De vorige verkiezingen was bestaanszekerheid hét thema. Twee jaar later, en dus de helft vroeger dan gepland, krijgt het een stuk minder aandacht. En waar het wel genoemd wordt in partijprogramma’s krijgt het thema weinig invulling. Zo noemt D66 ‘bestaanszekerheid’ tien keer in haar programma, terwijl de VVD en de PVV het woord nul keer gebruiken. GroenLinks-PvdA en CDA besteden er drie keer aandacht aan in hun programma. De lijsttrekkersdebatten gaan vooral over wonen, immigratie en internationale conflicten. Toch betekenen de partijprogramma’s wel degelijk iets voor armoede in Nederland. Het CPB rekende ze door, ik heb ze gelezen en op een rij gezet.
Diep onder armoedegrens
Vrijwel alle partijen die hun programma hebben laten doorrekenen door het CPB, laten de armoede dalen ten opzichte van het huidige beleid (basispad), met uitzondering van de VVD. Met andere woorden: als het aan de meeste partijen ligt, is er een grote kans dat armoede verder gaat dalen de komende jaren.
Nieuwe stelsels verhogen inkomenszekerheid en verminderen terugvorderingen
Maar armoedecijfers zijn pas het begin. Hoe verlagen (of verhogen) partijen de armoede precies? En wat doen ze verder nog aan het stelsel? Bereiken de plannen ook de mensen die diep onder de armoedegrens leven? Sommige partijen stellen een ingrijpende verandering van het stelsel voor, anderen schaffen enkele toeslagen af of voegen deze samen, en een paar partijen veranderen weinig aan het stelsel.
Uit deze plannen komen een aantal zaken naar voren, in willekeurige volgorde:
- 1. Een hoger minimumloon draagt sterk bij aan een lager armoedecijfer door de koppeling aan uitkeringen;
- 2. Nieuwe stelsels verhogen inkomenszekerheid en verminderen terugvorderingen, maar met grote spreiding in effecten;
- 3. Werken loont minder bij deze nieuwe stelsels, tegelijkertijd creëert het meer ruimte voor vrije tijd of onbetaald werk;
- 4. Regelingen die iedereen automatisch bereiken, zoals inkomensonafhankelijke heffingskortingen, zorgen ervoor dat ook de diepte van armoede aangepakt wordt omdat het het niet-gebruik terugdringt;
- 5. Beperkte indexatie van uitkeringen op basis van inflatie in plaats van gemiddelde cao-stijgingen, door ontkoppeling van uitkeringen aan het minimumloon, zorgt voor een stijging in armoede en ongelijkheid.
In wat volgt beschrijf ik per onderdeel wat de CPB-doorrekening erover laat zien.
Armoedecijfer
Laten we beginnen met hoeveel armoede er in 2030 voorspeld wordt. Armoedecijfers vertellen lang niet het hele verhaal, maar zijn wel inzichtelijk als het erom gaat of iets onder de streep aan het eind van de maand verbetert of verslechtert voor mensen met weinig geld.
Bij ongewijzigd beleid zal de armoede verder afnemen
Bij een voortzetting van het huidige beleid (het zogenoemde basispad) zal 2,6 procent van de mensen in Nederland in 2030 armoede leven. Dat is historisch laag, en lager dan het huidige armoedecijfer van 3,1 procent. Bij ongewijzigd beleid zal de armoede dus verder afnemen.
De CPB-berekening laat zien dat bij vrijwel alle partijen armoede ten opzichte van dit basispad daalt, met uitzondering van de VVD. Bij de VVD neemt armoede met een derde – 0,9 procentpunt – toe ten opzichte van het basispad, door onder andere ontkoppeling van uitkeringen van het minimumloon en verhoging van het eigen risico in de zorg. Armoede komt daarbij op 3,6 procent uit, vergelijkbaar met het niveau van 2024.
