Inburgering Syriërs moet rekening houden met mannelijkheid

Ruim twee jaar geleden stelde het Sociaal en Cultureel Planbureau vast dat er voor de inburgering van Syriërs in Nederland een combinatie van specifiek en algemeen beleid nodig was. De Groningse promovendus Rik Huizinga stelt echter vast dat er tot nu toe nauwelijks aandacht is voor de rol van mannelijkheid bij inburgering en integratie van Syrische statushouders.

De sociologe Jorien van Treeck schetste onlangs een beeld van de complexe achtergronden van vrouwelijke statushouders uit onder meer Syrië, en hun kansen op de arbeidsmarkt. In gesprek met Jurre van den Berg benadrukt ze dat we rekening dienen te houden met de diverse achtergronden van de Syrische vrouwen. Een terechte opmerking, maar hoe zit het met de mannen? In hoeverre is er in het inburgeringsbeleid oog voor het spectrum aan cultureel bepaalde eigenschappen, gedragingen en rollen die Syrische mannen associëren met het man zijn en die bepalend zijn voor hun identiteit en sociaal functioneren?

Kostwinnerschap en mannelijkheid

Uit mijn promotieonderzoek naar de invloed van gedwongen migratie op het gevoel van mannelijkheid onder Syrische statushouders blijkt dat zij gewend zijn mannelijkheid te definiëren in relatie tot kostwinnerschap en beroepsstatus. Echter, verworven denkbeelden in Syrië houden vaak geen stand in Nederland.

Die verandering heeft grote gevolgen voor de man-vrouw-verhouding in een traditioneel huwelijk, zoals Mohammed Nour Al Naimi en Lin Mcdevitt-Pugh hier onlangs aantoonden. Hun veel gelezen artikel laat zien dat sommige mannen moeite hebben met echtgenoten die zich minder aantrekken van de traditionele Syrische mores. Wat ook een rol speelt, is dat het kostwinnerschap als mannelijke aangelegenheid in Nederland een achterhaald idee blijkt, dit tot frustratie van menig mannelijke Syrische vluchteling

Vooral voor jongere Syrische mannen, in de leeftijd van 18 tot 25 jaar, is kostwinnerschap hét middel om hun mannelijkheid te tonen. De meesten van hen hebben vanwege de burgeroorlog geen hoger onderwijs kunnen volgen en zijn al op jonge leeftijd gaan werken, bijvoorbeeld in buurlanden als Turkije en Libanon, om hun familie en woongemeenschap te onderhouden.

In vraaggesprekken voor mijn onderzoek gaven Syrische mannen uit deze leeftijdsgroep aan dat ze er aan gewend waren om stad en land af te reizen voor werk. Ze zijn daardoor assertief en maken in Nederland volop gebruik van de kansen op de lokale arbeidsmarkt. Bij dat laatste moeten we overigens vooral denken aan tijdelijk werk op schimmige contracten, voornamelijk in de bouw en de horeca.

Verloren status & nauwelijks werk

Syrische mannen van grofweg 25 jaar en ouder hebben vaak een opleiding gevolgd en carrièrestappen gemaakt voor het losbarsten van de burgeroorlog in hun geboorteland in 2011. Ze zijn naar Nederland gevlucht op zoek naar veiligheid en mogelijkheden om hun professionele carrière een vervolg te geven. Dat laatste valt vaak bitter tegen. De mannen voelen dat ze worden gezien als mensen die over weinig talenten en mogelijkheden beschikken. Hun in Syrië verworven kennis, vaardigheden en status blijken hier te lande tot hun grote frustratie weinig waard.

Scholing is een beloftevolle maar tevens moeilijke route naar een vaste en goed betaalde baan. Onderwijs behoort wat de Syrische mannen betreft tot een levensfase die ze hebben afgesloten: terugkeer naar de schoolbanken ervaren ze als een herleving van de onzekere fase van adolescentie, met alle onzekerheid erom heen.

Belemmeringen en kansen voor ontwikkeling

Wat het er allemaal niet gemakkelijker op maakt, is dat veel Syrische mannen moeite hebben om hun worstelingen te delen met anderen. Praten over emoties en onzekerheden is niet iets wat zij van huis uit hebben meegekregen. Zij worden daarom regelmatig geconfronteerd met onrealistische verwachtingen van ouders en familie. Bovendien zijn werkplaats en de publieke ruimte - plekken waar ze van oudsher hun identiteitsbepalende activiteiten ontplooien – minder toegankelijk. Thuis, waar het gros van de Syrische mannen vaak tegen hun wil verblijft, associëren zij met vrouwelijkheid.

