Rurale idylle van het platteland vertroebelt

Op het platteland zorgen mensen nog voor elkaar, zo wil de idylle. Toch blijkt de zorg in dorpen voorwaardelijk. Want wie geaccepteerd wil worden, wordt geacht deel te nemen aan het verenigingsleven. Voor sommigen pakt dit uit als een warme deken, anderen staan voor een dichte deur.

Wie meer zorg krijgt uit zijn omgeving kan volgens de nieuwe Wmo op minder steun van de gemeente rekenen. Flip van Sloten van de Raad voor Volksgezondheid en Zorg (RVZ) stelde in dit verband: ‘In volkswijken in de grote steden zal het veel lastiger zijn om mantelzorg te organiseren dan in plattelandsdorpen waar iedereen elkaar kent’ (Kiers 2014). Daarom pleit de RVZ in het rapport Gemeentezorg. Randvoorwaarden voor een succesvolle decentralisatie van langdurige zorg voor een jaarlijkse monitoring van de balans tussen professionele en informele zorg die ook kijkt naar ‘gebiedsverschillen’. Maar is informele zorg in dorpen wel wezenlijk anders, zoals de RVZ beweert?

Het platteland is bij uitstek een ruimte die mensen zich door middel van symboliek en gevoel eigen maken als place met een zeker karakter. Op het platteland is ‘nog’ rust en ruimte, weten mensen ‘nog’ waar de melk vandaan komt en kunnen kinderen ‘nog’ vrijelijk ravotten. Nog zo’n populair cliché, en voor mijn onderzoek heel relevant: op het platteland is ‘omzien naar elkaar’ nog vanzelfsprekend. Wethouders prijzen graag ‘hun’ dorpen waar ‘het oude’ nabuurschap nog heel gewoon is. Dorpsbelangenorganisaties geven hoog op van de hechtheid van hun lokale gemeenschap. Natuurlijk chargeer ik hier, maar iedere lezer, stedeling of plattelandsbewoner, zal deze rurale idylle herkennen.

Omzien in ‘Woudzicht’

In Woudzicht, een bosrijk dorp van 1500 inwoners met een grote VVD-aanhang, is het belangrijk zichtbaar en kenbaar te maken dat je deel wilt uitmaken van het lokale sociale leven. Daarin moet je zelf initiatief nemen, ‘je best doen’ en positieve inzet tonen voor het dorp, dorpsbewoners en de verenigingen. Dat hoeft niet groots te zijn: aansluiting bij één van de verenigingen is al voldoende. De vooronderstelling is dat verreweg de meeste mensen dat ook graag willen, omdat het een aantrekkelijk en sociaal meelevend dorp is, door sommigen zelfs aangeduid als ‘klein paradijs’ waar mensen gewoon zijn elkaar te helpen. Zoals een respondent, een vitale 70-plusser, het verwoordt:

‘Het is weliswaar geen “ons kent ons” meer, maar we hebben allemaal wel wat met mekaar, de uitzonderingen daargelaten.’

In de interviews rijst de indruk dat het een eigen keuze is wanneer je ‘een uitzondering’ bent. Wie niet op deze manier meedoet, sluit zichzelf buiten. Eenzaamheid en sociale isolatie zijn in Woudzicht eigenlijk out of place. Als het dus wél voorkomt dan ligt het niet aan (de mensen in) het dorp, maar aan de persoon zelf. Zelfs mensen met aanzienlijke beperkingen kunnen nog terecht in het verenigingsleven, dat flexibel en sociaal voelend is. Meneer Van der Heiden*, zegt daarover:

‘(…) Dat zie je ook bij de bridgeclub, bij de dam. Bij de damvereniging is een man, die is eigenlijk al heel ver aan het dementeren. (…) Hij wordt gewoon opgehaald en hij doet gewoon mee.’

De condities voor ‘meedoen’ zijn in Woudzicht dus optimaal, ook voor mensen met een chronische ziekte of met beperkingen. Kortom, zoals meneer Van Bennekom, opmerkt:

‘Ja, het ligt ook een beetje aan jezelf hè. Als je wilt, dan ben je binnen de kortst mogelijke tijd ingeburgerd in dit dorp. Als je niet mee wilt doen, als je niet wilt weten hoe het in mekaar steekt, als je niet met sportactiviteiten mee wilt doen, en altijd maar achteraan blijft staan, dan heb je het wel moeilijk.’

