Gezond oud worden is óók een kwestie van veerkracht

Gezond oud worden, is niet alleen een kwestie van geld maar hangt ook af van veerkracht, concludeert socioloog Almar Kok. Veerkracht kent echter net als zelfredzaamheid wel zo zijn grenzen.

Als je veroudering in één woord zou moeten samenvatten, dan is ‘veranderingsproces’ misschien wel het meest geëigende begrip. Naarmate mensen ouder worden, treden steeds meer veranderingen in hun functioneren op. Sommige van die veranderingen zijn nadelig, zoals achteruitgang in fysiek en cognitief functioneren.

Niet voor iedereen verlopen die veranderingen even sterk of snel. Op grond van de gegevens van de ruim tweeduizend deelnemers aan de Longitudinal Aging Study Amsterdam (LASA) stel ik vast dat er een nauwe relatie bestaat tussen sociaaleconomische positie en gezondheid. Ook het Sociaal en Cultureel Planbureau en het Centraal Bureau voor de Statistiek kwamen tot die conclusie.  Kort gezegd komt die relatie erop neer dat ouderen met een lage sociaaleconomische positie gemiddeld minder gezond zijn, met meer mentale problemen kampen en korter leven.

Veerkracht: leren van uitzonderingen

Ondanks drie decennia aan beleidsinterventies om de sociaaleconomische gezondheidsverschillen te verminderen, groeien deze nog steeds. Dat is voor de beleidsmakers een vervelende constatering, maar we moeten de situatie wel in zijn juiste context plaatsen.

En die context is dat sociaaleconomische verschillen zijn gebaseerd op groepsgemiddelden en dat bijvoorbeeld het feit dat laagopgeleide 55-plussers thans een 6 jaar kortere levensverwachting hebben dan hoogopgeleide 55-plussers, niet betekent dat alle laagopgeleiden per definitie kwetsbaar zijn.

Er zijn immers ook ouderen die ondanks een lage sociaaleconomische positie toch succesvol oud zijn geworden. Wat kunnen we van deze ‘veerkrachtige’ ouderen leren?

De ontwikkelingspsychologie associeert veerkracht gewoonlijk met de kracht van ‘beschermende factoren’, dat wil zeggen elementen die ervoor zorgen dat sommige mensen ondanks tegenslag of een slechte uitgangspositie toch positieve resultaten weten te boeken.

Voor een groot deel wordt de menselijke veerkracht bepaald door de hulpbronnen waarover iemand kan beschikken. Hoewel hiermee van oorsprong vooral wordt gedoeld op individuele hulpbronnen zoals doorzettingsvermogen en flexibiliteit, is veerkracht niet slechts een individuele eigenschap die iemand gedurende zijn leven opbouwt. Beschermende factoren kunnen ook sociaal en maatschappelijk zijn.

De vier elementen van veerkracht

Uit mijn studies blijkt dat de veerkracht van ouderen met een lage sociaaleconomische positie wordt bepaald door vier elementen. Het eerste is het bestaan van een stabiel sociaal netwerk dat praktische en soms financiële ondersteuning biedt of in het verleden heeft geboden. Daarnaast is het géven van steun van belang. Veerkrachtige ouderen hebben daardoor het gevoel dat ze op een positieve manier investeren in betere maatschappelijke kansen van jongere generaties.

Het tweede bepalende element is het gevoel van ouderen dat ze zelf de regie over hun leven voeren. De huismoeders, schilders en schoenmakers in mijn onderzoek zijn trots op hun eigen vaardigheden en herinneren zich complimenten die ze daarover, soms lang geleden, kregen.

Het derde element van veerkracht bij ouderen is dat zij fysiek actief zijn en weinig chronische ziekten onder de leden hebben. Het hebben van een goede gezondheid kan zelfs deels compenseren voor het niet behalen van maatschappelijk succes. Zoals één veerkrachtige oudere in mijn onderzoek het kernachtig stelde: ‘Ik heb geen rijk leven gehad, maar was wel rijk in gezondheid.’

Het vierde element dat van invloed is geweest op de veerkracht met een lage sociaaleconomische positie, is het al dan niet bestaan van een maatschappelijk vangnet, bijvoorbeeld in de vorm van subsidies voor kleine ondernemers of werkloosheidsuitkeringen.

Het beschikken over meerdere van deze individuele, sociale en maatschappelijke hulpbronnen gedurende de levensloop zorgt ervoor dat iemands lage sociaaleconomische positie zich minder sterk vertaalt in fysieke, mentale en sociale problematiek op hogere leeftijd.

Eenzijdige focus op leefstijl werkt niet

In vrijwel elk onderzoek naar sociaaleconomische gezondheidsverschillen speelt de vraag hoe deze kunnen worden verminderd. De antwoorden op die vraag bevinden zich vaak in een spanningsveld tussen individuele en maatschappelijke verantwoordelijkheid. Is het aan individuen zelf om te ‘kiezen’ voor een gezond leven? Of is het aan de overheid om een goede gezondheid voor alle lagen van de bevolking te faciliteren?

Het is niet te verwachten dat sociaaleconomische verschillen tussen ouderen snel zullen verdwijnen, maar, en dat laat mijn onderzoek duidelijk zien, dat betekent niet dat ze noodzakelijkerwijs hoeven leiden tot gezondheidsverschillen.

Mijn bevindingen tonen aan dat een eenzijdige focus op leefstijlfactoren en zelfredzaamheid als speerpunten voor interventies hoe dan ook tekortschiet. Een gevoel van competentie en eigen regie – dat samenhangt met fysieke en mentale gezondheid – is afhankelijk van een sociale context die dat ondersteunt.

Laaggeschoold werk niet als inferieur beschouwen

Om de gezondheid van ouderen in een lage sociaaleconomische positie te bevorderen, doet de samenleving er goed aan om hun bijdragen meer te waarderen. Door bijvoorbeeld ‘laaggeschoold’ werk niet langer als een inferieure keuze te beschouwen, zal de maatschappij het gevoel van zingeving en daarmee de veerkracht van betrokkenen versterken.

Wat de veerkracht van ouderen met een lage sociaaleconomische positie eveneens ten goede komt, is het bestaan van een sociaal vangnet. Dat laatste zou de terugtredende overheid in haar ouderenbeleid ter harte moeten nemen: zelfredzaamheid kent zo zijn grenzen.

Almar Kok is postdoctoraal onderzoeker bij het Amsterdam UMC, locatie VUmc, afdelingen Epidemiologie & Biostatistiek en Psychiatrie.

Foto: Bas Bogers (Straatfotografie.com)

Dit artikel is 2844 keer bekeken.

Reacties op dit artikel (2)

  1. Gaat u vooral door met deze inzichten.
    U pleit feitelijk voor herstel van sociale samenhang in de samenleving. Een samenhang die het slachtoffer van de versnippering en fragmentatie van de samenleving is geworden. Het onderhouden van hechte relaties kost heel veel tijd. Tijd die er wel is, maar die meer in contacten binnen de eigen bubbel worden gestoken, dan in contacten gericht op hecht samenleven in de directe leefomgeving.

    Geloofsgemeenschappen richten zich zeer sterk het het overeind houden van de samenhang in de gemeenschap. Dat kan een voorbeeld voor anderen zijn.
    Ik pleit voor het herstel van de functie van opbouwwerkers en voor veel meer technische en organisatorische facilitering door gemeenten om hechte groepen weer een basis voor de samenleving te laten zijn.

    Ik zie een nieuwe strijd tussen arm en rijk. Hoogopgeleiden dwingen laag opgeleiden om anders te gaan leven. Zij mogen geen obisitas hebben, zij mogen niet roken, zij mogen niet snorscooteren, zij mogen Zwarte Piet niet meer ontvangen. Het zijn voorbeelden van de in mijn ogen morele onderdrukking van laagopgeleiden door hoogopgeleiden. De hoog opgeleide dominante stroming in de samenleving verwerpt hun manier van leven. Dat tast zelfvertrouwen aan, dat voedt angst en onveiligheidsgevoelens.

    Gezegd wordt dat laag opgeleiden niet gezond genoeg leven, maar is dat wel de enige oorzaak van het eerder doodgaan? Ik zie in mijn directe omgeving dat hoogopgeleiden betere medische behandelingen ontvangen, zij kennen de weg en spreken dezelfde taal. Ook dat is m.i. een oorzaak voor verschil in overlijdensleeftijd. Daar is nauwelijks aandacht voor.

    Dr. Suzanne Täuber van de RUG doet onderzoek naar de toenemende tweedeling in de samenleving. Ik raad iedereen aan om goede nota van haar inzichten te nemen.

Reageer

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *