Niet ‘meldcultuur’, maar knelpunten in jeugdbescherming moeten meer aandacht krijgen

Glazenwassers die kindermishandeling ‘opsporen’ en ouders die mishandeling wordt verweten als hun kind niet ontbijt of spijbelt. Media spreken van een ‘meldcultuur’. Mariëlle Dekker weerspreekt dit – opdat kinderen en ouders om hulp durven blijven vragen.

De Nederlandse jeugdbescherming kent knelpunten en fouten. Terecht dat media deze aankaarten. Maar het schetsen van een ‘meldcultuur’, zoals in recente columns van de Volkskrant over uithuisplaatsing en kindermishandeling en in uitzendingen van De Hofbar, gaat te ver. Zelfs glazenwassers zouden tegenwoordig kindermishandeling ‘opsporen’. En het zou al kindermishandeling zijn als je een keer geen ontbijt maakt voor je kind. Als er vervolgens onvoldoende ruimte is om hiermee aangezwengelde onderbuikgevoelens met goede cijfers en analyses in perspectief te plaatsen, gaat het mis.

Daarom in dit artikel vier beweringen onder de loep, met hulp van cijfers. En met een duiding waarover de discussie mijn inziens juist wél zou moeten gaan. Want achter de opgeklopte sentimenten schuilen terechte zorgen.

Er is geen tsunami van meldingen, wel een hausse aan huiselijk geweld

Overschatten prevalentiestudies het geweldsprobleem in onze samenleving? Voor de Leidse prevalentiestudie naar kindermishandeling hebben professionals als leerkrachten en wijkagenten beschrijvingen aangeleverd van zorgelijke opvoedsituaties. Experts beoordeelden deze met strenge criteria. Geen ontbijt vanwege armoede is ‘onvrijwillige verwaarlozing’ en geen kindermishandeling. Een patroon waarin ouders, bijvoorbeeld vanwege hun verslavingsgedrag, structureel geen moeite doen om hun kind te voeden, is wél kindermishandeling.

Daarom durf ik met zekerheid te stellen dat álle gezinnen die volgens de Leidse studie kindermishandeling meemaken, sociale steun en vaak ook professionele hulpverlening nodig hebben om (dreigende) onveiligheid te keren. Maar om die hulp en steun te organiseren hebben professionals vaak, maar niet altijd, Veilig Thuis nodig. En ook bij een melding blijft het doel om passende hulp te organiseren, een doel dat veel beter uitgedragen moet worden. De meldcode had dan ook beter ‘hulpcode’ geheten in mijn optiek.

Weinig onterechte meldingen, wel gebrek aan goede diagnostiek en feitenonderzoek

Hoeveel van de meldingen die Veilig Thuis ontvangt, zijn onterecht? Wij hebben het Verwey-Jonker Instituut gevraagd om anderhalf jaar lang een groep gezinnen te volgen nadat zij, om welke reden en door wie dan ook, zijn gemeld bij Veilig Thuis. Bijna 1200 ouders en 1500 kinderen spraken met de onderzoekers. In 85 procent van de gezinnen speelde al fors geweld tijdens de melding, met gemiddeld één geweldsincident per week. Bij 98 procent vond gezinsgeweld plaats in de maanden na de melding. Je zou hieruit kunnen concluderen dat twee procent van de meldingen onterecht is, omdat er geen geweld dreigt.

Alhoewel iedere fout ernstig is, roept uitvergroting van deze aantallen een onterecht schrikbeeld op van jeugdhulporganisaties. Dit zijn nu juist de organisaties waartoe de vele gezinnen in nood zich zo vroeg mogelijk zouden moeten wenden om huiselijk geweld bij voorbaat in de kiem te smoren. Toch hebben veel ouders het gevoel dat hun unieke gezinssituatie geen recht is gedaan met een melding bij Veilig Thuis en de daarna geboden hulp. Mogelijk omdat, zoals het onderzoek ook liet zien, maar een kwart van de gemelde gezinnen gespecialiseerde hulp krijgt voor hun geweldsprobleem. Veel van de door hulporganisaties geboden hulp lijkt bovendien niet aan te sluiten bij de vele andere ernstige problemen die driekwart van de gezinnen volgens de onderzoekers heeft – zo speelt in ruim een derde ernstig alcoholmisbruik, maar kreeg nog geen één procent verslavingshulp.

In de hele beschermingsketen is een gebrek aan goed feitenonderzoek en goede diagnostiek na gesignaleerd gezinsgeweld. Veilig Thuis, wijkteams en andere betrokkenen maken onvoldoende systematisch gebruik van goede meetinstrumenten om het type gezinsgeweld te analyseren en om achterliggende problemen als posttraumatische stress te diagnosticeren. Ook het feitenonderzoek naar gebeurtenissen die jeugdbeschermingsprofessionals kindermishandeling noemen, kent al jarenlang knelpunten, zoals het van elkaar overnemen van subjectieve beschrijvingen van gebeurtenissen. Dit zijn serieuze knelpunten die de vrees van ouders voeden dat je ‘zomaar beschuldigd’ kunt worden en hulp niet helpt.

Effectiviteit is niet bewezen, die van alternatieven ook nog niet

Ook al speelt er geweld, dan nog kun je je afvragen of de huidige manier van melden wel de beste (deel)oplossing is. Met de verbeterde Wet Meldcode is nadrukkelijk gezocht naar een centrale plek voor de Veilig Thuis-organisatie. Van 2017 tot 2019 is 28 procent meer meldingen ontvangen. De helft van de groei in meldingen is afkomstig van politie, een beroepsgroep die niet gebonden is aan de Wet Meldcode. De rest komt van beroepsgroepen die wettelijk verplicht zijn de verbeterde meldcode te gebruiken. Veilig Thuis maakt vervolgens een schifting en verwijst naar passende hulp.

Het is een nog niet bewezen hypothese dat deze centralere positie van Veilig Thuis de aanpak van gezinsgeweld verbetert. Een discussie over de taakstelling en positie van Veilig Thuis binnen de context van een veel te lange jeugdbeschermingsketen, is passend en zinvol. Maar niet met formuleringen als een ‘tsunami’s van onterechte meldingen’ of het zwart maken van de beroepsgroep. Waarbij we ons ook moeten realiseren dat allerlei alternatieve manieren van inrichten van de beschermingsketen of van Veilig Thuis óók nog niet zijn onderzocht of al bewezen effectiever zouden zijn.

Uitdijen van de term kindermishandeling belemmert hulp

De vrees dat een keertje spijbelen meteen gemeld kan worden als kindermishandeling, reflecteert de ontwikkeling dat professionals steeds meer potentieel schadelijke opvoedsituaties kindermishandeling zijn gaan noemen. Dit past bij wetgeving die kindermishandeling omschrijft als het (niet) handelen van ouders, waarbij schade dreigt of is ontstaan voor het kind. Het past ook bij groeiende evidentie dat getuige zijn van partnergeweld of een vechtscheiding kinderen op eenzelfde manier beschadigt als fysiek geweld tegen een kind. Maar het uitdijen van de beladen term past niet bij de beleving van ouders: zij bezien kindermishandeling nog vooral als fysiek geweld of seksueel misbruik, wat ‘slechts’ 22 procent vormt van de situaties die de Leidse prevalentiestudie als kindermishandeling definieert.

Dit geeft stof tot nadenken over de kloof die tussen ouders en hulpverleners ontstaat bij het gebruik van verzameltermen als kindermishandeling, het betitelen van een protocol dat tot hulp zou moeten leiden als meldcode, en ons almaar uitdijende veiligheidsjargon met veiligheidsafspraken, veiligheidsvoorwaarden en veiligheidsplannen.

Achter schreeuwende columns of televisie-uitzendingen over een ‘meldcultuur’ gaat het grote maatschappelijke probleem van huiselijk geweld schuil, maar ook de kloof tussen de taal van professionals en de betrokken ouders, en een ernstig gebrek aan goede diagnostiek en passende hulpverlening. Ik hoop dat er meer ruimte komt om de discussie te voeren over deze wezenlijke en ingewikkelde vraagstukken waarmee de jeugdbescherming kampt. Zodat ouders en kinderen, in plaats van afgeschrikt te worden in de media, hulp durven blijven zoeken als ze die hard nodig hebben.

Mariëlle Dekker is directeur Augeo Foundation.

 

Foto: Mario A. P. (Flickr Creative Commons)