Volgens de plannen van BBB, CDA, SGP en JA21 neemt armoede niet of nauwelijks af
Bij GroenLinks-PvdA daalt het aandeel mensen in armoede het sterkst, naar 1,6 procent in 2030, gevolgd door de CU, waar armoede naar 1,8 procent in 2030 daalt. Bij NSC, Volt en D66 daalt armoede ook (iets) sterker dan bij een voortzetting van het huidige beleid. Volgens de plannen van BBB, CDA, SGP en JA21 neemt armoede niet of nauwelijks af (zie tabel).
Figuur. Armoede, niveau in 2030 in % (beleidspakket + basispad)

Bron: CPB (2025). Keuzes in Kaart 2027-2030. Doorrekening verkiezingsprogramma’s.
Het CPB kijkt ook naar de langere termijn. Na de kabinetsperiode stijgt de armoede bij JA21, door toeslagen te indexeren met inflatie in plaats van gemiddelde cao-loonstijgingen (die stijgen meestal sterker dan inflatie). Eenzelfde trend speelt bij de VVD, vanwege beperkte indexatie van uitkeringen. Bij D66 gaan lage inkomens er op de lange termijn op achteruit vanwege het verlagen van de bijstand en het (verder) afbouwen van de zorgtoeslag.
Stelsel
Armoedecijfers vertellen niet het hele verhaal. We weten immers dat koopkrachtbeleid vaak mensen van net onder de armoedegrens er net overheen tilt en de mensen diep onder de armoedegrens slecht bereikt. Hoe verlagen (of verhogen) partijen de armoede precies? En wat doen ze verder nog aan het stelsel? Dat valt uiteen in grofweg drie groepen.
Drie partijen stellen een ingrijpende verandering van het stelsel voor: de CU, Volt en JA21. Deze veranderingen versimpelen het stelsel, maar hebben verschillende uitwerkingen. Zowel Volt als JA21 introduceren één huishoudtoelage en schaffen alle toeslagen, premies en vrijwel alle heffingskortingen en aftrekposten af. Bij Volt is deze huishoudtoelage onafhankelijk van het inkomen – en dus een basisinkomen –, bij JA21 is de toelage afhankelijk van de samenstelling van het huishouden en inkomen. De CU schaft verschillende heffingskortingen, hypotheekrenteaftrek, kindregelingen en de zorgtoeslag af. In plaats daarvan introduceren ze twee verzilverbare inkomensonafhankelijke heffingskortingen (een basisbedrag en een kinderkorting), en een werkendenkorting. Daarnaast wordt de huurtoeslag hervormd en het minimumloon wordt met 5 procent verhoogd.
GroenLinks-PvdA, NSC en D66 kiezen voor een wat minder omvangrijke herziening
Bij de eerste twee partijen – de CU en Volt – resulteert dit in een lager armoedecijfer in 2030 dan het basispad (1,8 procent en 2,2 procent respectievelijk) en neemt de vermogensongelijkheid af. Bij JA21 blijft het aantal personen in armoede tijdens de kabinetsperiode gelijk aan het basispad, maar neemt de kinderarmoede toe omdat de nieuwe huishoudtoelage minder hoog is dan de vergoeding uit afgeschafte kindregelingen. Ook de vermogensongelijkheid neemt toe.
Intensiteit van armoede en inkomenszekerheid
Minder complexiteit gaat bij alle drie de stelsels gepaard met grote spreiding in effecten; binnen inkomensgroepen zullen sommigen er relatief veel op vooruit gaan, andere minder of erop achteruit. Dit is inherent aan grote stelselwijzigingen, en mede een reden waarom stelselwijzigingen tot nog toe uitblijven. Bij de voorstellen van de CU en Volt verdwijnt niet-gebruik grotendeels, en worden mensen net onder de armoedegrens net zo goed bereikt als mensen met een grotere afstand van de armoedegrens.
Met andere woorden: de intensiteit van armoede zal afnemen bij dit beleid. Inkomenszekerheid verbetert door het verdwijnen (Volt) of verminderen (de CU) van terugvorderingen. De voorstellen verlagen prikkels voor betaald werk. Tegelijkertijd creëert het meer ruimte voor vrije tijd of onbetaald werk.
Alternatieven
Drie andere partijen – GroenLinks-PvdA, NSC en D66 – kiezen voor een wat minder omvangrijke herziening. Zij schaffen enkele toeslagen af of creëren een nieuwe kindregeling (NSC en D66) en gebruiken onder andere (flinke) verhogingen van het minimumloon – D66 met 5 procent, NSC en GroenLinks-PvdA met 5,7 procent – en de introductie van een verzilverbare basiskorting (GroenLinks-PvdA) of heffingskorting (D66) om de lage inkomens te ondersteunen. Ook hier speelt voor GroenLinks-PvdA en NSC dat de voorstellen prikkels voor betaald werk verlagen.
Bij de VVD daalt inkomenszekerheid en loopt armoede structureel op door achterblijvende indexatie van uitkeringen
Het CDA stelt geen wijzigingen voor op het gebied van minimumloon of toeslagen en armoede wijkt dan ook nauwelijks af van het basispad (2,5 procent ten opzichte van 2,6 procent). Bij de VVD daalt inkomenszekerheid en loopt armoede structureel op door achterblijvende indexatie van uitkeringen. Verder versobert de VVD de WIA en de WW.
Verzorgingsstaat versus defensiestaat
Het verminderen van armoede en koopkrachtstijgingen kosten geld. Je kunt armoede als thema dan ook niet isoleren; armoede kan dalen, maar wat gebeurt er met de rest van de economie, zoals zorg, onderwijs en defensie? Eerder schreef ik op socialevraagstukken.nl over de vraag waar de stijgende defensiekosten van betaald zullen worden. Uit de armoedecijfers lijkt in ieder geval naar voren te komen dat investeren in defensie voor de meeste partijen niet ten koste gaat van het verder terugdringen, of in ieder geval op een laag peil houden, van armoede. Lage inkomens gaan er gemiddeld op vooruit (7 van de 10 partijen), of hun koopkracht blijft gelijk aan het basispad (3 van de 10 partijen).
Toegang en kwaliteit van zorg, met name voor lage inkomens, kan onder druk komen te staan
De meeste partijen investeren inderdaad massaal in defensie de komende jaren. Dat geld komt grotendeels uit besparingen op zorg, met uitzondering van GroenLinks-PvdA en BBB die geen ombuiging op zorguitgaven voorstellen. Het CPB waarschuwt dan ook dat de toegang en kwaliteit van zorg, met name voor lage inkomens, onder druk kan komen te staan. There is no free lunch.
Meer dan doorrekening
Economische gevolgen van beleidskeuzes zijn niet de enige maatstaf, zoals het CPB ook zegt: ‘Uiteraard draaien verkiezingen om veel meer dan economische effecten alleen.’ Het zijn ook geen ramingen: de plannen laten de intenties van de partijen zien, maar lang niet alle plannen zijn in vier jaar te realiseren (invoeringstermijnen en uitvoeringsproblematiek worden niet meegenomen bijvoorbeeld). Er zal een coalitie komen die meerdere partijprogramma’s samentrekt, en de toekomst – zeker als het gaat om een rekenmodel dat zo ongeveer de hele economie omvat – blijft moeilijk te voorspellen. Desalniettemin valt er wat te kiezen op 29 oktober, ook op het gebied van armoede.
Anna Custers is lector Armoede Interventies aan de Hogeschool van Amsterdam. Ze schrijft op deze plek over alles wat opvalt rondom armoede en schuldenproblematiek.
Deze column is geschreven op basis van CPB (2025). Keuzes in Kaart 2027-2030. Doorrekening verkiezingsprogramma’s.