Dat ‘meedoen’ helpt om toegang te krijgen tot informele zorg, blijkt wel uit positieve verhalen van mensen die via het verenigingsleven vriendschappen sloten met dorpsgenoten van wie zij later in het leven hulp en zorg ontvingen. Maar de keerzijde kwam ook aan bod in de interviews. Meneer Van Gennip zag bijna twintig jaar om naar een hulpbehoevende alleenstaande buurman. Deze man ontwikkelde in de loop der jaren een ernstige schizofrene stoornis, een vorm van pleinvrees en ‘raakte steeds meer op een zijspoor’. De man vertoonde ‘onaangepast gedrag’: hij liep bijvoorbeeld in zijn ondergoed buiten om de hond uit te laten. Als gevolg hiervan was het ook ‘vrij moeilijk’ om hulp te krijgen uit de omgeving. Meneer Van Gennip:

‘Hij stond hier af en toe te roepen voor de deur, in zijn pyjama of in zijn onderbroek buiten. En dan was ik niet thuis. Maar dan reageerden er ook geen andere mensen, omdat ze dat natuurlijk toch een rare situatie vinden.’

De buurman besluit op een zeker moment te stoppen met medicijngebruik. Hij stelt zich actief en ondernemend op en zoekt meer contact, in eerste instantie met buren in de straat. Helaas krijgt hij toch weer terugvallen en wordt hij opgenomen.

Meneer Van Gennip: ‘Hij kwam slechter terug uit die opname van een aantal maanden. Daarna ging het heel snel bergafwaarts. Toen heb ik natuurlijk nog een aantal keren contact met hem gehad, juist omdat het zo slecht ging. Totdat er opeens een ambulance voor stond. Toen was hij overleden.’
Interviewer: ‘Och…!’
Meneer Van Gennip: ‘Ja. Dus dit is wel een schrijnend geval vind ik, waarin allerlei hulpverlenende instanties tekort hebben geschoten. Inclusief natuurlijk hier de burenhulp en andere mensen hier. Ik neem het niemand kwalijk, want het is een situatie die hij helemaal aan zichzelf te danken heeft, maar dit gebeurt dus ook in dorpjes en niet alleen in de grote stad.’
Interviewer: ‘Ja… Maar had dit dan voorkomen kunnen worden?’
Meneer Van Gennip: ‘Ja, dat denk ik wel. Laat ik zeggen, als je deel uitmaakt van één van de verenigingen, of van de kerk, als je maar aansluiting hebt op een bepaald gebied, dan heb je natuurlijk dat je regelmatig contact hebt met dorpsgenoten. En dat was bij hem gewoon heel erg moeilijk, en daarom zeg ik ook, ik neem het niemand kwalijk, dat heeft hij zelf zo veroorzaakt, alleen: hij was ziek.’

Uit dit citaat blijkt een zekere ambivalentie over de oorzaken van deze situatie: enerzijds was de man ziek, anderzijds veroorzaakte hij ‘zelf’ ook problemen. Duidelijk is in elk geval dat hij dusdanig out of place was dat hulp uit het dorp uitbleef. Het staat in schril contrast met de hulp die een andere bewoner van het dorp wél kreeg in dezelfde periode. Het betreft een voormalig agent die bij het uitoefenen van zijn functie werd neergestoken, met permanente rolstoelafhankelijkheid tot gevolg. ‘Iedereen’ in Woudzicht wist om wie het ging: de betreffende inwoner was bestuurslid van een prominente plaatselijke vereniging en bovendien werd het dramatische voorval uitgebreid uitgemeten in de pers, aangezien er sprake was van geweld tegen een agent, een ‘held’.

De buurt als selectiefilter voor informele zorg

Wie in Woudzicht op zichzelf is of zelfs overlast veroorzaakt, kan op weinig sympathie rekenen. Maar verder is voor eenieder met een chronische ziekte of beperking altijd een plek, althans in de beleving van dorpsbewoners. Dat er sprake kan zijn van mijdingsgedrag, bijvoorbeeld uit angst voor een stigma, is voor bewoners onlogisch.

Tegelijkertijd vormt het dorpsgevoel van Woudzicht ook een grote bron van kracht, compassie en actief nabuurschap. Het helpt daarbij dat dorpsgenoten over het algemeen dezelfde leefstijl hebben en elkaar regelmatig tegenkomen in het dorp, in het verenigingsleven, op evenementen en op school. Dat leidt tot vriendschappelijke contacten en een sterke mate van hulpbereidheid, die soms resulteert in mantelzorgrelaties. Simpel gesteld: de kans op informele zorg neemt toe als mensen wat meer op elkaar lijken, vooral in termen van leefstijl en cultuur.

Een kwestie van toegang

De roze bril van de rurale idylle, het ‘zorgzame dorp’ waarin niemand wordt uitgesloten van informele hulp, maakt het versterken van informele zorg op het platteland moeilijker dan in een stad. Overheden kunnen er ten onrechte van uitgaan dat de dorpen ‘zichzelf wel redden’ en dat beleidsaandacht en middelen vooral nodig zijn in de stedelijke kernen. Dorpsbewoners zelf, in het bijzonder de dorpsraden en lokale verenigingen, kunnen meegaan in die aannames – omdat ze graag dat beeld van het zorgzame dorp koesteren. Niettemin wonen er 318.000 kwetsbare mensen op het platteland. Ook zij vragen onder meer om oplossingen in de sfeer van georganiseerde vrijwillige hulpdiensten en buurthulp waarop je ook een beroep kunt doen als je er niet per se ‘bij hoort’.

Kitty van den Hoek is onderzoeker bij Movisie, landelijk kennisinstituut voor maatschappelijke vraagstukken. Met Wilco Kruijswijk en Jan Willem van de Maat werkt zij aan het Handboek Buurthulp, dat in oktober 2014 verschijnt. De volledige versie van dit artikel verscheen in het Tijdschrift voor Sociale Vraagstukken.

 

Noot
* De namen van geïnterviewden zijn gefingeerd.

Bronnen
• Blokland, T., Urban bonds. Social relationships in an inner city neighbourhood. Cambridge: Polity Press, 2003
• Hoek, D.E.C. van den, Warme deken of dichte deur? Tastbare en denkbeeldige zorgzaamheid in twee Nederlandse dorpen. Amsterdam, Universiteit van Amsterdam, 2013, www.linkedin.com/in/kittyvandenhoek
• Jager-Vreugdenhil, M., Nederland participatieland? De ambitie van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) en de praktijk in buurten, mantelzorgrelaties en kerken. Amsterdam: Vossiuspers UvA / AUP, 2012a
• Jager-Vreugdenhil, M., De buurt doet ertoe – maar niet voor informele zorg. TSS, Tijdschrift voor sociale vraagstukken, 12, november 2012b,
• Kiers, B., RVZ: Let op balans formele en informele zorg. Zorgvisie, 16 januari 2014.
• Linders, L., De betekenis van nabijheid. Een onderzoek naar informele zorg in een volksbuurt. Den Haag: Sdu, 2010
• Lupi, T., Buiten wonen in de stad. De ‘place making’ van IJburg. Amsterdam: Aksant, 2008
• Lupi, T., Buurtbinding. Van veenkolonie tot VINEX-wijk. Amsterdam: Aksant, 2005
• Steenbekkers, A. & L. Vermeij (red.), De dorpenmonitor. Ontwikkelingen in de leefsituatie van dorpsbewoners. Den Haag: SCP, 2013

 

Reacties op dit artikel (3)

  1. Mantelzorg of vrijwilligster vind dat nogal een groot verschil zelfs op het platteland en wat is informele zorg ….allebei ??

  2. Ik woon op Kreta en bestudeer al jaren de informele zorg hier. Met name in de dorpen (waar ik woon(de)) kent men elkaar. Men viert veel zaken samen. En men is zeker niet te beroerd de ander te helpen. Maar voor ‘zorg’ is er slechts één instantie verantwoordelijk: De eigen familie.
    Bij ouderdomsproblemen of ziekte is de familie de enige verantwoordelijke. Ook wat betreft de inzet van professionele zorg. Dat leidt soms tot contraproductieve of perverse resultaten. Ik maakte onlangs mee dat een zoon zijn moeder vanwege acuut geheugenverlies uit het dorp mee nam naar Athene. Want ze kon niet meer alleen thuis wonen. Het werd een ramp. Voor moeder. En voor de familie. Nu is het duidelijk dat Nederland wat betreft ‘de familie’ een probleem heeft. En dat de (lokale) overheid daarom inzet op informele zorg door ‘anderen’ is duidelijk. Het zal onvoldoende resultaat opleveren. Dit nog los van het tekort aan ‘mantelzorgers’ dat Nederland nu al heeft.Ik heb daarom onlangs het begrip ‘ruilzorg’ als optie binnen het politieke circuit ingebracht. Maar eens zien of dat wat meer resultaat oplevert.

  3. Mag iemand wel zelf de keus maken mee willen doen of niet mee willen doen ?

    Of moet het is het verplicht ?
    Worden we anders uit huis mee getrokken of zo ?

    Wat willen mensen zelf ? Daar gaat het toch om ?
    Wat jezelf het prettigst vindt telt.

    Dat moet iedereen zelf weten.
    Geluk is voor iedereen weer een ander gevoel.
    Niet ieder mens wil veel sociale contacten er wordt een beetje een verkeerd beeld geschetst.
    Heeft ieder mens dezelfde behoefte hetzelfde karakter ? Nee toch ?
    Je mag je leven indelen zoals je dat zelf wilt en je mag ook zelf je contacten uitzoeken.
    Er komt overal veel te veel drang bij kijken.
    Als iemand niet wil dan wil hij niet.

Reageer

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *