Experimenten met psychofarmaca in de jeugdzorg waren in Nederland heel gewoon

Er komen steeds meer verhalen naar boven over gewelddadige praktijken in de residentiële jeugdzorg, maar we moeten vooral niet doen alsof pas nu de deksel van de beerput wordt gehaald. Er is al heel veel, heel lang bekend, alleen werd daar niks mee gedaan, schrijft Jos van der Lans.

Op 21 juni kwam RTL Nieuws met een reportage waarin aan het licht kwam dat kinderen in Nederlandse kindertehuizen jarenlang gedwongen zijn om kalmeringsmiddelen als valium en seresta te slikken. In de reportage kwamen vijf oud-bewoners aan het woord, waarvan de ouders in de jaren zeventig uit de ouderlijke macht waren ontzet, en die in het tehuis in het Brabantse Stevensbeek rechteloos aan de willekeur van de medewerkers waren overgeleverd.

De meisjes werden lastig gevonden,  pillen kregen ze eronder. Een van de vrouwen vertelt in de reportage: ‘Ik weet niet waarvoor ik ze kreeg en wie ze voorschreef, maar je kreeg ze gewoon en je was gewoon verplicht dat in te nemen. Als je in de isoleercel zat, kreeg je wel meer middelen om je rustig te houden.’

Het lijkt schokkend nieuws. Hoogleraar kinder- en jeugdpsychiatrie Robert Vermeiren reageert ontdaan: "Het was ook destijds niet de bedoeling om mensen duf te maken, te drogeren en ze tegelijkertijd te dwingen om te werken. Dat kan gewoon niet." Micha de Winter, voorzitter van de commissie die als vervolg op de commissie-Samson onderzoek doet naar geweld in de jeugdzorg, meldt dat er vermoedelijk veel meer plekken zijn waar kinderen kalmeringsmiddelen gedwongen kregen toegediend.

Al langer bekend dat lastige kinderen gedrogeerd werden

Eén van die plekken is bekend, en hopelijk ook voorwerp van nader onderzoek van de commissie. Die plek was het meisjesinternaat de Heldringstichting te Zetten, waar begin jaren zeventig de orthopedagoog W. ter Horst, adjunct directeur behandeling, en H.O.T. Finkensieper, aanvankelijk als kinder- en jeugdpsychiater via een deeltijdbetrekking aan de instelling verbonden, de dienst uitmaakten.

Beiden zouden later naam maken: W. ter Horst als vooraanstaand hoogleraar orthopedagogiek in Leiden en auteur van de klassieker Herstel van het gewone leven; H.O.T. Finkensieper zou in mei 1990 na een Zettens schrikbewind van ruim twintig jaar veroordeeld worden voor seksueel misbruik van een aantal van de meisjes die aan zijn zorg waren overgeleverd. Maar begin jaren zeventig lag dat nog in handen van de toekomst.

Misstanden openlijk besproken in wetenschappelijke tijdschriften

In 1973 publiceerden Finkensieper en Ter Horst in het Tijdschrift voor Psychiatrie een artikel, waarin zij verslag doen van een experiment in hun inrichting, waarin zij dertien lastige (‘gedragsgestoorde’) meiden van tussen de 14 en 17 jaar, die in hun orthopedagogische leefgroep ‘hinderlijk, conflict oproepend, ontregelend gedrag’ vertonen, het middel Pipamperon toedienen.

Pipamperon is een antipsychoticum dat wordt gebruikt bij de behandeling van schizofrenie.  Het middel is in een gewone dosering een emotie- en energiedemper, de meisjes kregen een dosis van 80 mg per dag. Ter Horst en Finkensieper hadden het idee dat het middel de meisjes rustiger en handelbaarder zou maken.

Dat blijkt inderdaad zo te zijn, rapporteerden zij onomwonden in het Tijdschrift voor Psychiatrie. De meiden veroorzaakten aanmerkelijk minder conflicten, de spanningen in de leefgroepen verminderden en ook het aantal ‘paniekmutaties’, een wonderlijk eufemisme voor het afvoeren naar een isoleercel, nam zienderogen af. Als enige bijwerking tekenden ze op dat de meisjes in het begin een beetje slaperig waren, maar dat mocht verder geen naam hebben.

Kliniek was ongevoelig voor ethische en morele bezwaren

Methodologisch valt er weinig op het onderzoek aan te merken. Er zijn twee groepen, er wordt met placebo’s gewerkt, de groepsleiders worden er buiten gehouden wie wat krijg, de meiden weten van niks, zodat het onderzoek geen selffulfilling prophecy kan worden. De meiden krijgen gewoon ’s ochtends en ’s avonds hun verplichte pillen voorgeschoteld, dat is de dagelijkse gang van zaken bij de Heldringstichting.

Ethisch en vakinhoudelijk valt er natuurlijk wel het nodige aan te merken op het experiment van Ter Horst en Finkensieper, zelfs naar de maatstaven van 1973, als de kritiek op de psychiatrie steeds verder om zich heen grijpt. Van Jan Foudraine’s Wie is van hout… uit 1971 zijn dan al bijna 200.000 exemplaren verkocht.

Maar de Zettense inrichting voor meiden is totaal ongevoelig voor de aanzwellende kritiek op totalitaire instituties. Het feit dat Finkensieper en Ter Horst een zwaar psychiatrisch medicament inzetten in orthopedagogische (dat wil zeggen niet-psychiatrische) leefgroepen, waar menig psychiater in die dagen al vraagtekens bij zou plaatsen, kan daarom ongemerkt passeren.

En omdat vrijwel niemand zich om deze kinderbeschermingsjongeren bekommert - hun ouders niet, hun voogden niet, de inspectie niet; ze vormen de paria’s van de toenmalige jeugdzorg -  zijn ethische overwegingen klaarblijkelijk niet op hen van toepassing. Ze zijn willoze farmaceutische proefkonijnen.

Farmaceutische grootmacht had ook weinig scrupules

In het artikel in het Tijdschrift voor Psychiatrie valt één regel extra op. Finkensieper en Ter Horst danken daarin ‘Janssen Pharmaceutica te Beerse voor de verzorging van de statistische analyse’ (p.213). Het van oorsprong Belgische bedrijf Janssen is sinds 1960 merknaamhouder en producent van Pipamperon. In 1961 ging het bedrijf samen met de Amerikaanse farmareus Johnson & Johnson en groeide uit tot een farmaceutische supergrootmacht in Europa en de Verenigde Staten, dat met geld strooide om onderzoekers aan het werk te zetten en daar niet bepaald een hoogstaand ethisch besef aan koppelde.

Eind jaren zestig testte het bedrijf het middel Pipamperon in Nederland op een kleine zeventig patiënten, allen volwassen, van een tiental psychiatrische inrichtingen en op bewoners van inrichtingen in de zwakzinnigenzorg. Behandelende psychiaters dienden de middelen toe, en rapporteerden de gegevens aan wetenschappers van Janssen Pharmaceutica, die er een statistische analyse op los lieten, en de - uiteraard positieve - resultaten daarvan publiceerden in het Tijdschrift voor Psychiatrie (1970, jrg 12, pp. 403-411). Onder dankzegging van de met naam en toenaam genoemde medewerking van artsen en psychiaters.[1]

Het onderzoek van Ter Horst en Finkensieper was in dit opzicht een vervolgstap in een langlopend onderzoeksprogramma van het farmaceutische bedrijf:  als het middel werkt bij schizofrenen en zwakzinnigen, werkt het dan ook bij ‘gedragsgestoorde’ pubermeiden?

Oost-Duitse tehuiskinderen massaal als proefkonijn gebruikt

In haar onderzoeksdrang kende Janssen Pharmaceutica weinig scrupules. Vast staat dat het bedrijf in de jaren zestig tot begin jaren zeventig betrokken was bij vergelijkbaar medicamenten-onderzoek bij tehuiskinderen in Duitsland.[2] Uit de Stasi-archieven is een aantal jaren geleden gebleken dat Janssen Pharmaceutica in de jaren zeventig en tachtig tevens verschillende medicijnen heeft getest in Oost-Duitsland.

Zij waren niet de enige, dat deden in die dagen meerdere farmaceutische bedrijven. In West-Europa was het steeds moeilijker proefpersonen te vinden, waardoor een hele reeks farmabedrijven naar de DDR trok. Het land had geneesmiddelen te kort en was blij om medicijnen te krijgen. Bovendien had het regime zoveel geld te weinig, dat alle manieren om geld binnen te krijgen goed waren. Zelfs tests uitvoeren op nietsvermoedende burgers, dus.[3]

Wat in Oost-Duitsland op grote schaal gebeurde, gebeurde in Zetten in het klein. Daar hadden de meiden ook niets in de melk te brokkelen. Ze stonden bovendien te boek als lastig en onhandelbaar. Het waren doorgaans meiden die zich elders tegen internaatsregimes hadden verzet, en dan doorgeschoven werden naar eindstation de Heldringstichting. De inrichting in Zetten was in feite een veldlaboratorium van Janssen Pharmaceutica, die niet alleen de middelen leverde, maar uiteindelijk ook de statistische verwerking van het experiment voor haar rekening nam.

