ook moeten richten op langdurige vestiging en duurzame integratie van Oost-Europese migranten.

Het integratiebeleid richt zich overwegend op niet-EU-onderdanen. Oost-Europese arbeidsmigranten zijn niet inburgeringsplichtig en hoeven bijvoorbeeld niet de taal te leren. Het lijkt dan ook zinvoller niet de herkomst als uitgangspunt voor integratiebeleid te nemen maar de vraag in hoeverre arbeidsmigranten zich willen vestigen.

Anita Strockmeijer is kennisadviseur en werkzaam bij Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen. Zij doet promotieonderzoek naar het gebruik van werknemersverzekeringen door recente EU-migranten.

Paul de Beer is bijzonder hoogleraar Arbeidsverhoudingen aan de Universiteit van Amsterdam.

Jaco Dagevos is bijzonder hoogleraar Integratie en Migratie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam en werkzaam bij het Sociaal en Cultureel Planbureau.

Dit artikel is een bewerking van ‘Blijven of terugkeren? Wat werkpatronen van Oost-Europese arbeidsmigranten ons kunnen leren over de aard van de hedendaagse migratie’. Mens en Maatschappij 93(1), p.5-29.

Foto: Epic Fireworks (Flickr Creative Commons)