Redouan El Khayari: ‘Mensenrechten zijn ons kompas’

Sociaal werk vertrekt vanuit mensenrechten, schrijft Redouan El Khayari. De docent-onderzoeker en Sociaal Werker van het Jaar 2022 zag hoe die onder druk zijn komen te staan. ‘Om onze positie als mensenrechtenprofessie te verstevigen, moeten we als beroepsgroep kritisch reflecteren.’

Een terugblik op de afgelopen twee pandemiejaren laat zien hoe kwetsbaar onze mensenrechten zijn. Om het ene recht te borgen, werd kinderen het recht op onderwijs ontnomen. Moesten volwassen kinderen toezien hoe hun ouders alleen, zonder hun geliefden, stierven. Deze onzekerheid over de waarde van mensenrechten vraagt om maatschappelijke reflectie, maar vooral ook om professionele reflectie van sociaal werkers. Mensenrechten vormen ons referentiekader en kompas van rechtvaardigheid en humane waardigheid.

Sociaal werk is een professie die vertrekt vanuit mensenrechten (IFSW 1996). In het werkveld en in het onderwijs worden sociaal werkers gevormd om te redeneren en de wereld te benaderen vanuit een moreel kader, gebaseerd op deze mensenrechten. Toch lijkt het moeilijk om een abstract construct als mensenrechten te koppelen aan het concrete alledaagse handelen van de sociaal werker.

Iedere keer dat ik misstanden opvoer, mis ik een bredere mensgeoriënteerde visie op mensenrechten

Mensenrechten kunnen namelijk mooi in wet- en regelgeving opgenomen worden, maar de concrete vertaling en interpretatie wordt beïnvloed door veel externe factoren, zoals beperkte beleidsinvullingen en financiële en politieke belangen. Daarom moet sociaal werk zich positioneren als een onafhankelijke professie van rechtvaardigheid, waarin professionals zich bezighouden met deze mensenrechten, gestoeld op een brede mensgeoriënteerde visie die verdergaat dan alleen het leidende participatiebeleid.

Beperkt tot beleidskaders

Iedere keer dat ik als sociaal werker of onderzoeker misstanden opvoer, word ik geconfronteerd met het gemis van een bredere mensgeoriënteerde visie op mensenrechten. Zo kaartte ik onlangs aan dat de in Den Haag gehanteerde aanpak van jeugdparticipatie voor jongeren in kwetsbare posities niet het effect bereikt dat we voor ogen hebben. Deze participatie krijgt vorm in het opruimen van afval op straat. Hiermee zouden deze jongeren solidair zijn met hun wijkbewoners en dus participeren. Een vorm van participeren waarbij deze jongeren niet de juiste vaardigheden en vormen van kapitaal aangereikt krijgen, zoals culturele kennis en een heterogener netwerk, waarmee sociale mobiliteit gerealiseerd wordt (Bourdieu 1986).

Als ik de ambtenaar hiermee confronteer, krijg ik het antwoord dat ik al tien keer heb gehoord: ‘Het is aan de jongeren en hun netwerk om keuzes te maken en hun kansen te pakken. Ze leven in een vrije samenleving en ook zij hebben het recht om regie te hebben over hun leven.’

Een voorbeeld van een overheidsvisie op mensenrechten die zich beperkt tot beleidskaders, zonder door te hebben dat de nadruk op eigen verantwoordelijkheid vanuit een vrijheidsideaal impact heeft op burgers in kwetsbare gebieden en situaties.

Mensenrechten worden geschonden

Vrijheid en eigen keuzes kunnen maken, is een groot goed en een recht. Dit betekent echter niet dat alle burgers dezelfde mogelijkheden hebben om kansen ook te verzilveren. Uit onderzoek blijkt dat kwetsbare buurten het terugtrekken van de overheid sinds 2015 minder goed kunnen opvangen, omdat de mensen er minder sociale hulpbronnen en kennis hebben om op eigen verantwoordelijkheid problemen op te lossen om mee te komen in een snel veranderende wereld (Engbersen, Snel & ’t Hart 2015). En dat is het moment waarop sociaal werk als professie, vanuit die mensenrechten, zijn positie moet innemen. Vanuit zijn signalerende functie waken over de sociale grondrechten van mensen en deze kunnen agenderen.

‘Zeg dat maar niet, Redouan. De gemeente zal daar, omdat het de wethouder schaadt, niet blij mee zijn’

Een signalerend orgaan zoals sociaal werk is essentieel; sociale grondrechten van mensen zijn afhankelijk van een overheid die toeziet op voldoende voorzieningen om maatschappelijk te functioneren. Helaas hebben we in 2022 toch een aantal keren kunnen constateren dat deze rechten onder druk zijn komen te staan, waarbij sociaal werkers meer dan ooit een rol hadden te vervullen. Denk aan het ongekende onrecht rond de toeslagenaffaire, maar ook de misstanden in de jeugdzorg, oorlogsvluchtelingen die buiten moeten slapen en het groter worden van bestaansonzekerheid voor velen. Allemaal situaties waarin sociaal werkers al langer aan de bel trekken omdat mensenrechten worden geschonden, maar daarin te weinig erkend en gehoord worden.

Machthebbenden aanspreken

Volgens mij – en vele collega’s onderschrijven dit – worden sociaal werkers door de te grote financiële afhankelijkheid beperkt om mens-onrechte situaties aan te pakken. En tot groot verdriet blijkt dat dit ook een van de factoren is waarom veel van mijn vakgenoten dit vak verlaten (Jansen, Ketel & Liefhebber 2021).

Ik herinner me een situatie waarin ik als sociaal werker een structurele misstand aankaartte, waarbij mijn leidinggevende reageerde met: ‘Zeg dat maar liever niet, Redouan. De gemeente zal daar, omdat het de wethouder schaadt, niet blij mee zijn en dat terwijl we net bezig zijn met de subsidieaanvraag.’ Dus omdat het de subsidiemogelijkheden zou kunnen beïnvloeden, was het niet gewenst om misstanden rond het armoedebeleid en de niet-functionerende werkwijze aan te kaarten. Omdat dit de positie van de wethouder kon schaden.

Absurd dat ik als sociaal werker om de drie maanden verantwoording moet afleggen aan een ambtenaar

Uit dit voorbeeld wordt duidelijk hoe kwetsbaar de positie van sociaal werk is. Maar vooral ook wat de effecten kunnen zijn wanneer er geen maatschappelijk orgaan is dat gemandateerd de machthebbenden kan aanspreken op ongewenste bestuurs- of beleidseffecten.

Loskoppelen van politieke belangen

Het aanspreken van en toezien op het handelen van de machthebbenden is niet mogelijk zolang de positie van sociaal werk constant wordt gestuurd door beleidsinvloeden, bijvoorbeeld omdat er een nieuwe wethouder is aangetreden. Lokale en nationale overheden moeten sociaal werk erkennen en respecteren als een volwaardige professie met zijn sterke body of knowledge.

Dit zou kunnen door organisaties in sociaal werk los te koppelen van politieke belangen, en dit ook expliciet op te nemen in regelgeving. Aanvullend moet ook de systematiek van financiering mee veranderen, waarin sociaalwerkorganisaties de ruimte krijgen via bijvoorbeeld meerjarige subsidiëring.

Het is absurd dat ik als sociaal werker, een professional die zich aan mensenrechten committeert, om de drie maanden verantwoording over jeugdparticipatie moet afleggen aan een ambtenaar. Alsof ik jongeren die zich al twintig jaar tweederangsburgers voelen in drie maanden kan verbinden, hun identificatie kan versterken en hen solidair kan laten zijn met de rest van de samenleving. Dit soort processen vraagt tijd, ruimte en vakmanschap. Iets wat onmogelijk is binnen het huidige sociaal werk, waarin sociaal werkers zich op basis van cijfers moeten verantwoorden.

Ongewenste effecten

Om onze positie als mensenrechtenprofessie te verstevigen, moeten we als beroepsgroep kritisch reflecteren. Reflecteren op welke interventies er zijn of we nog kunnen ontwikkelen en hoe we deze kunnen inzetten om onze beroepsidentiteit en beroepseer meer centraal te stellen. Wat mij betreft vraagt dit om organisaties en professionals die allereerst veel meer kennis en bewustzijn moeten hebben van onze relatie met de rechten van de mens. Het is nota bene het eerste artikel uit onze beroepscode; de norm om mensen tot hun recht te laten komen. Wanneer dit goed op ons netvlies staat, moeten we hiermee veel meer politiserend te werk gaan. Dit politiseren vraagt van sociaal werkers dat zij kritisch zijn op beleidseffecten die ongewenste gevolgen hebben voor mensenrechten.

Dus wanneer je als sociaal werker bijvoorbeeld ziet en hoort dat jongeren met een licht verstandelijke beperking discontinuïteit ervaren als ze 18 jaar worden, moet je dit in alle vrijheid en veiligheid onderbouwd bij de verantwoordelijken kunnen neerleggen. Wanneer je vervolgens geen veranderingen bemerkt, moet je concreet overgaan tot meer publieksgericht handelen. Zoals het betrekken van de media of het publiekelijk ter verantwoording roepen van verantwoordelijken op de sociale media. We willen, in een samenleving waar zorg een recht is, toch niet dat wij als sociaal werkers lam worden gemaakt als het recht op zorg onder druk komt te staan, terwijl we een professie hebben die zich aan mensenrechten committeert en erover waakt?

Redouan El Khayari is socioloog, docent-onderzoeker aan de Haagse Hogeschool en Sociaal Werker van het Jaar 2022.

 

Bronnen

Dit artikel is 1725 keer bekeken.

Reacties 4

  1. Helder betoog.
    Vooral van belang voor jouw collega’s
    Bravo Redouan

  2. Bovenstaand betoog laat juist zien dat je voor de praktijk van sociaal werk weinig hebt aan een beroep op de ‘mensenrechten’.
    Om hier aanspraak op te kunnen maken moet maatschappelijke strijd gestreden worden en die is helaas niet of weinig binnen het sociale werk te vinden.
    Veel werkers bevinden zich binnen hun comfort zone en maken zich niet erg druk over ‘onrecht’.
    De tijd van politiserend sociaal werk hebben we al lang achter ons.
    Het ‘sociale’ werk vecht thans om haar eigen voortbestaan binnen ‘de markt van welzijn en geluk’ dit naar analogie van filosoof Hans Achterhuis en is een verdienmodel is geworden.

  3. Mooi verwoord Redouan.
    Duidelijk verhaal en laten we hopen dat het werk van een professional social worker extra gewaardeerd mag worden.

  4. Beste Redouan,
    Complimenten voor jouw heldere uiteenzetting. Ik kan het helemaal onderschrijven. Op meer terreinen ontbreekt het onze samenleving aan een besef dat we afdwalen van de universele rechten van de mens. Uit onderzoek naar de sociale behoeften van ouderen en de rol die (sociale) technologie daarin kan spelen, concludeert onderzoeker Tina ten Bruggencate (Tranzo/Tilburg University, 2018) dat ouderen graag verbondenheid voelen met elkaar, met familie, vrienden, hun buurt en de maatschappij. Ook willen ze betekenisvol zijn voor anderen en zo lang mogelijk onafhankelijk zijn. Onderzoek van de Universiteit voor Humanistiek (PERSPECTIEF-rapport Van Wijngaarden, 2020) bevestigt die uitkomst. Gevraagd naar een mogelijke doodswens onder ouderen, concluderen deze onderzoekers dat ouderen willen doorleven, omdat zij een gevoel van vrijheid ervaren, genieten van humor en plezier hebben. Ook willen ouderen op een meer natuurlijke manier sterven. Het liefst in hun slaap.
    Om gemotiveerd verder te kunnen leven, hebben ouderen wensen en behoeften op psychosociaal en financieel gebied. Dan gaat het om de erkenning van en het begrip voor hun gevoelens. Zij voeren graag goede gesprekken met anderen, ook met hulpverleners. Daarnaast willen ze vaker en beter contact met hun kinderen, kleinkinderen en familie. Ook hebben ze graag zinvol werk of de mogelijkheid een hobby uit te oefenen. De zieken willen meer en betere zorg en hulp. Ook hebben 55-plussers behoefte aan beter op elkaar afgestemde medicijnen en aan stress verlagende technieken zoals meditatie. Praktische wensen zijn: een ander huis, goed vervoer en meer financiële ruimte. Dit zijn heel duidelijke signalen van ouderen. In de praktijk blijkt dat deze wensen van ouderen – vooral op hoge leeftijd – niet meer te realiseren zijn vanwege overheidsbeleid. Welke oudere verheugt zich bijvoorbeeld op een plekje in een verpleeghuis waar elke vorm van vrijheid zwaar is ingeperkt? Niemand toch? De verzorgingshuizen en vroegere bejaardenhuizen zijn gesloten. Veel ouderen missen daardoor voldoende sociaal contact.
    Artikel 25 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens luidt: ‘Een ieder heeft recht op een levensstandaard, die hoog genoeg is voor de gezondheid en het welzijn van zichzelf en zijn gezin, waaronder begrepen voeding, kleding, huisvesting en geneeskundige verzorging en de noodzakelijke sociale diensten, alsmede het recht op voorziening in geval van werkloosheid, ziekte, invaliditeit, overlijden van de echtgenoot, ouderdom of een ander gemis aan bestaansmiddelen, ontstaan ten gevolge van omstandigheden onafhankelijk van zijn wil.’
    Steeds meer ouderen – en ook veel jongeren – ervaren een gebrek aan welzijn. De Nederlandse overheid heeft dus een wettelijke taak om het welzijn van zijn burgers te bevorderen maar slaagt daar steeds minder goed in. Zelfs omgekeerd: overheidsbeleid heeft geleid tot armoede (toeslagenaffaire) en een wetsvoorstel voor hulp bij zelfdoding bij een ‘voltooid leven’. Wanneer de overheid hulp bij zelfdoding mogelijk maakt voor ouderen die in armoede leven of niet meer voor zichzelf kunnen zorgen of sociaal contact ontberen, dan hoeft er niet meer aan welzijnsbevordering te worden gedaan. Want zodra iemand voor de dood heeft gekozen valt er niets meer aan zijn welzijn te verbeteren. Het is aan elk van ons om kritisch te blijven op overheidsbeleid.
    Meer informatie over onderzoeken naar het welzijn onder ouderen met een doodswens en mogelijke oplossingen voor een meer sociale samenleving vind je in het boek ‘Leef onvoltooid! Zinvol en schaamteloos ouder worden.’ Veel ervan is ook van toepassing op jongeren.

Reageer

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *