Maak plekken centraal in de hervestiging van Syrische statushouders

Syrische statushouders wonen nogal eens op plekken waar zij weinig tot geen aansluiting vinden. Dit heeft gevolgen voor hun kansen op werk en op het thuis voelen. Promovendus Rik Huizinga meent dat de overheid hier meer aandacht voor zou moeten hebben.

In Syrië woonde Fadi in de miljoenenstad Damascus. Hij had een goede baan als veiligheidsingenieur bij een multinational, waardoor hij met zijn familie in een goede en gezellige buurt kon wonen. Terwijl hij overdag werkte, ging hij ’s avonds vaak de straat op om zijn vrienden te ontmoeten. Fadi woont inmiddels in een dorp in Noord-Nederland. Het leven is er anders. Hij heeft het daardoor moeilijk, hij heeft nog geen werk kunnen vinden en na bijna vijf jaar heeft hij nauwelijks contact met Nederlanders.

Spreidingsbeleid maakt integratie eerder lastiger

Net als veel andere Syriërs wilde Fadi graag naar de Randstad. Hij wist zeker dat hij met zijn expertise direct aan de slag zou kunnen op de arbeidsmarkt. Hij had echter geen rekening gehouden met het spreidingsbeleid van de Nederlandse overheid voor het huisvesten van statushouders. Op basis van een klantprofiel wordt namelijk gekeken waar een statushouder het meest optimaal kan renderen en waar de afstand tot inburgering het kleinst is. In de praktijk lijkt dit profiel echter op willekeur te berusten. Fadi verhuisde naar Noord-Nederland.

De omstandigheden waarin veel statushouders zich moeten ontwikkelen tot een volwaardig burger blijken verre van optimaal. Veel aandacht gaat uit naar integratie op de arbeidsmarkt. Eerder was op deze site te lezen dat Syrische statushouders de weg naar de arbeidsmarkt maar mondjesmaat lijken te vinden. Bovendien stelde het Kenniscentrum Integratie en Samenleving dat zij die wel betaald werk wisten te bemachtigen vaak onder hun niveau werken of afhankelijk zijn van tijdelijke contracten. Wat maakt nou dat sommigen de arbeidsmarkt wel weten te vinden en anderen niet?

Op zoek naar stimulerende plekken

Mijn onderzoek focust zich op de rol die plekken spelen in het dagelijks leven van statushouders. De emotionele verbindingen die zij met hun woonomgeving opbouwen zeggen namelijk veel over de kansen en obstakels die zij ervaren. Door te kijken hoe mensen hun dagelijkse leefomgeving duiden, probeer ik erachter te komen hoe zij deze omgeving gebruiken, bijvoorbeeld om in hun behoeften te voorzien of om hun doelen te bereiken. Met andere woorden, wie gedijt waar en waarom?

Door middel van ‘wandelinterviews’ breng ik dagelijkse routines en activiteiten van statushouders in kaart. Een wandelinterview geeft de mogelijkheid om deze routines en activiteiten samen te beleven. Welke aspecten van de dagelijkse leefomgeving zorgen ervoor dat statushouders zich thuis voelen en welke juist niet?

Een praatje maken

Syrische statushouders zijn vooral op zoek naar sociaal contact. De mogelijkheden daartoe hangen echter sterk af van de lokale context. Neem bijvoorbeeld de straat van Aziz (25). Wanneer ik zijn huis binnenstap, vraagt hij meteen: ‘Heb je mijn buurman gezien?! Hij zit altijd voor zijn deur. Hij is zo aardig, hij vraagt altijd hoe het gaat en of ik iets nodig heb.’

Contact is belangrijk, en het hoeft niet meteen een gesprek te zijn. ‘Mijn moeder spreekt geen Engels of Nederlands, maar hij groet haar altijd of zwaait naar haar’, zegt Aziz. Het gevoel hebben te worden gezien door anderen is belangrijk. Het delen van ruimte kan daarom bijdragen aan het gevoel dat iemand ergens bij hoort, en geeft iemand meer vertrouwen om initiatieven te ontplooien in de buurt.

De straten zijn leeg

Niet iedereen heeft dezelfde beleving. Door het spreidingsbeleid komen veel statushouders in dorpen of middelgrote plaatsen terecht. ‘Mijn buurt is saai!’ is wat Abdul-Halim (28) uit Damascus benadrukt tijdens onze wandeling door zijn woonplaats. ‘Wij zijn niet gewend aan lege straten. Met mensen praten op straat zit in de cultuur van het Midden-Oosten. Maar in Nederland moet ik altijd zoeken naar sociaal contact. Mensen werken overdag en blijven binnen na zes uur.’

Doordat veel statushouders niet werken of studeren, hebben vooral jonge statushouders vaak een heel ander dagritme dan hun leeftijdsgenoten. Ze zijn zelden op dezelfde plek en dezelfde tijd, en komen daarom nauwelijks met elkaar in contact. Wel zien zij veel oudere volwassenen, bijvoorbeeld op straat of in de supermarkt. Hoewel dit soms waardevolle contacten kunnen blijken, benadrukt deze situatie ook dat zij een vluchtelingenstatus hebben, en daarmee anders zijn dan hun leeftijdsgenoten. Ze voelen zich daardoor minder betrokken bij de buurt.

Het Nederlandse integratiebeleid vraagt desondanks veel initiatief van statushouders. Waar de meeste mensen in de loop van de tijd een netwerk hebben ontwikkeld, moeten statushouders helemaal opnieuw beginnen met het opbouwen van dit sociaal kapitaal. Dit begint vaak lokaal. Maar zonder sociaal contact met lokale bewoners en begrip van de Nederlandse taal, is het lastig om een weg te vinden in onze complexe samenleving.

Het ene dorp is het andere niet

Er zijn verschillende hulporganisaties die dit gebrek aan sociaal kapitaal kunnen opvangen. Gemeenten mogen dit op eigen wijze invullen. Dat opent de deuren voor maatwerk, maar leidt ook tot plaatselijke verschillen. Het ene dorp is daarom het andere niet.

‘We hadden hier op een gegeven moment drie vrijwilligers per statushouder. We waren in alles voorzien en wisten van gekkigheid niet meer wat te doen, dus hebben we maar een Zumba klas voor statushouders opgericht’, zegt een medewerker van het plaatselijke Vluchtelingenwerk. ‘Wij hebben inderdaad mazzel met dit dorp. In het dorp vijf kilometer verderop zijn alle statushouders weggepest.’

Voor goede matching is meer aandacht voor plekken nodig

De rol die plekken spelen in het dagelijks leven van mensen wordt sterk onderschat in het huidige spreidingsbeleid. Gemeenten lijken zich te verschuilen achter de door het rijk opgelegde taakstelling en de beperkte speelruimte in de sociale huursector. Door meer aandacht te schenken aan de relatie tussen statushouders, hun woongeschiedenis en de potentiële leefomgeving, kunnen gemeenten specifieker in kaart brengen wie het best gedijt op welke plek.

Iedere statushouder zou immers een kans moeten krijgen zich te ontwikkelen om zodoende aan te kunnen sluiten op de arbeidsmarkt. Het plaatsen van een hoogopgeleid iemand uit Damascus in een afgelegen Gronings dorp is dan niet de meest gelukkig keuze.

Vooralsnog moet de samenleving de consequenties van het ruimtelijk spreidingsbeleid accepteren. Taalachterstand, gebrek aan betaald werk en afwezigheid van een thuisgevoel vertragen de integratie van veel statushouders. Fadi ondervindt de gevolgen dagelijks, hij verzucht: ‘Ik kreeg vorige week via LinkedIn een uitnodiging van een bedrijf in Utrecht, maar ik moest nee zeggen.’ Pendelen is te duur en verhuizen onmogelijk. ‘Volgens mij had ik in de Randstad allang een baan gevonden.’

Rik Huizinga is promovendus aan de Rijksuniversiteit Groningen. Hij doet onderzoek naar ervaringen van Syrische statushouders in (Noord)-Nederland. Deze bijdrage is gebaseerd op het artikel ‘Everyday geographies of belonging: Syrian refugee experiences in the Northern Netherlands’, Geoforum, 2018.

 

Foto: Droninger (Flickr Creative Commons)