INTERVIEW Haast en spoed in de jeugdzorg: Erik Gerritsen versus Ido Weijers

Voor directeur Erik Gerritsen van het Amsterdamse Bureau Jeugdzorg kan de transitie van de jeugdzorg naar gemeenten niet snel genoeg gaan. Ido Weijers, hoogleraar jeugdbescherming, vindt het diep treurig dat die operatie ten koste gaat van kwetsbare gezinnen.

Het Bureau Jeugdzorg Agglomeratie Amsterdam (BJAA) stond vijf jaar geleden op omvallen. De kosten liepen gierend uit de klauwen, het risicomanagement was niet op orde en de toegevoegde waarde van de hulpverlening aan kwetsbare gezinnen was gering en soms zelfs negatief. Na het schrappen van overbodige bureaucratie en de introductie van een andere manier van werken, is het bureau inmiddels in rustiger vaarwater beland. Nou ja, rustiger – de transitie jeugdzorg zorgt ervoor dat er sprake is van een permanente achtbaan.

Het kantoor van BJAA in het stadsdeel Nieuw West oogt modern en uitnodigend. Binnen vallen vooral de vele glazen wanden en de vrolijk gekleurde lampenkappen op. In een van de vergaderkamers zitten Erik Gerritsen, directeur van BJAA, en hoogleraar jeugdbescherming Ido Weijers tegenover elkaar aan een ovalen blankhouten tafel om te praten over de jeugdzorg nú en ná de transitie naar gemeenten.

Erik Gerritsen is zichtbaar trots op het nieuwe onderkomen van het Amsterdamse Bureau Jeugdzorg. ‘Het gebouw en de inrichting ervan staan symbool voor onze nieuwe manier van werken. We verschansen ons niet langer in onneembare burchten, maar gaan eropuit, naar de gezinnen toe. Kantoor is voor overleg en reflectie, en dat proberen we in zo groot mogelijke openheid te doen.’

Veel vernieuwing, maar is het Amsterdamse Bureau Jeugdzorg er sinds uw aantreden als directeur, vijf jaar geleden, ook beter op geworden?

Erik Gerritsen: ‘In 2010 plaatste de Inspectie Jeugdzorg ons nog onder verscherpt toezicht. Het bureau was bijna failliet en de kwaliteit van de zorg was belabberd, 70 procent van ons werk was pure verspilling van tijd en geld, zo stelden de medewerkers zelf vast. Om de kwaliteit te verbeteren, hebben we op hun advies een aantal maatregelen genomen. We hebben kantoren afgestoten, maar belangrijker nog: we hebben een manier van werken geïntroduceerd die voor een leek, een buitenstaander en zelfs voor een hoogleraar vanzelfsprekend lijkt, maar voor de jeugdzorg niet. Dan heb ik het dus over generiek gezinsgericht werken, over naar de mensen toe gaan, over praten mét in plaats van óver gezinnen en over continuïteit in de hulpverlening.’

‘Voorheen rapporteerden we ook per kind en niet per gezin. Dus als vier kinderen van hetzelfde gezin bij ons werden gemeld, dan maakten we vier aparte rapportages. Ook voor een verwijzing, voor het informeren van de rechter, voor een verzoek tot ondertoezichtstelling en ten behoeve van een plan van aanpak voor het gezin maakten we aparte rapportages. Dat betekende heel veel knippen en plakken en dientengevolge veel slordigheden in lijvige dossiers. Nu maken we korte rapportages van 10 tot 15 pagina’s, die voortdurend worden geactualiseerd.’

‘De verspilling van voorheen zat ook in dom werken. Tot voor kort liet de jeugdreclasseerder alleen het criminele rotjochie op kantoor komen. Kwam dat ventje hier, werd er – enigszins gechargeerd – “Foei, niet meer doen” tegen hem gezegd, werd-ie vervolgens naar een zorgtraject doorverwezen en moest hij zich drie weken daarna weer melden. Dat had dus totaal geen zin. Nu gaan we naar het gezin om te voorkomen dat het rotjochie nog verder streken uithaalt en zijn broertjes in zijn wangedrag meesleept. Deze nieuwe manier van werken is vooral een kwestie van gezond verstand en is bedacht door de medewerkers zelf. Het moet weliswaar nog verder “indalen”, maar desondanks hebben we in Amsterdam nu al 32 procent minder ondertoezichtstellingen (begeleiding door een gezinsvoogd op last van de rechter, red.) en 36 procent minder uithuisplaatsingen. Bovendien neemt de klanttevredenheid toe. Ik kan nog niet hard maken dat de veiligheid is verbeterd; daar zal het wetenschappelijk onderzoek dat loopt over twee tot drie jaar uitsluitsel over bieden.’

Ido Weijers, Amsterdam is een groot succesverhaal?

Ido Weijers: ‘Er zijn inderdaad veelbelovende ontwikkelingen bij het Bureau Jeugdzorg in Amsterdam te bespeuren, bijvoorbeeld die outreachende methode op gezinnen en de overdracht van dossiers, al is dat nog niet voldoende. Ik heb vaak rechtbankzittingen bijgewoond, zowel civiele als strafrechtzaken, waar een medewerker van Bureau Jeugdzorg geacht werd aanwezig te zijn en dan was die er niet of had hij een vervanger gestuurd die het dossier niet goed kende. Soms bleek de vervanger op de ochtend van de rechtszitting pas het dossier te hebben gekregen. Maar mijn grote zorg betreft vooral de aanstaande transitie van de jeugdzorg naar de gemeenten. Ik ben bij de jeugdzorg in Rotterdam geweest, en daar kwam ik echt ontdaan vandaan.’

‘Er is om te beginnen geen onderzoek gedaan naar de mogelijke (neven)effecten. Ofwel: de overheid zet iets in werking waarvan je als wetenschapper zou zeggen: zet drie, vier of desnoods vijf pilots op, doe onderzoek naar het effect ervan en neem daarna, op grond van de resultaten, definitieve beslissingen.’

‘Bestuurskundigen waarschuwen dat transitieprocessen vaak veel meer kosten dan geraamd, omdat de hele zaak opgeschud moet worden. Kleine gemeenten kunnen een zodanige grondige herschikking helemaal niet aan en moeten daarvoor deskundigen inhuren. En dan kan het gebeuren dat de gemeente Amstelveen een voormalige wethouder van Amsterdam (Rob Oudkerk, red.) inhuurt om de reorganisatie van het gemeentelijke apparaat te begeleiden. Ik voorspel dat de transitie vooral werk oplevert voor bestuurskundigen en organisatiedeskundigen. Dat vind ik diep treurig, want dat gaat ten koste van de zorg die we de komende jaren keihard nodig hebben voor de kwetsbare gezinnen. Komt bij dat de rijksoverheid miljoenen wil besparen op de jeugd-ggz, en daardoor dreigt het recht op specialistische jeugdzorg een lege huls te worden. Mijn laatste zorg betreft de jeugdbescherming…’

Gerritsen: ‘De jeugdbescherming. Ik dacht al, waar blijft-ie nou?’

Weijers: ‘Waarom kwam ik ontdaan uit Rotterdam terug? Omdat de beleidsmakers daar ver, heel ver willen gaan om opvoeders in de gewenste richting te dringen, dus zonder de rechter om een onafhankelijk oordeel te (hoeven) vragen.’

Gerritsen: ‘Deze hoogleraar heeft een hele ouderwetse opvatting van jeugdbescherming; het gaat juist steeds meer om drang en het voorkomen van dwang.’

Weijers, onverstoorbaar: ‘Drang kan goed zijn bij problematische opvoedingssituaties, maar de moderne opvatting is dat we stevig bewijs moeten hebben voordat we drang uitoefenen. Het vervelende is dat dat bewijs er in veel gevallen gewoon niet is.’

Gerritsen: ‘Maar dat bewijs hebben we ook bij dwang, dus met een rechterlijke uitspraak, niet altijd. Gezinnen komen bij het Bureau Jeugdzorg terecht, juist om dwangmaatregelen zoals ontzetting uit de ouderlijke macht of ondertoezichtstelling zo veel mogelijk te voorkomen. Daar slagen we steeds beter in. Ik verwacht dat we straks zelfs helemaal geen ondertoezichtstelling meer nodig hebben.’

Weijers: ‘Dat we geen ondertoezichtstelling meer nodig zouden hebben, daar geloof ik niet in.’

Gerritsen: ‘Het is demagogisch om te zeggen dat we altijd ondertoezichtstellingen nodig hebben. Er zijn steeds meer vraagtekens bij de toegevoegde waarde daarvan.’

Weijers: ‘Welnee, dat is helemaal niet demagogisch. Door ondertoezichtstelling kun je ouders bijsturen en ondersteunen. Dat kan in de loop der tijd leiden tot verbeterd gedrag. Het is echt een illusie om te denken dat we dat kunnen afschaffen. Er zijn nu eenmaal gezinnen die een zekere druk en bemoeienis nodig hebben, maar dat moet wel zorgvuldig gebeuren.’

Gerritsen: ‘Praat met onze klanten en die zullen zeggen: “Waar heeft die man het over? Die hele rechtsbescherming heb ik niet nodig, ik werk gewoon met een prettige gezinsmanager”.’

Weijers, ongelovig: ‘Ja ja. Nu moet je de situatie ook weer niet al te mooi voorstellen.’

Gerritsen, stellig: ‘Dat doe ik niet. Ik ben me ervan bewust dat er nog veel verbetering mogelijk is. Er zwerven bijvoorbeeld nog te vaak kinderen van het ene onafgemaakte hulptraject naar het andere vanwege een pervers systeem waarin de moeilijke klant voortdurend als een hete aardappel wordt doorgeschoven.’

‘De transitie, waar jij bezwaar tegen hebt, is een hefboom om veranderingen in dat bestaande, uiterst merkwaardige systeem te bewerkstelligen. Ik ben het met je eens dat je vraagtekens kunt zetten bij het deskundig opdrachtgeverschap van vooral de kleinere gemeenten, maar ze zullen het ooit moeten leren. Belangrijk is wel dat ze niet meteen op 1 januari 2015 (de datum waarop de gemeenten de brede verantwoordelijkheid voor en de financiering van de jeugdzorg overnemen, red.) voor 70 procent van hun budget gaan experimenteren en niet zoals bij de thuiszorg in zee gaan met cowboy-aanbieders.’

Weijers: ‘We zijn het er dus over eens dat de transitie langzamer moet verlopen?’

Gerritsen: ‘Nee, het tempo moet juist hoger! De druk heeft er namelijk toe geleid dat de partijen die straks in het nieuwe stelsel moeten samenwerken, tot elkaar zijn veroordeeld.’

Weijers: ‘Er is nog geen enkel wetenschappelijk bewijs voor de juistheid van de door jullie voorgestelde aanpak. Waar zijn de pilots die aantonen dat het werkt?’

Gerritsen: ‘We hebben proeftuinen en sociale wijkteams. Maar waar het hier eigenlijk om gaat, is een botsing tussen twee wetenschapsopvattingen. Je hebt er twee: een kwalitatieve en een kwantitatieve.’

Weijers: ‘Nou ja, je gaat me toch niet uitleggen hoe de wetenschap werkt?’

Gerritsen: ‘Ik ben ook gepromoveerd hoor.’

Weijers: ‘Ja, dat weet ik. Maar die proeftuinen waaraan jij refereert, leveren geen hard bewijs op, dat maak je mij niet wijs. We hebben een paar modellen en die verschillen van elkaar, dat weet je net zo goed als ik – waarom nemen we niet wat meer de tijd om gedegen onderzoek te doen?’

Gerritsen: ‘Ik vind dat toch wat demagogisch.’

Weijers: ‘Dat is helemaal niet demagogisch. De transitie is haastwerk en vooral gemotiveerd door bezuinigen en niet zozeer door inhoudelijke argumenten. Als we niet oppassen dan blijven we hangen in financiële problemen, die heus niet worden opgelost omdat jullie je werk goed en zuinig doen. De jeugdzorg in het algemeen zal straks alle moeite hebben om de goede mensen te behouden, ik zie nu al overal leegloop.’

Jan van Dam is freelance journalist. Marcel Ham is hoofdredacteur van het Tijdschrift voor Sociale Vraagstukken.

De volledige versie van dit twistgesprek  verscheen eerder in het Tijdschrift voor Sociale Vraagstukken.