ESSAY De antiracisme-politie probeert Nederland een nieuwe taal op te leggen  

Van de antiracisme-politie en dwepers met een imaginair verleden moeten we het niet hebben om een inclusieve samenleving te ontwikkelen. Socioloog en antropoloog Francio Guadeloupe bepleit een radicale dialoog over wat mensen van divers pluimage pijn doet en samenbrengt in een maatschappij waarin niemand gevangen zit in geërfde identiteiten.

Progressieve Nederlanders die absoluut niks te maken willen hebben met racisme, maar niet 24 uur per etmaal bezig zijn met discriminatie op basis van kleur en etniciteit, durven bijna niet meer te zeggen dat ze geen kleur zien.  Bang dat ze door de antiracistische politie (A-politie) worden beschuldigd van whitesplaining – a white person’s explanation – of bounty gedrag.

Mag progressief Nederland nog wel ergens trots op zijn?

De A-politie probeert Nederland een nieuwe taal op te leggen, zodat we met z’n allen gaan leven volgens Artikel 1 van de grondwet. Het korps bestaat uit een nieuw soort activisten. Technologische geschoolde en mediagenieke Nederlanders die Martin Luther King of Anton de Kom in verlegenheid zouden brengen als het gaat om de daadwerkelijke strijd tegen de verdeling van de mensheid in meerdere en mindere mensen op basis van kleur en etniciteit. De A-politie vindt dat degene die claimt progressief te zijn, zijn taalgebruik moet aanpassen. ‘Ik zie geen kleur’ kan niet meer!

Als de A-politie met verhalen komt over ondermaats schooladvies, discriminatie op de arbeidsmarkt en achtervolging door beveiligers van boetieks, alleen omdat iemand fysiek niet lijkt op de meerderheid van zijn landgenoten, schaamt progressief Nederland zich.

Progressief Nederland staat achter de A-politie, omdat ze beseft dat er geen structurele veranderingen mogelijk zijn zonder spanning en strijd. Maar als diezelfde A-politie suggereert dat iedere witte ondanks zijn goede intenties eerst naar een implicit bias training moet om van zijn verkropte racisme af te komen, begint het bij progressief Nederland te rommelen. Helemaal wanneer ze geacht wordt uitsluitend te luisteren, zonder mogelijkheid van weerwoord, naar stemmen binnen de A-politie die alle nationale cultuur gelijkstellen aan kolonialisme. Mag progressief Nederland nog wel ergens trots op zijn?

Een land waarin je mag zeggen geen kleur te zien

Waarom zou progressief Nederland rekening houden met de bedoelingen van de A-politie, als die andersom geen rekening houdt met die van haar? En haar gelijk stelt aan reactionair Nederland, een minderheid die een scherp hiërarchisch onderscheid maakt tussen inheemse Nederlanders en nieuwkomers? Een minderheid die in weemoed dweept met een goede oude tijd die nooit heeft bestaan, en die zich tegen de huidige etnische diversiteit keert.

Ziet de A-politie het verschil niet of wil ze het niet zien? Gelukkig is de A-politie ook een minderheid. Niet iedereen die zich hard maakt voor een Nederland ontdaan van discriminatie op basis van kleur en etniciteit handelt op zo’n totaliserende wijze.

Naast de A-politie zijn er ook ‘advocaten voor een nieuw algemeen belang (A-advocaten). Net als de A-politie zijn zij gedreven om een land te creëren waar Artikel 1 een levende realiteit is. Een land dat  geen nieuwe taal oplegt, maar een die het oude principe van radicale dialoog onvoorwaardelijk toepast. Een samenleving waarin een progressieve Nederlander mag zeggen dat hij geen kleur ziet.

A-advocaten tegen ‘witte onschuld’ en ‘zwarte onwetendheid’

A-advocaten gaan er niet automatisch vanuit dat ze de gedachten van een ander zonder dialoog  kennen. Ze stellen vragen, en door heen en weer te gaan – een geïmproviseerde dans van statements, wat zoveel betekent als in dialoog gaan – komen ze erachter wat iemand probeert te zeggen met de woordencombinatie ‘ik zie geen kleur’.

A-advocaten zijn erachter gekomen dat die combinatie van woorden geen eenduidig statement vormt. Voor sommigen staat ‘ik zie geen kleur’ voor de wens en de drive om kleur en etniciteit niet de basis te laten zijn van waaruit mensen elkaar op hun werk of in hun vriendenkring beoordelen of behandelen. Bij anderen betekent het: ‘ik heb geen negatieve connotaties bij iemands kleur of etniciteit, eigenlijk vind ik de diversiteit in Nederland heel mooi.’

Voor weer anderen staat ‘ik zie geen kleur’ voor de weigering om in te zien dat sommige Nederlanders er last van hebben dat Artikel 1 geen levende religie is. Schouderophalend opperen zij dat mensen zich moeten invechten, en dat diversiteitsinitiatieven te politiek correct zijn.

De A-politie neemt deze laatste betekenis als indicatief voor wat iedereen bedoelt met ‘ik zie geen kleur’. Dit is de ‘witte onschuld’ en ‘zwarte onwetendheid’ waartegen zij strijden. Velen in progressief Nederland hebben moeite hebben met de veralgemeniserende toon van hun aanklacht.

Uitnodiging tot radicale dialoog

De A-advocaten steunen de A-politie in hun strijd tegen discriminatie, maar geven tegelijkertijd aan dat je progressief Nederland, de meerderheid in het land, niet over een kam kan of mag scheren. Ook omdat progressief Nederland zelf veelkleurig en multi-etnisch is: variërend van Nederlanders wiens overgrootouders al het land bewoonden tot zij die elders zijn geboren of wiens ouders migranten waren.

Progressief Nederland en reactionair Nederland zijn niet hetzelfde. Met hun openheid en cultivering van nuance nodigen de A-advocaten alle partijen uit tot een radicale dialoog waarin ze elkaar behandelen als een Wie, niet als een Wat. Dit vergt wat uitleg.

A-advocaten houden geen monologen waarin zij aan de ander vertellen hoe zij lijden onder het witte juk of als inheemse Nederlanders witte privileges genieten. Dialoog met een nieuwe Nederlander met een tint is evenmin een troefkaart om de laatsten ervan te overtuigen dat zij racisme en uitsluiting beter moeten leren herkennen. Dit zijn voorbeelden van de ander behandelen als een Wat, als een vertegenwoordiger van de inheemse, Marokkaanse, Chinese, Surinaamse Nederlandse groep of van welke sekse dan ook. Een mens behandelen als een Wat is de bron van alle misstanden, inclusief discriminatie op basis van kleur en etniciteit.

Niet: Wat ben je, maar Wie ben je

Het gesprek dat A-advocaten voeren gaat ervan uit dat er een gat bestaat tussen sociale identificatie en identiteit. Alhoewel niemand zomaar sociale identificaties mag kiezen— bijvoorbeeld een donkergekleurde Surinaamse Nederlander kan niet één dag wakker worden en de rest van het land dwingen om hem als Turkse Nederlander te groeten — draagt niemand de hun aangewezen sociale identificatie zoals elk ander.

De A-advocaten beginnen hun gesprek altijd figuratief met de vraag ‘Wie ben je?’ en hanteren een stijl waarbij gesprekspartners elkaar helpen om niet te verstarren in vooroordelen. Door elkaars stereotypen over de ander als een Wat ter sprake te stellen, krijgen partijen oog voor elkaars gemeenschappelijkheden.

Radicale dialoog is democratisch. Gesprekspartners kunnen elkaar beïnvloeden en veranderen omdat ze systematisch het gat proberen te ontdekken tussen de sociale identificatie die iemand krijgt toegewezen (Wat) en zijn persoonlijke identiteit (Wie). Een voorbeeld van hoe dit werkt.

Ontmoeting in de trein

Oktober 2012, een A-advocaat is met de trein onderweg naar huis. Hij komt net terug van zijn werk op de Universiteit van Amsterdam waar hij Zwarte huid, blanke maskers van de Martinikaanse vrijheidsstrijder Frantz Fanon heeft gedoceerd. Fanon was een radicale humanist die zich in Algerije inzette voor een wereld waarin racisme en onderdrukking niet langer bestonden.

De A-advocaat herinnert zich de gezichten van een aantal studenten die verheugd waren dat ze, volgens Fanon, niet in een wereld hoefden te leven waar ras er altijd toe doet. Anderen vonden het boek een beetje te idealistisch, maar wel mooi. Ja, het is een mooie droom die Fanon in zijn werk en leven probeerde te realiseren door ernaar te leven.

De A-advocaat haalt het boek uit zijn tas om de laatste passages nog eens te lezen. Een oudere man, strak in pak, gaat tegenover hem zitten en kijkt geïntrigeerd naar de kaft en titel van het boek. De A-advocaat merkt het op, lacht, en zegt: ‘Het is een aanrader. Hebt u ooit van Fanon gehoord?’
‘Nee’ antwoordt de man. Hij vervolgt: ‘Het valt me op dat ik en mijn kleinkinderen met een blanke huid geen zwarte schmink meer mogen dragen, maar hier is een zwarte auteur die het omgekeerde predikt!’

Hij gaat door: ‘Ik ben geen racist, van mij mag iedereen een eigen mening hebben, maar Zwarte Piet heeft niks met racisme te maken. Ik wil Nederland best delen, maar wel op zo’n manier dat  eeuwenoude Nederlandse tradities worden gerespecteerd.’

Gemeenschappelijke liefde voor druiven en vrije meningsuiting

De A-advocaat luistert aandachtig en zegt: ‘Ik zou best in een oktobermaand zoals deze, die de Fransen vendémiaire noemen, een goede wijn kunnen gebruiken om dit gesprek aan te gaan. Drinkt u ook?’ Zijn medereiziger is verrast door de vraag en antwoordt aarzelend: ‘Ja.’
‘Dat delen we dus’, zegt de A-advocaat, ‘een liefde voor druiven’. Hij vervolgt: ‘Wat we ook mogelijk delen is dat we niemand een racist noemen omwille van hun liefde voor wat een omstreden volksfeest dreigt te worden. En we hebben toch ook beide de vrijheid van meningsuiting hoog in het vaandel.’

‘Uhuu’, zegt de man.

De A-advocaat vraagt vervolgens naar zijn kleinkinderen en pakjesavond. De man glundert en zegt: ‘Wat houd ik van mijn twee kleinkinderen.’

Hij laat een foto van zijn dochter en kleinkinderen zien. De A-advocaat complimenteert hem en vraagt: ‘Waarom dacht u dat ik u voor racist zou uitmaken?’

‘Tja’, vertelt de man: ‘Ik heb die Quinsy op TV gezien en begreep dat mensen zoals hij zich gediscrimineerd voelen.’

De A-advocaat lacht en vraagt, ‘wat doet u voor de kost?’

‘Ik ben manager bij een grote handelsketen.’

De A-advocaat zegt: ‘We hebben weer een overeenkomst ontdekt, we hebben beide gestudeerd en hebben een goed inkomen. Die van u is vast hoger dan die van mij.’

Weer verschijnt er een grijns op het gezicht van de man.

Geen hij of zij maar hen

De A-advocaat vervolgt: ‘Als professionals weten we dat we oog moeten hebben voor het specifieke, om iemand te kunnen beoordelen. Dat doe ik bij elke student. Ik neem aan dat u als manager dat ook doet bij uw personeel. Soms maak ik fouten omdat ik onbewust stereotype beelden hanteer en betrap ik mezelf erop dat ik mensen soms behandel als een Wat in plaats van als een Wie.

Een vrouwelijke student attendeerde mij erop dat zij zich geen man of vrouw voelde en wenste ‘hen’ genoemd te worden. Dat is dus Wat-denken, het is zo ingebakken om iemand of in de man- of de vrouw-categorie in te delen. Natuurlijk voelen we ons niet even gemakkelijk met de voortdurend veranderende wereld, maar om de klacht van onrechtvaardige behandeling kunnen we niet heen.’

De man is in zijn sas. Hij vindt het een fijn gesprek en zegt: ‘Je moet heel secuur en alert zijn in het zakenleven. Ik ben nog nooit iemand tegengekomen die ‘hen’ genoemd wil worden. Je ontkomt er vrijwel niet aan het Wat-denken en om mensen in groepen in te delen, maar je hebt volkomen gelijk als je zegt dat het van fatsoen getuigt, om gehoor te geven aan zij die ‘hen’ genoemd willen worden.’

Ik deel mijn land graag met jou

‘Dat betekent,’ zegt de A-advocaat, ‘dat je naar de specifieke persoon moet kijken toch? Naar wat iemand doet en niet naar wie iemand is?’

‘Ja’ zegt de man.

‘Dus’, gaat de A-advocaat door, ‘zoals ik naar u kijk en u niet vergelijk met een andere man van dezelfde leeftijd en etnische achtergrond. Als ik dat wel zou doen, zou ik u niet echt zien en meemaken.’

De man knikt en vertelt: ‘Dat zeg ik ook steeds tegen mijn personeel, kinderen en kleinkinderen. Als we dat allemaal doen, kan Nederland toch zo fijn zijn.’

‘Ja’, zegt de A-advocaat, ‘we delen Nederland. We zijn Nederlanders. Eén burgerschap. Ik deel mijn land graag met u. Multicultureel Nederland is van ons allen.’

De man grinnikt.

Dan zegt de A-advocaat: ‘Het leek alsof u me daarnet had geplaatst in de groep van donkere mensen die zich net als Quinsy automatisch gekwetst voelen door het zwart schminken van witte huid en de karikatuur zwarte Piet. Dat was toch niet zo bedoeld?’

‘Nee’ zegt de man, ‘absoluut niet. Ik zie toch aan dat boek hoe belezen en ethisch je bent. We staren ons, jij en ik, niet blind op kleur of etniciteit. Ik zal je wat vertellen: ik zie geen kleur. Maar vertel eens hoe ben jij zo wijs geworden?’

Quinsy’s aanklacht gaat over meer dan Zwarte Piet

De A-advocaat neemt zijn boek en leest enkele citaten van Frantz Fanon voor die hij had onderstreept:

Ik ben geen slaaf van de Slavernij die mijn voorvaderen beroofde van hun menselijkheid. Ik ben een mens… Ik, gekleurde mens, heb niet het recht om de blanke man een schuldgevoel tegenover mijn ras op te dringen… Moet ik soms van de blanke man van vandaag vragen zich schuldig te voelen over de slavenhandel van de 17e eeuw?... Door te overstijgen wat historisch en instrumenteel gegeven is, open ik de cyclus van mijn vrijheid.

De man weet niet wat hij zeggen moet. Hij is ontroerd. De A-advocaat vervolgt: ‘Voor Fanon hoeft niemand gevangen te zitten in geërfde identiteiten. Wij moeten kritisch kijken naar ons erfgoed. Het Sinterklaasfeest is uw erfgoed en ook die van mij omdat we een gedeeld koloniaal verleden hebben. Het is ons erfgoed. Daarin hoort dat we goed luisteren naar wat anderen zeggen wat het met hen doet. Het geeft jou plezier, en familiegevoel, dat respecteer ik. Als kind heb ik ook genoten van het feest, maar vandaag doet het mij niks meer. Dat respecteert u toch ook?’

‘Ja’, zegt de man.

‘Nou, het doet iets anders bij anderen, en dat geven mensen zoals Quinsy aan, wiens strijd is begonnen toen zijn moeder notabene voor Zwarte Piet is uitgemaakt. Hij vraagt aanpassingen, geen einde aan het feest. Ik zie niet waarom dat niet zou kunnen met behoud van al dat warme waar u het zojuist over had. Quinsy heeft een belangrijke rol in een samenleving die mensen uitsluit op basis van kleur en etniciteit te vaak gebeurt. Zijn rol is die van de A-politie.’

De man lacht: ‘Wat een fantastische term! Maar, Zwarte Piet is toch niet racistisch? Het is niet racistisch bedoeld. Het is een volksfeest. Iedereen mag meedoen. Je hebt toch ook meegedaan als kind? Het gaat om traditie. Ja, er zijn rotte appels. Maar ik durf te wedden dat de meerderheid niet wil discrimineren. Intenties tellen toch ook mee?’

‘Natuurlijk’, antwoordt de A-advocaat, ‘wanneer we goed luisteren en opletten, zien we dat Quinsy’s aanklacht over meer gaat dan alleen symbolen. Het gaat er vooral over dat hij en vele andere Nederlanders die dit land net zo liefhebben als u en ik, gediscrimineerd worden vanwege hun huidskleur en etniciteit.’

Op naar een kleurrijke visie

‘Of het nou onwelwillend is of puur onbenul, we moeten er iets mee. Laten we zeggen dat de A-politie ons erop attent maakt dat sommige mensen in dit land als een ondergeschikte Wat worden behandeld. En als dat gebeurt tijdens een feest dat voor iedereen zou moeten zijn, dan is dat de druppel die de emmer doet overlopen. Fatsoenlijke Nederlanders moeten erkennen dat het ontoelaatbaar is dat zij pijn en discriminatie ervaren, of we het Sinterklaasfeest lief hebben of dat het hele feest ons als volwassenen weinig kan boeien.’

‘Ja’, zegt de man, ‘als je het zo zegt. Dan ja. Maar ik vind het toch geen racisme.’

‘Dat mag u vinden’, antwoordt de A-advocaat. Hij vervolgt: ‘Wat ik Quinsy hoor zeggen met zijn aanklacht is dat mensen graag volwaardig mee willen kunnen doen. Zij willen de tools, skills en respect om een leven te leiden zoals u en ik. Laten we daarop focussen en dit oplossen. Door te focussen op wat we delen en door gezamenlijk te zorgen dat iedereen daadwerkelijk een kans krijgt in dit land komen we er wel. Dat vindt u toch ook redelijk?’

De man: ‘Ik zal toch eens aan mijn vrouw en kleinkinderen vertellen over dit gesprek. Zij moeten ook geen kleur zien.’

‘U bedoelt dat ze een kleurrijke visie moeten hebben?,’ vraagt de A-advocaat.

‘Ja, dat bedoel ik precies.’

Francio Guadeloupe is onderzoeker aan de Faculteit der Maatschappij- en Gedragswetenschappen van de Universiteit van Amsterdam en aan het Koninklijke Instituut voor Taal, Land en Volkenkunde in Leiden.