Onbegrijpelijk dat niemand ingreep

Het is – zelfs als we rekening houden met de andere maatstaven die toen golden – onbegrijpelijk dat de redactie van een wetenschappelijk tijdschrift dat toen heeft laten passeren. Of dat er nadien geen collega-psychiaters of andere wetenschappers zijn opgestaan om de wetenschappelijke onafhankelijkheid van dit onderzoek aan de kaak te stellen.[4] Ook toen Finkensieper later in opspraak raakte bleef men zwijgen.

Het onderzoek legitimeerde Finkensieper wel om ongeremd verder te gaan op zijn weg van medicamenteuze drogeringen. Hij heeft in de jaren waarin hij de scepter zwaaide heel wat doseringen Pipamperon en andere middelen voorgeschreven om de meiden in het wenselijke gareel te krijgen. En wel in die mate dat vele tientallen daar ernstige psychische schade aan hebben over gehouden.

Overheid negeerde meerdere malen signalen uit kliniek

Toen er in 1974 door de Belangenvereniging Minderjarigen en het Jongeren Advies Centrum (waar weggelopen meiden konden onderduiken en hun ervaringen lieten optekenen) actie tegen de Zettense praktijken werd gevoerd, en er een Zwartboek werd gepubliceerd, kraakte de daarop door het ministerie van Justitie ingestelde commissie-Dijkhuis wel een paar harde organisatorische noten, maar eigenlijk negeerde de commissie  – zoals later onderzoek van de commissie-Samson meer dan aannemelijk heeft gemaakt – de werkelijkheid van de meiden totaal en boog ze voor de reputatie van Finkensieper.

Ook signalen van seksueel misbruik werden door de commissieleden uit het onderzoeksrapport gehouden. Kort na het uitbrengen van het eindrapport in 1976 ontving de Heldringstichting zelfs enkele miljoenen extra subsidie om verder te professionaliseren en werd de Z.I.B. status (Inrichting voor zeer intensieve behandeling) aan de instelling toegekend, waardoor Finkensieper nog vaster in het zadel kwam te zitten en nog twaalf  jaar zijn geestelijke en fysieke geweld tegen vele tientallen meiden kon doorvoeren.

Er is geen deksel van de beerput

Als de komende maanden in de aanloop naar het eindrapport van de commissie geweld in de jeugdzorg er steeds meer verhalen los komen over gewelddadige praktijken in de residentiële jeugdzorg, moeten we vooral niet doen alsof nu pas, anno 2018, de deksel van de beerput wordt gelicht.  Er is geen doofpot geweld in de jeugdzorg.

Er is al heel veel, heel lang bekend. Het staat gewoon opgeschreven in het Tijdschrift voor Psychiatrie, jrg. 14, nr. 1/ 1973, pp. 213-220, iedereen kan het daar al 35 jaar lezen. Het is opgetekend in de gespreksverslagen van de commissie-Dijkhuis die nog steeds in het archief van het ministerie van Justitie liggen opgeslagen.  Het staat in de vele zwartboeken en verslagen van de Belangenvereniging Minderjarigen en het JAC. We weten het uit de vele tientallen verhalen die de slachtoffers in de loop der jaren in de media hebben verteld. We kennen het uit de vele literatuur die er inmiddels over is verschenen.

Commissie moet uitleggen waarom er niet is ingegrepen

Waar de commissie-De Winter de vinger op moet leggen is niet dat het gebeurd is, maar hoe het heeft kunnen gebeuren dat iedereen het zo lang op zijn beloop heeft gelaten. Hoe kan het dat er geen collega-psychiaters zijn opgestaan om de vloer aan te vegen met de flinterdunne argumentatie voor het experiment van Finkensieper en Ter Horst? Hoe was het mogelijk dat beroepsgroepen, overheden, stichtingsbesturen, professionals, kinderrechters, Jeugdzorg, inspecties en het ministerie van Justitie het niet wilden weten, dat ze jarenlang gewoon de andere kant opkeken zonder daadwerkelijk in te grijpen? Hoe kan het dat een groep van extreem kwetsbare jongeren die van huis uit al verwaarloosd waren ook nog eens door de officiële instanties aan hun lot werden overgelaten?

Daar willen de vele slachtoffers die de genoemde praktijken binnen de jeugdzorg  hebben overleefd en nog dagelijks met de gevolgen daarvan worstelen een overtuigend en schuldbewust antwoord op. Dat is het minste dat zij van de commissie-De Winter mogen verwachten.

Jos van der Lans is cultuurpsycholoog en publicist. Hij is eindredacteur van de Canon jeugdzorg (www.canonjeugdzorg.nl). Dit artikel verschijnt binnenkort ook in De Groene.

[1] Om precies te zijn waren dat: Ph. P. Bieger (Den Haag), L. Boerman (Ermelo), W. J. Hardeman (Amersfoort), J. W. Hartman (Wassenaar), J. A. Hartzuiker (Den Haag), N. Huisman (Doetinchem), A. Hutten (Hengelo), H. H. Kloos (Zutphen), R. Kohar (Bakkum), J. de Lange (Amsterdam), S. T. Liem (Vught), G. J. M. Noordhuizen (N.-H.) (Limmen), J. Rentmeester (Eindhoven), P. W. Tollenaar (Bloemendaal), B.C. L. Touwen (Paterswolde), L. H. M. Uiterwaal (Bloemendaal), H. J. van der Wiel (Gouda) en A. van der Woude (Vries).

[2] Zie voor een indrukwekkende ZDF-documentaire over medicamententesten op tehuiskinderen:  www.youtube.com/watch?v=QpTYLyTu_-I

[3] Janssen Farmaceutica blijft in ethisch opzicht bovendien de grenzen opzoeken. In april 2012 legde een Amerikaanse rechter Johnson & Johnson (J&J) een boete op van maar liefst 1,19 miljard dollar, omdat dochteronderneming Janssen patiënten en doctoren had misleid over de risico’s van Risperdal. Janssen zwakte bij de verkoop van Risperdal, een antipsychose medicijn, doelbewust de mogelijke effecten die het gebruik ervan met zich mee brengt af, waardoor de risico’s tot gewichtstoename en verhoogde kans op diabetes en een beroerte verbloemd werden. Zie: www.pharmamarketeer.nl.

[4] In 2008 verschijnt in het Tijdschrift voor Psychiatrie een overzichtsstudie naar de onderzoeken uit vooral de jaren zeventig die de werking van Pipamperon aantoonden. De auteur,  psychiater A.A.G. Klaassen werkzaam bij de ggz-instelling Dijk en Duin, komt tot de conclusie dat er nauwelijks overtuigend bewijs wordt geleverd dat het middel ook echt werkt. Klaassen maakt echter geen enkele opmerking over de wijze waarop de onderzoeksresultaten zijn verkregen, noch de rol van het Janssen Farmaceutica die in vrijwel alle onderzoeken het materiaal statistisch analyseerde en veelal ook de penvoerders leverde voor de rapportage. Zie: A.A.G. Klaassen (2008), Pipamperon en de behandeling van impulsief gewelddadig gedrag, in: Tijdschrift voor Psychiatrie, jrg. 50, nr. 3, pp. 179-183. www.tijdschriftvoorpsychiatrie.nl

FOTO: fragglerawker_03 (Flickr Creative Commons)

Dit artikel is 693 keer bekeken.

Reacties op dit artikel (3)

