COLUMN Een boete op pesten, gaat dat helpen?

In de Verenigde Staten zijn sommige steden begonnen met een nieuwe aanpak van pesten op scholen. Ouders van pestende kinderen krijgen eerst een waarschuwing en kunnen, als het pesten van hun kind niet stopt, een boete krijgen of riskeren zelfs gevangenisstraf, aldus de Amerikaanse nieuwssite NBC News.

Zover is het nog niet gekomen, maar over dit initiatief werd natuurlijk ook in de Nederlandse media bericht. Zo reageerde de regionale zender NHNieuws met een poll en de stelling: ‘Zou het werken om ouders van een kind dat pestgedrag vertoont een flinke boete te geven?’ Van de ruim vijfduizend reageerders vond gelukkig meer dan 63 procent het een slecht plan om in Nederland ouders van pestkoppen te beboeten.

Toch nog ruim een derde vond het een goed plan. Zorgelijk.

Maar waarom is het zo’n slecht plan?

Er zijn nog steeds veel misverstanden over pesten. Het meest gangbare misverstand is dat pesten wordt veroorzaakt of opgeroepen door eigenschappen of gedrag van het slachtoffer. Dat kind is dan ‘niet weerbaar‘ genoeg, of het wijkt op de een of andere manier teveel af van de rest: dikker, andere haar- of huidskleur, niet jongensachtig of meisjesachtig genoeg, grote of kleine oren, pukkels, enzovoorts.

Slachtoffers van pesten (en van andere misstanden) roepen doorgaans niet veel sympathie op. Ze moeten maar sterker worden, of dunner, of weerbaarder. Ze moeten vooral geen slachtoffergedrag vertonen. Het is niet voor niks dat slachtoffers van pesten vaak van school veranderen en dat de daders gewoon mogen blijven, meestal ongestraft.

Het tweede misverstand over pesten is namelijk dat het onvermijdelijk is en eigenlijk niet uit te roeien is. ‘Kinderen zijn nu eenmaal wreed’, hoor je dan. Of:  ‘Het schoolplein is een jungle’. Je moet maar een beetje hard worden om daar tegen opgewassen te zijn. Pesters zijn in die logica de winnaars, slachtoffers de verliezers.

Deze nieuwe aanpak richt zich wél op de daders. Dat is echter geen vooruitgang, maar een valkuil van jewelste. Je blijft namelijk de oorzaak van het pesten bij een individu leggen. Daar gaat het mis.

Pesten is een groepsprobleem

Pesten is groepsgedrag. Een pester heeft precies zoveel macht als de groep hem of haar toestaat. Wanneer iemand pestgedrag vertoont, zou een normale, gezonde groep dat meteen corrigeren. We weten heel goed wat normaal en wenselijk gedrag is, kinderen weten dat ook. Als een onbekende binnenkomt en tegen een willekeurige persoon zegt: ‘Jou geef ik geen hand want je stinkt’, dan is iedereen geschokt.

En terecht. Als er in een groep juist gelachen wordt om zo’n opmerking, dan zegt dat heel veel over die groep. De pester wordt beloond voor dit rare gedrag en zijn status in de groep (dit kan ik blijkbaar maken) wordt nog weer onderstreept, terwijl het slachtoffer juist bevestigd krijgt dat hij of zij geen recht heeft op respect en een normale, menselijke behandeling.

Pesten, het structureel beschadigen en uitsluiten van bepaalde groepsleden, is in feite een uit de hand gelopen situatie, het is een patroon geworden. Groepen die pesten zijn daarom onveilige groepen: de onveiligheid roept het pesten op (de spanning zoekt een uitlaatklep) en het pesten zorgt vervolgens voor verdere onveiligheid: men corrigeert elkaar niet en het is blijkbaar oké om bepaalde mensen slecht te behandelen.

Hoe ontstaat pesten?

Het corrigeren van pestgedrag moet daarom vanaf het eerste incident gebeuren, gericht op het bevestigen van normale, gezonde groepsregels als wederzijds respect en het oplossen van kleine conflicten op basis van redelijkheid en eerlijkheid. Met verwijzing naar die waarden kun je kwetsende opmerkingen en grensoverschrijdend gedrag aanpakken.

Dat is eigenlijk een voortdurend proces en hoeft als zodanig zelfs amper opgemerkt te worden, het is gangbare sociale interactie. Dit wordt anders in een situatie van dreiging of in nieuwe groepen – zoals op scholen- waarin dit proces nog niet goed op gang gekomen is of niet goed gezekerd is. Die groepen gaan zoeken naar hiërarchie en een superieur groepsgevoel (want veilig). Dat kan door een andere groep inferieur te verklaren of door het aanwijzen van een zondebok om de spanningen op af te reageren: de ander is slecht en dus zijn wij goed.

De oorzaak van zware pesterijen kun je daarom niet bij één persoon leggen. Het zorgelijke van mensen die voor deze oplossing zijn is dat ze in feite meegaan in het zondebokdenken, en dat ze dus pesten met pesten willen bestrijden.

Waarom pest iemand?

Er zijn veel verschillende redenen waarom kinderen kunnen pesten. Sommige kinderen zijn in het verleden zelf gepest en gaan op een nieuwe school pesten om op die manier te voorkomen opnieuw het slachtoffer te worden. Er zijn ook kinderen die pesten als reactie op pesterijen.

Andere kinderen willen graag populair zijn en doen dat ten koste van een ander. Ze worden daarin bevestigd en toegejuicht door de groep, zodat ze er niet zomaar mee kunnen stoppen. De meeste  kinderen pesten mee omdat ze het gevoel van saamhorigheid wel lekker vinden, of uit angst om anders zelf het volgende slachtoffer te worden.

Het adresseren van ongewenst pestgedrag ín de groep stuit vaak op verzet. Daarmee leg je het negatieve groepspatroon immers bloot en mensen zullen uit zelfverdediging enorm verontwaardigd worden. Een groep ziet zichzelf immers het liefst als positief en superieur ten opzichte van andere groepen. Juist het pesten door populaire kinderen wordt daarom het minst geadresseerd, die zijn geliefd, ook bij docenten, en komen overal mee weg. Het zijn de kinderen die zelf al gepest worden of die minder steun hebben in de groep, die het zwaarst gestraft zullen worden. Of in het geval van de voorstellen: hun ouders.

Wat hebben die ouders ermee te maken?

In een filmpje op de site van de NBC (die met het nieuwsbericht kwam) zegt een gepest meisje dat ze het goed vindt dat ouders van pestkoppen zwaar gestraft worden. ‘Because you’re the one raising the kids’.

Natuurlijk nemen kinderen verschillende bagage in sociale omgangsvormen en vaardigheden mee van thuis, maar ouders zijn op school niet aanwezig. Zij maken geen deel uit van het groepsproces en zullen vaak zelfs het gedrag van hun kind in de groep niet herkennen. Logisch, want thuis vormen zij een andere groep. Het problematische groepsgedrag moet geadresseerd worden waar het plaatsvindt: op school.

Opgemerkt moet worden dat de Nederlandse samenleving niet vergelijkbaar is met de Amerikaanse en dat Amerikaanse High Schools vele malen onveiliger zijn dan die in Nederland. Maar de essentie is gelijk: scholen zijn als sociale omgeving heel kwetsbaar voor pesten. Je zet heel veel kinderen, die nog volop sociaal moeten leren, op grond van hun leeftijd hele dagen in een lokaal bij elkaar, met veel anonieme ruimtes en met weinig toezicht en volwassen begeleiding.

Om pesten te voorkomen moeten we het probleem niet buiten onszelf leggen, maar  gezamenlijk werken aan sociale veiligheid binnen de school .

Mieke van Stigt is socioloog en pedagoog.

 

Foto: Ron (Flickr Creative Commons)