Sociaal werk als fundament van duurzame vrede

Neem een voorbeeld aan het sociaal werk! Het laat in tijden van dreiging, verdeeldheid en wantrouwen elke dag weer zien hoe vreedzaam samenleven begint en resultaat heeft, bepleiten lectoren Maja Ročak (Zuyd Hogeschool) en Mariël van Pelt (Fontys Hogeschool).

‘Als je geld steekt in verdediging, investeer dan óók in wat je verdedigt.’ Dit was de treffende inleiding van een artikel in De Limburger op 23 juni 2025, naar aanleiding van de NAVO-top in Den Haag (Meesen 2025). Een top die afgesloten werd met de afspraak dat alle NAVO-landen 5 procent van hun bruto binnenlands product (bbp) uitgeven aan defensie en aan defensie ondersteunende zaken, zoals digitale veiligheid, infrastructuur en maatschappelijke veerkracht.

Maar wat verstaan we onder maatschappelijke veerkracht? En wie moet die precies realiseren? In de praktijk blijkt veerkracht vaak niet voort te komen uit centrale structuren of strategische plannen, maar juist uit het alledaagse leven. Tijdens de overstromingen in Limburg in 2021 zagen we dat scherp: niet het leger, maar bewoners organiseerden zich razendsnel in app-groepen, bewaakten de dijken, vingen elkaar op en bouwden aan lokale structuren van zorg en vertrouwen.

We moeten ook werken aan een veerkrachtige samenleving en investeren in gemeenschapszin en sociale steun

Zulke initiatieven laten zien waarover het werkelijk zou moeten gaan. Want als we meer investeren in militaire veiligheid, moeten we óók investeren in wat samenleven mogelijk en waardevol maakt: rechtvaardigheid, solidariteit, democratie en gemeenschappen. Sociaal werk laat elke dag zien hoe vreedzaam samenleven begint: met relaties, zeggenschap en vertrouwen.

Investeren in samenleven

‘Sociale defensie’ is een term die recent in enkele debatten opduikt, mede door de oorlog in Oekraïne en de ervaren oorlogsdreiging. Het begrip suggereert dat we niet alleen moeten investeren in een sterk leger met voldoende defensiemateriaal; we moeten ook werken aan een veerkrachtige samenleving. En daarvoor moeten we investeren in gemeenschapszin en sociale steun. Dat betoogde onder meer Karen van Oudenhoven, directeur van het Sociaal en Cultureel Planbureau, in de Volkskrant (Van Paassen 2025). We moeten verder kijken dan zelfredzaamheid bij calamiteiten en oorlog, zoals het drie-dagen-noodpakket in huis halen, wat de overheid onlangs adviseerde.

Een deel van de NAVO-bijdrage moet worden gestoken in sociaal werk en samenlevingsopbouw

Mensen zullen elkaar hard nodig hebben om zich staande te houden en te overleven als onze ICT-systemen uitvallen, er een natuurramp komt of er oorlog uitbreekt. Of het nu gaat om onze voedselvoorziening, emotionele steun of praktische hulp. Van burgers vraagt het samenwerken in de straat, de flat, de wijk of het dorp, waarbij ze elkaars hulpbronnen delen; van voedsel en zorg tot techniek, herstel en opvang.

Kortom: we moeten werken aan gemeenschapszin en sociaal kapitaal – wederkerige en solidaire relaties tussen mensen waarbinnen deze hulpmiddelen worden uitgewisseld. Hierin investeren, betekent ook investeren in het sociaal werk, want het zijn sociaal werkers die door middel van opbouwwerk werken aan het versterken van gemeenschappen (Gradener e.a. [z.d.]).

Wat ons betreft zou een deel van die 1,5 procent voor defensie ondersteunende zaken –naast de 3,5 procent die direct in defensie geïnvesteerd moet worden, aldus de NAVO-afspraken – dan ook gestoken moeten worden in sociaal werk en samenlevingsopbouw. Investeren in samenleven is nodig om crises te doorstaan. Maar vooral omdat het ons samenleven is dat we te verdedigen hebben. Het sociale, daar moet het over gaan en daar moeten we werk van maken. En daarom is sociale defensie volgens ons een slecht gekozen begrip. Het woord kan leiden tot het normaliseren van oorlogstaal, wat zich helemaal niet verhoudt met goed en vreedzaam samenleven.

Niet-normaliseren van oorlogstaal

Angst voor vijanden legitimeert forse defensie-investeringen. Een meerderheid van de Nederlanders steunt dit, maar wil niet dat het ten koste gaat van armoedebestrijding, onderwijs en zorg (Den Ridder & Kunst 2025, p. 22-25). Toch gaat de vraag verder dan geld.

Niet door tanks, maar door achterdocht wordt het sociale weefsel aangetast: dáár ligt de echte dreiging voor vrede

Defensie-uitgaven normaliseren oorlogstaal die democratie en samenhang onder druk zet. Woorden zijn niet neutraal: ‘defensie’ verankert dreiging en paraatheid en bereidt ons voor op oorlog aan de buitengrenzen. Maar de strijd woedt ook dichter bij huis, tussen populisme en democratie, uitsluiting en solidariteit. Oorlog sluipt binnen via onverschilligheid en wantrouwen. Niet door tanks, maar door achterdocht wordt het sociale weefsel aangetast: dáár ligt de echte dreiging voor vrede.

Rechtvaardigheid als fundament

Vrede betekent niet alleen dat er geen geweld is. Vrede begint bij de aanwezigheid van rechtvaardige verhoudingen. Samenleven vraagt meer dan regels en instituties: het verzoekt om rechtvaardigheid als fundament. Niet als abstract principe, maar als dagelijkse realiteit waarin mensen ervaren dat ze mee mogen en kunnen doen, waar ze zich gezien en eerlijk behandeld voelen. Rechtvaardigheid betekent toegang tot inkomen, zorg, onderwijs en een veilige woonomgeving. Dat mensen gehoord worden, niet alleen bij verkiezingen, maar ook in buurten, scholen en instellingen. Dáár leeft de democratie en worden onze grondrechten in de praktijk gebracht.

Wanneer rechtvaardigheid ontbreekt, ontstaan er scheuren in het sociale weefsel

Wanneer die rechtvaardigheid ontbreekt, ontstaan er scheuren in het sociale weefsel. Tegenwoordig ervaren veel mensen die rechtvaardigheid niet. Ze voelen zich buitengesloten, ongezien, machteloos tegenover systemen die vooral lijken te werken voor anderen (Van der Meer & Ham 2022). Dat gevoel van onrecht is een voedingsbodem voor wantrouwen, voor polarisatie; het is de taal van dreiging van binnenuit. Juist daarom is investeren in rechtvaardige verhoudingen en dagelijkse democratie geen luxe maar noodzaak.

Sociaal werk als oefenplaats

Sociaal werkers hebben contact met mensen aan de (rafel)randen van onze samenleving, komen achter voordeuren en bouwen duurzame relaties in buurten. In buurthuizen en ontmoetingsplekken werkt sociaal werk aan vertrouwen, het serieus nemen van verschil en het moeilijke gesprek. Sociaal werk neemt de eigen kennis van inwoners over hun leefomgeving serieus en stimuleert eigenaarschap en zeggenschap van burgers. Het biedt ruimte om conflicten te onderzoeken en om te leren meedoen, verantwoordelijkheid te nemen en samen te beslissen over zaken die hen aangaan. Dat is alledaagse democratie.

Sociaal werk is te beschouwen als een democratische praktijk

Sociaal werk is dan ook te beschouwen als een democratische praktijk. En dan niet in de zin van verkiezingen of partijpolitiek, maar als dagelijkse oefening in samenleven: niet één keer in de vier jaar, maar elke dag opnieuw (Spierts & Hoijtink 2025). Daarmee stimuleert het sociaal werk onderlinge verbinding, vertrouwen en reparatie van wat beschadigd is geraakt. Omdat sociaal werkers vaak als eersten merken wanneer dat vertrouwen begint af te brokkelen. En omdat ze blijven, ook als de spanningen oplopen.

Democratie in daden

Er zijn talloze initiatieven die laten zien hoe dagelijkse democratie in buurten vorm krijgt, maar een van de meest pakkende voorbeelden zien we juist in een crisissituatie. Tijdens de overstromingen in Limburg in 2021 namen bewoners in Arcen zelf het voortouw: ze richtten een app-groep op, organiseerden dijkwachten, verdeelden zandzakken en spraken af hoe de zorg voor kwetsbare dorpsgenoten geregeld moest worden. Lokale ondernemers sloten zich aan door voedsel en materiaal te leveren. Wat hier gebeurde, was geen formele crisisstructuur van bovenaf, maar een alledaags proces van samen beslissen, verantwoordelijkheid nemen en solidariteit tonen. Zoals opbouwwerker Bob van Bergen benadrukt: ‘De dijkwachten werden niet aangestuurd van bovenaf, maar ontstonden gewoon, spontaan. Mensen voelden de urgentie en handelden meteen.’

Sociaal werk moet zich kritisch en bewust positioneren in het huidige defensiedebat

Tegelijkertijd was er al een basis van gemeenschapszin aanwezig, mede versterkt door het werk van opbouwwerkers in de jaren ervoor. Het waren precies deze vormen van directe solidariteit en lokaal eigenaarschap die volgens Van Bergen ‘een verschil maakten, veel sneller dan formele instanties hadden kunnen doen’. Dáárin herkennen we de kern van sociaal werk: het versterken van samenleven en het ondersteunen van mensen in het oefenen van verantwoordelijkheid, wederkerigheid zowel in het dagelijks leven als juist op momenten dat de druk groot is.

Sociaal werk in defensiedebat

In het midden van een samenleving waarin dreiging, verdeeldheid en wantrouwen steeds vaker het publieke gesprek bepalen, laat het sociaal werk zien dat er ook andere verhalen zijn. Verhalen van nabijheid, herstel en gedeelde verantwoordelijkheid. In buurten en straten, ver weg van beleidstafels, ontstaan kleine praktijken van samenleven die juist nu van groot belang zijn. Deze initiatieven laten zien dat sociaal werk niet alleen herstelt wat kwetsbaar is, maar ook bouwt aan een samenleving die in 2026 sterker, veerkrachtiger en inclusiever kan zijn.

Juist daarom is het zo belangrijk dat het sociaal werk zich kritisch en bewust positioneert in het huidige defensiedebat. Niet door zich te voegen naar de logica en de taal van strijd en dreiging en werken aan weerbaarheid voor een dreiging van buitenaf. Maar door een ander verhaal te vertellen. Een verhaal dat laat zien wat het betekent om in het dagelijks leven te bouwen aan vrede, door te investeren in rechtvaardige verhoudingen, gedeeld eigenaarschap en democratie in praktijk te brengen. Dáár ligt de kracht van sociaal werk.

Vredeswerk is dan ook geen nieuwe opdracht aan het sociaal werk, maar ligt in het verlengde van handelen volgens de eigen opdracht, normen en waarden. En dat verdient, ook in 2026, zichtbaarheid en politieke steun: niet voor sociale defensie, maar voor het verdedigingen van het sociale.

Mariël van Pelt is lector Sociale Veerkracht bij Fontys Hogeschool. Maja Ročak is lector Sociale Integratie bij Zuyd Hogeschool.

 

Foto: Vladimer Shioshvili (Flickr Creative Commons)