  1. Dan zullen we het maar niet eens meer hebben over het castreren van jongens waarvan de “brave” religieuzen meenden dat deze jongens homoseksueel waren!
    Dit tehuis waar dit plaatsvond had een beschermheer die tevens Minister-president van Nederland was in die tijd.
    Er gebeurden verschrikkelijk zaken in de diverse kindertehuizen waarbij het verstrekken van bepaalde medicijnen niet eens het ergste was.
    Kinderen zowel jongens als meisjes werden fysiek en psychisch onderworpen aan de meest gruwelijke vergrijpen, gepleegd door hen die de “zorgplicht”over deze kinderen hadden. Zware mishandeling en seksueel misbruik werd normaal gevonden. Wie zou deze kinderen geloven als ze met hun verhaal naar buiten zouden komen? je mag niet bijten in de hand die je te eten geeft!!
    Daarnaast werden kinderen in deze tehuizen ,in strijd met het “kinderwetje van Houten” ingezet als goedkope arbeidskrachten bij boeren en middenstanders waarbij het tehuis, geleid door religieuzen,de uitbetaling in ontvangst nam. Kinderen kregen de mededeling dat men bij het verlaten van het kindertehuis een spaarbankboekje mee kreeg. Wat we meekregen was een doos met tweedehandse kleding. De kinderbescherming speelde onder een hoedje met de religieuzen en het welzijn van de kinderen was zeker niet de eerste prioriteit.
    De commissies die deze wantoestanden moesten onderzoeken hebben grote steken laten vallen en het deksel is tot op heden nooit van de echte beerput gekomen. Commissieleden kregen een hoge “onkostenvergoeding” die veel hoger uitviel als de “schadeloosstelling” die sommige lotgenoten “mochten” ontvangen.
    Een oude dame die moet leven van een aow kreeg een aanbod van €2000,00 voor jarenlang misbruik en mishandeling bij een nonnen congregatie.Mevrouw Samson ontving voor haar werkzaamheden als voorzitter van de naar haar genoemde commissie een maandvergoeding van €9.500.00!!! Persoonlijk heb ik geweigerd een schadeloosstelling te vragen,ondanks mijn geringe inkomen, Ik wil namelijk niet de mond gesnoerd worden en in vrijheid willen schrijven en zeggen wat er destijds heeft plaatsgevonden. Ik weet, omdat ik voor een voormalige tehuisgenoot, op zijn verzoek, wel een schadeloosstellingsverzoek heb ingediend, dat in het contract komt te staan dat men verder dient te zwijgen en geen beroep meer kan aantekenen ná het tekenen van dit “Contract” Eerst dient men dit contract te tekenen en een aantal weken daarna wordt er een definitief “schikkingsbedrag” aangeboden . Mijn tehuismaatje kreeg gezien de doorgebrachte jaren, de daar en elders verrichte kinder- en jeugdarbeid dus gewoon “een sigaar uit eigen doos!
    Ten slotte een opmerking mbt de commissie de Winter. Ik heb in niet mis te verstane woorden professor de Winter aangesproken op zijn manier van onderzoek. Helaas is deze onderzoeker veel te verwijten waaronder het accepteren van weer een zeer ondemocratisch en mensonterend stukje Overheids optreden. Lotgenoten/slachtoffers die geboren zijn vóór 1 januari 1945 zijn uitgesloten van het onderzoek. Het is nog maar een kleine groep die, in strijd met Art.1 van de Grondwet, levend dood zijn verklaard door de Overheid en de politiek. iedereen is voor de wet toch gelijk als burger? Omdat het een hele goede oude vriendin is ben ik op de hoogte van de manipulaties van de Minister van Justitie die volgens meneer de Winter aan deze lotgenote moest vertellen dat zij niet in aanmerking kwam om gehoord te worden en dat zij, volgens deze ex-minister, v.d Steur,haar schadevergoeding maar bij de Duitse Overheid moest aanvragen. Immers de Duitsers waren het gezag in Nederland in de tijd dat zij mishandeld en misbruikt werd. je moet het maar durven en willen overbrengen aan deze strijdbare oude dame. Wel gaf hij aan haar verhaal te willen gebruiken in een later uit te geven boekwerkje, hetgeen zij uiteraard heeft geweigerd. Helaas moet ik op mijn 73ste vaststellen dat er weinig is veranderd. dat er jaarlijks, cijfers van de Overheid,meer dan 130.000 kinderen slachtoffer worden van seksueel misbruik en diverse soorten van geweld. Dat daders nauwelijks gestraft worden en enige strafpleiters durven te beweren mededader te zijn omdat we te lang hebben gezwegen, alsof we de mogelijk hadden te spreken onder de bedreiging van onze daders als we al geloofd werden. Spreken leverde immers,zeker in die tijd strafmaatregelen op waaronder fysiek geweld en isoleercel, dus ook niet naar school en niemand die vroeg waarom we niet op school waren. ook op de duidelijke verwondingen of de bontblauwe plekken werd door niemand acht geslagen. Dit is maar een klein verhaal uit het diepste van de beerput waar de Overheid en zeker de politiek (petitie aan de leden van het parlement in april 2014)geen boodschap hebben!

  2. Mooi om dit historisch plaatje zo neer te zetten, met wat meer emotie zou een conclusie kunnen zijn dat we geen gladde politieke spelen nodig hebben maar ‘echte mannen met borsthaar’

  3. Wat betreft de vraag ‘hoe’ het heeft kunnen gebeuren is van belang te weten of het hier een particuliere instelling betrof of een van het Ministerie van Justitie.
    Is het een particuliere instelling dan zijn management, bestuur en toezichthouders degenen die moeten worden aangesproken.
    Is het een Justitie-inrichting dan is het van belang te weten dat daar jarenlang vanuit Den Haag een DDR-beleid werd losgelaten richting instelling en medewerkers. Met dus met enige regelmaat dito kwaliteit richting de bewoners. ‘Resistance’ hiertegen ‘was futile’. Je werd er gewoon collectief uitgegooid.
    Ik spreek uit eigen ervaring als directielid halverwege de jaren tachtig.

Reageer

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *