Weeffouten in de wet Passend Onderwijs

Met de wet Passend Onderwijs in 2014 moesten alle kinderen een passende plek in het onderwijs krijgen, bij voorkeur op een reguliere school. Dit klinkt goed, maar de wet heeft de situatie van kinderen met gedragsproblemen juist verergerd. En deze kinderen bleken juist andere kinderen met problemen meer positief te ondersteunen.

Bij de invoering van de wet Passend Onderwijs in 2014 kregen scholen een zorgplicht voor kinderen die extra ondersteuning nodig hadden en organiseerden ze samenwerkingsverbanden met het speciaal onderwijs om gezamenlijk die ondersteuning en afstemming met jeugdhulp te regelen.

Wet werkt niet voor iedereen

Dat klinkt mooi en de gedachte om kinderen zo veel mogelijk naar het regulier onderwijs en minder naar het speciaal onderwijs te sturen is natuurlijk prima. Vooral als het gaat om kinderen die lichte zorg nodig hebben zoals bijvoorbeeld bij dyslexie. Zo’n kind stuur je niet naar het speciaal onderwijs maar naar een ‘normale omgeving’ was de gedachte achter de wet.

Gaat het echter om kinderen met bijvoorbeeld veel negatieve jeugdervaringen en gedragsproblemen, dan blijkt in de praktijk dat de juf, die ook nog de zorg heeft voor 30 andere kinderen, dat niet aan kan. Het gevolg is dat het kind naar een andere school wordt gestuurd, maar ook daar vaak wordt afgewezen en uiteindelijk na vier of vijf scholen alsnog in crisis op het speciaal onderwijs belandt. Was dat wel de bedoeling van de wet?

Negatieve schoolervaringen hebben langdurig effect

Volgens het Landelijk Expertise Centrum Speciaal Onderwijs is de instroom in het speciaal onderwijs het afgelopen jaar met 13 procent gestegen (www.Lecso.nl). Veel van die instroom is als gevolg van een crisis en komt omdat reguliere scholen de problemen van deze kinderen niet aan kunnen. Het gevolg is echter wel dat deze kinderen die vaak al een historie van falen hebben, wéér worden weggestuurd. Dat zijn extra negatieve jeugdervaringen, bovenop wat ze al hebben.

Die ervaringen kunnen lang doorwerken in de ontwikkeling van een kind en zorgen ervoor dat zijn/haar gedrag in de regel verslechtert. Kinderen ontwikkelen een negatief zelfbeeld en een vijandige en argwanende houding naar de maatschappij. We noemen dat ‘negatieve emotionaliteit’. Achter veel gedrag en boosheid gaat dus verdriet, angst en pijn schuil. Dat begrijpen veel leerkrachten niet: die zien alleen een boos en opstandig kind.

Regulier onderwijs is niet genoeg toegerust

Iets waar nog niet over was nagedacht, was of het reguliere onderwijs überhaupt wel die ‘normale’ omgeving is. De Mbo-scholen zijn soms drukke leerfabrieken waarin kinderen met problemen of beperkingen kopje onder gaan. Er zijn in het huidige reguliere onderwijs veel overvolle klassen, en er is in die drukke klassen, ondanks de extra middelen, vaak weinig tijd voor individuele aandacht.

Leerkrachten zijn op de Pabo niet altijd opgeleid om om te gaan met kinderen met ernstige problemen en begrijpen het gedrag vaak niet. ‘Doe normaal’ horen deze kinderen vaak, maar dat is juist het probleem, dat ze onvoldoende executieve functies hebben om normaal te doen: ze hebben zoals we dat tegenwoordig noemen een ‘regieprobleem’. Dat los je niet op met straffen.

Achterlopende ontwikkeling zorgt voor problemen

Daarnaast is het huidige onderwijs een hypercompetitieve omgeving met sterke nadruk op cognitieve vaardigheden. Kinderen met veel negatieve jeugdervaringen hebben vaak achterstanden in hun cognitieve en sociaal-emotionele ontwikkeling. Ze falen daardoor niet zelden bij opgaven en toetsen die steeds vroeger in de schoolcarrière worden aangeboden, maar falen ook dikwijls in de interactie. Dit kan tot sociale isolatie leiden.

Ook hun persoonlijkheidsontwikkeling loopt vaak achter. Ze zijn daardoor gevoelig voor korte-termijn beloningen zoals roken, alcohol en middelengebruik. Stil zitten en schoolse vaardigheden horen daar meestal niet bij.

Geen negatieve beïnvloeding, maar ondersteuning

Een ander idee achter de wet Passend Onderwijs was dat kinderen die in een schoolomgeving verkeren met andere kinderen met gedragsproblemen elkaar daar negatief beïnvloeden. Dat staat in de wetenschap bekend als ‘deviancy training’ in gewoon Nederlands de ‘boevenschool’. Wij deden onderzoek naar de groepsdynamiek binnen cluster 4-scholen voor kinderen met ernstige gedragsproblemen (Haecke, Van der Helm, Putman & Scholten, 2018 in preparation).

Idee achter dit onderzoek was dat de onderlinge groepsdynamiek negatief zou zijn, maar dat was niet wat wij vonden. Kinderen met problemen bleken juist andere kinderen met problemen meer positief te ondersteunen: ‘the good was stronger than the bad’. Kinderen in het speciaal onderwijs zijn vaak lotgenoten en die hebben vaak begrip voor elkaar, zo bleek uit het onderzoek.

Wat is nodig om deze weeffout te herstellen?

Als eerste is het nodig om meer aandacht te schenken aan het klimaat in het reguliere basisonderwijs en het voortgezet onderwijs. Dit is met name nodig in de ‘leerfabrieken’ waar veel kinderen met gedragsproblemen en beperkingen uiteindelijk stranden. Dat gaat dan om basisbehoeften van kinderen zoals verbondenheid met de docent, competentie en autonomie.

Verder dienen leerkrachten aan de Pabo in hun opleiding meer kennis te krijgen over de omgang met kinderen met beperkingen en/of gedragsproblemen. Meer kennis van gedrag levert beter professioneel handelen op en minder gedragsproblemen.

Ten slotte moeten de samenwerkingsverbanden ophouden met het net zo lang proberen tot het niet meer gaat. Wanneer kinderen ernstige problemen hebben, moet sneller dan nu plaatsing in het speciaal onderwijs worden overwogen en nooit halverwege het jaar in crisis.

Want met de schade die dat bij het kind veroorzaakt, loop je het risico dat ook het speciaal onderwijs het niet meer aan kan en het kind thuis komt te zitten. En dat was nou juist niet de bedoeling van de wet.

Peer van der Helm is lector bij het Expertisecentrum Jeugd van de Hogeschool Leiden en Jan Lindemulder is regiodirecteur bij de Onderwijsspecialisten

Foto: zhrefch (Flickr Creative Commons)