Tegelijkertijd toont mijn onderzoek aan dat Syrische statushouders op verschillende manieren gebruik maken van de situatie om hun mannelijkheid opnieuw vorm te geven. Dat doen ze omdat ze mee willen doen aan de Nederlandse samenleving, en vanuit hun behoefte om hun mannelijkheid anders vorm te geven. Bijvoorbeeld door meer aanwezig te zijn in het huishouden of bij de zorg voor kinderen en zodoende een ondersteunende rol aan te nemen in hun relatie

Probleem is evenwel dat de vluchtelingenstatus de herdefiniëring en andere vormgeving van mannelijke identiteit eerder belemmert dan stimuleert. Onderzoek van de SER, maar ook van de Nationale Ombudsman, het Kennisplatform Integratie & Samenleving en de Rekenkamer toont aan dat de hoge werkloosheid onder vluchtelingen vooral te maken heeft met de manier waarop Nederland zijn inburgeringsbeleid organiseert.

Nieuwe wet breekt met oud beleid?

De Ombudsman schreef in 2018 overigens dat het probleem niet zozeer het inburgeringsbeleid op zich is, maar de inrichting van de dienstverlening in het algemeen. Oftewel, de overheid kan geen maatwerk bieden. De vraag is of de nieuwe Wet inburgering 2021 daar veel verandering in gaat brengen.

Biedt de in de wet aangegeven richting – meer lokale verantwoordelijkheid en inburgeren op maat – Syrische statushouders bijvoorbeeld meer mogelijkheden om hun genderidentiteit vorm te geven en waar nodig te herdefiniëren? Draagt de wet bij aan een betere toegang van vluchtelingen tot de arbeidsmarkt?

Inburgering op maat waarbij de overheid rekening houdt met de diversiteit van statushouders, qua nationaliteit, culturele en religieuze achtergrond én gender, zou een heuse breuk betekenen met het tot dusver schromelijk tekortschietende beleid. Maar, zoals de Ombudsman in 2018 al op merkte: de afgekondigde stelselherziening is mooi, maar uiteindelijk is de manier waarop de overheid haar dienstverlening praktisch vorm geeft, bepalend voor het succes van (inburgerings-)beleid.

Rik Huizinga is promovendus aan de Rijksuniversiteit Groningen en werkt als vrijwilliger bij Humanitas Groningen. Hij doet onderzoek naar ervaringen van Syrische statushouders in Nederland. Deze bijdrage is gebaseerd op het artikel ‘Hegemonic masculinities after forced migration: Exploring relational performances of Syrian refugee men in the Netherlands’, gepubliceerd op 1 Juli, 2020 in Gender, Place and Culture (Open Access).

 

Foto: michael_swan (Flickr Creative Commons)

Dit artikel is 1561 keer bekeken.

Reacties op dit artikel (1)

  1. Het is een illusie om te denken dat het overbruggen van 2 culturen met het meer inzetten van middelen en technieken tot een beter resultaat leidt:
    Juist, de overheid kan geen maatwerk leveren.

    1. Culturele veranderingen vergen een zeer lange doorlooptijd. Accountants zijn al 14 jaar bezig om tot een passende gedrag- en cultuurverandering te komen. Er is een vloed aan wet- en regelgeving over accountants uitgestort. Desondanks leidt de ‘mannelijke’ cultuur onder de partners van de grote accountantskantoren nog steeds tot grotesk falen van controles. Dat stopt pas als nieuwe generaties het heft in handen krijgen.
    2. Het overbruggen van culturele veranderingen vergt mensen die in beide culturen volledig thuis zijn, en in beide culturen over voldoende gezag beschikken om veranderingen geaccepteerd te krijgen én ingang te doen vinden. Die mensen bestaan niet. Die zijn er pas als we 1 generatie verder zijn.

    Ingrijpende gedrag veranderingen gaan altijd zeer traag. Accepteer dat en organiseer veranderingen van publieke taken op basis van die kennis. Verander het systeem niet in één keer. Start kleine experimenten en kijk wat goed en wat fout gaat. Behoud het goede en doe dan een nieuwe stap.

    Stop met het droomdenken dat ingrijpende veranderingen op de tekentafel van politici, specialistische wetenschap en goeroes tot stand komen.

Reageer

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *