Meer angst op de basisschool: een kritische noot

Op 8 oktober schrijven Leidse onderzoekers op Sociale Vraagstukken dat angst onder schoolkinderen alsmaar toeneemt. Zij pleiten voor meer preventieve interventies vanuit jeugdhulpverlening. Twee onderzoekers en een associate lector van hogeschool Windesheim zien hier een zorgelijke vorm van psychologisering in.

Ida van Kampen, Jessie van Grieken en Jeanine Baartmans stellen dat in de afgelopen jaren het aantal angststoornissen bij kinderen op de bassischool is toegenomen. Hiervoor baseren zij zich op cijfers van het HBSC (2021), een grootschalig internationaal onderzoek naar de gezondheid en het welzijn van scholieren, waar Nederland ook aan meedoet

Uit dit onderzoek blijkt dat zowel jongens als meisjes uit groep 8 van het basisonderwijs in 2021 meer emotionele problemen rapporteren dan in 2017. Dit is gestegen van 11 naar 23 procent. Het HBSC gebruikt de SDQ (Strengths and Difficulties Questionnaire) – een zelfrapportage vragenlijst – als meetinstrument voor emotionele problemen.

Sterk gegeneraliseerd en onjuist

Van Kampen en collega’s zeggen op basis hiervan dat ‘emotionele problemen bij basisschoolleerlingen zijn toegenomen tussen 2017 en 2021’. Ons inziens is deze uitspraak te sterk gegeneraliseerd en daarnaast onjuist. Op basis van het HBSC weten we immers alleen over kinderen in groep 8 dat zij in 2021 op één bepaald moment meer emotionele problemen rapporteren dan in 2017. Bovendien zijn er tal van andere verklaringen voor deze toename. Belangrijk gegeven is bijvoorbeeld dat deze zelfrapportage plaatsvond in aanloop naar de lockdown in 2021 vanwege de coronapandemie, hetgeen van invloed geweest kan zijn op de uitkomst de SDQ.

Ondanks het stigma zijn we meer bereid met psychologen over onze problemen te praten

Een andere verklaring benoemen Van Kampen en collega’s zelf ook al duidelijk: ‘Ondanks het stigma rondom mentale problemen, toont onderzoek aan dat we op het moment meer bereid zijn om te praten met psychologen over onze problemen en dat we ons minder schamen als anderen hierachter komen.’

Toename in rapportage van problemen kan dus heel goed worden veroorzaakt doordat kinderen steeds meer is geleerd om over negatieve emoties te praten in psychologische termen.

Daadwerkelijk angstiger?

Onze vraag is dan ook: worden kinderen daadwerkelijk steeds angstiger of leren we hen steeds meer om hun emoties en reacties op gebeurtenissen als psychologische problemen te verwoorden?

Is de psycholoog de enige die soelaas kan bieden wanneer een kind last heeft van angst?

Dit laatste is overigens ook nog eens schadelijk: kinderen steeds meer leren praten over ‘negatieve’ gevoelens – dit heet ook wel co-rumineren – kan leiden tot een neerwaartse spiraal waarbij deze ‘negatieve’ emoties steeds verder versterkt worden, met nadelige gevolgen voor hun mentale gezondheid (Vuijk & Weerheim, 2022; Bouma, 2024).

Psycholoog als enige oplossing

De oplossing voor deze vermeende toename aan angst stuit ons bovendien sterk tegen de borst. Van Kampen en collega’s stellen met zorg vast dat 70 tot 80 procent van de kinderen met een angststoornis niet wordt behandeld door een psycholoog. Maar is de psycholoog de enige die soelaas kan bieden wanneer een kind last heeft van angst?

Deze psychologiserende blik presenteert angst als individuele (biologische) aangelegenheid bij kinderen

Misschien wel als we deze angst vertalen als een ‘gegeneraliseerde angststoornis’ – met andere woorden – in de taal van de psychologie. Deze psychologiserende blik presenteert angst als individuele (biologische) aangelegenheid bij kinderen; als een emotie die we zo snel en zoveel mogelijk moeten wegpoetsen.

Dweilen met kraan open

De oplossing voor het individuele probleem wordt binnen deze redenatie dus ook in het kind gezocht: individuele interventies en cognitieve gedragstherapie vormen de enige oplossing.

Relevante contextuele factoren verliezen we hiermee uit het oog, en daarmee ook het zoeken naar oplossingen in de gewone leefomgeving van kinderen. Dat terwijl uit onderzoek blijkt dat het investeren in een sterke pedagogische basisstructuur in het onderwijs bijdraagt aan een context waarin alle kinderen kunnen gedijen (Wienen, 2023).

Het gaat dus vooral om de pedagogische vaardigheden die wij professionals in het basisonderwijs aanleren (Van Eck, 2021). Daarbinnen valt ook aandacht hebben voor de verklaringen die Van Kampen en medeauteurs zelf noemen, maar niet verder op in gaan, zoals het herstellen van de coronapandemie.

Pleiten voor een individuele, psychologische behandeling van problemen die veel meer contextueel en maatschappelijk van aard zijn, is daarmee hetzelfde als dweilen met de kraan open.

Pleidooi voor vroegsignalering

Tot slot willen we ingaan op het pleidooi van de onderzoekers om (mogelijke) angstklachten zo vroeg mogelijk te signaleren en te handelen. Hoe eerder er wordt ingegrepen, des te effectiever de interventie, luidt de redenatie. Het gedrag is dan namelijk nog flexibel en niet resistent tegen behandelen.

Vroegtijdige behandeling van psychische klachten heeft op zijn best een klein effect

Dit pleidooi voor vroegsignalering van angstklachten in het basisonderwijs snijdt volgens ons geen hout: onderzoek laat zien dat vroegtijdige behandeling van psychische klachten op zijn best een klein effect heeft en daarnaast mogelijk zelfs schade oplevert op de lange termijn (Roest et al., 2023).

Eigen beleving van angst

Dit jaar was er ophef over de Nederlandse vertaling van het boek The Anxious Generation naar Generatie Angststoornis (2024). Blijven spreken over angst in termen van faalangst en angststoornissen helpt kinderen niet. Sterker nog, het doet kinderen denken dat zij een ‘stoornis’ hebben.

Ons advies: leg het probleem niet bij het kind neer, maar zet een sociaal-maatschappelijke bril op

Wij pleiten ervoor om over het volgende na te denken: wanneer noemen wij angst een probleem? Hoe praten wij erover? Dit zijn cruciale vragen om mee te beginnen. Van Kampen en collega’s stappen hier overheen en schetsen een onjuiste oplossing met alle risico’s van dien, namelijk steeds verdergaande psychologisering en nog meer verstopping van de jeugdhulpverlening.

Ons advies: leg het probleem niet bij het kind neer, maar zet een sociaal-maatschappelijke bril op en zoek naar oplossingsrichtingen in het gewone leven van kinderen en jongeren.

Tessa de Wild en Rogier Kattenberg zijn onderzoekers van het lectoraat Jeugd van Hogeschool Windesheim Zwolle. Els Evenboer is associate lector Jeugd aan Hogeschool Windesheim.

 

Bronnen

 Wienen, B. (2023). Van individueel naar inclusief onderwijs. Pleidooi voor minder labelen en meer aandacht voor de kracht van onderwijs (3e druk). Instondo.

 

Foto: alex yosifov (Flickr Creative Commons)

Dit artikel is 1681 keer bekeken.

Reacties 1

  1. GGZ-ificering op infantiel niveau is om meerdere redenen onwenselijk
    – De GGZ is er voor volwassenen die vastlopen in het volwassen leven
    – Jongeren dienen primair door hun ouders en verzorgers onderwezen en vooral opgevoed te worden.
    – Daarnaast is School, de aangewezen, door de Staat bekostigde plek voor onderwijs en onderricht.
    – Daarbuiten functioneert het sociale milieu, het systeem van het kind, voor verder bijschaven.
    Niets meer, niets minder – dit is de basis in een notendop en theoretisch voor iedereen voldoende toegankelijk.
    De praktijk laat zien dat ouders behoefte hebben aan extra vaardigheden, minder moeilijkheden, een betere ontwikkeling of op een of andere wijze kortom, evolutionair voordeel willen behalen tijdens de primaire ontwikkeling. Zij instrumentaliseren hiertoe de GGZ(-professional)…
    Dit is om veel redenen onwenselijk… Die hoef ik niet allemaal uit te spellen. Maar vooral dat er een ‘probleem gezocht’ wordt, bij wat in wezen een verzoek om extra aandacht en zorg is. Dit legt allemaal stenen in de rugzak van het kind, die daar helemaal niet horen. Dit zijn problemen, eisen en wensen van de ouders tenslotte…
    Hadden we hier niet een term voor?
    Munchausen By Proxy? Of verwar ik nu iets? Zeg het maar…

Reageer

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *