Tegenprestatie als afschrikmiddel is respectloos en vijandig

Werken in ruil voor een uitkering kan zeker zinvol en nuttig zijn, zowel voor betrokkene als voor de samenleving. Maar volgens Richard de Brabander getuigt het vragen van een tegenprestatie ook van een gebrek aan generositeit, van vijandigheid en afwezigheid van respect.

Het vragen om een tegenprestatie van bijstandsgerechtigden is niet zo stupide als wordt gezegd, stelden Thomas Kampen en Evelien Tonkens onlangs op deze site. Als mensen lange tijd langs de kant staan leidt dat volgens hen tot een negatieve spiraal van minderwaardigheidsgevoelens, onzekerheid en angst. Zij vinden het daarom ‘kortzichtig en tendentieus om de tegenprestatie als vernederend en bestraffend af te doen’. Zolang het perspectief biedt op werk, de mensen heus worden bejegend (vgl. Guido Walraven op deze site) en hun werk geen betaalde arbeid verdringt is er niets mis mee. Kampen en Tonkens achten het daarbij van belang dat politici in het publieke debat ophouden om ‘pechvogels’ als ‘klaplopers’ te bestempelen. En daar zit hem nu juist de kneep.

Met de tegenprestatie als afschrikmiddel komen we in een ‘enge samenleving’

Voor het populaire televisieprogramma De Wereld Draait Door reisde jakhals Erik op 21 november 2013 af naar Rotterdam ‘waar je moet werken voor je uitkering’. In een paar minuten weet de jakhals de vinger op de zere plek te leggen. We zien een gesprekje met een man die commercieel manager is geweest, leiding heeft gegeven aan een bedrijf en nu als tegenprestatie een dag per week papiertjes prikt. Voor hem een volkomen zinloze bezigheid, die hem niet zal helpen bij het vinden van een baan. Een andere persoon die niet herkenbaar in beeld wil vindt het vernederend om met haar hbo-diploma op zak vuil van straat te rapen.

Waarom moeten deze mensen papier prikken? Kunnen zij niet iets doen op hun niveau waardoor ze er ook zelf nog wat aan hebben? Opmerkelijk is het slot waar jakhals Erik de teamleider van Werk Loont, Yücel Kuçükbarutcu, interviewt. Kuçükbarutcu bevestigt dat er in het geheel niet wordt gekeken naar je opleiding of wat voor werk je hebt gedaan: ‘Het is één product, één traject.’ Toch vreemd, vindt de jakhals als je iets moet doen wat je niet aan een baan helpt. Wordt het misschien gebruikt als ‘afschrikmiddel’? Op die vraag antwoordt de teamleider van Werk Loont met de veelzeggende woorden: ‘Ja ook. Zeker. Inderdaad.’ Kuçükbarutcu aarzelde om het toe te geven. En dat is begrijpelijk, want daarmee bevestigt hij het vermoeden van jakhals Erik dat we in een ‘enge samenleving’ terechtkomen.

In een marktsamenleving heerst een voor-wat-hoort-wat moraal

Waar Kampen en Tonkens in hun artikel aan voorbij gaan is de implicatie van de term ‘tegenprestatie’. De argumenten vóór het vragen van een tegenprestatie getuigen van een welhaast collectieve voor-wat-hoort-wat moraal. Ook wanneer er wel maatwerk wordt geleverd, zoals bij ‘kansarmen’ die langdurig in de bijstand zitten, wordt dit in moreel opzicht als een tegenprestatie gezien: ‘We mogen best verwachten dat mensen iets terug doen voor de samenleving’. Dit bevestigt andermaal hoe de economische principes van de ruil doordringen tot alle aspecten van het menselijk handelen en dat sociale relaties primair als transacties worden beschouwd en ervaren. Niet ten onrechte typeert moraalfilosoof Michael Sandel onze westerse samenleving als een ‘marktsamenleving’. Daarin staat niet het ontwikkelen van mogelijkheden op de voorgrond, maar het boeken van resultaten; niet het algemeen welzijn, maar de concurrentie en competitie ten gunste van het eigen profijt. In deze marktsamenleving hebben de winnaars bij voorbaat het gelijk aan hun kant. Zij hebben de juiste keuzes gemaakt, de verliezers de verkeerde. Wie slaagt heeft dat aan zichzelf te danken, wie faalt heeft dat aan zichzelf te wijten.

Daar waar ‘niet kunnen’ al snel als ‘niet willen’ wordt beschouwd

Mijn punt is niet dat we mensen met een uitkering middels een tegenprestatie ten onrechte dwingen tot deelname aan onze samenleving. Nee, mijn punt is juist dat we hen een zinvolle deelname aan onze samenleving ontzeggen. Door uit te gaan van ‘één product, één traject’ wordt bijstandsgerechtigden geen ruimte gegeven zich te ontwikkelen en een bijdrage te leveren die recht doet aan wie zij zijn, aan wat ze hebben gedaan, aan hun interesses, ambities en verlangens. Alleen al dit uitgangspunt rechtvaardigt het vermoeden dat hier sprake is van een exercitie die moet afschrikken. Immers, om af te schrikken moet de gevraagde tegenprestatie juist niet tegemoetkomen aan de interesses, ambities en verlangens van de bijstandsgerechtigheden, hoe zinvol deze ook voor de samenleving zijn. Waarom wordt papier prikken wel en het thuis werken aan de journalistieke of wetenschappelijke publicatie door een bijstandsgerechtigde  niet als tegenprestatie gewaardeerd?

Als afschrikmiddel getuigt de tegenprestatie geenszins van respect tegenover de burger. Eerder spreekt er een vijandigheid uit tegenover hen die van een uitkering moeten leven, niet zelf hun broek kunnen ophalen, die ‘falen’ . Die vijandigheid is overigens niet van de laatste tijd. Als het gaat om de ondergang van de verzorgingstaat wordt vanaf de jaren negentig door politiek Den Haag met het beschuldigende vingertje naar de burger gewezen. De burger calculeert, is passief, neemt geen verantwoordelijkheid en leunt achterover. Deze retoriek van de onwil, waar ‘niet kunnen’ al snel wordt beschouwd als ‘niet willen’, verklaart mede dat tegenprestatie als afschrikmiddel wordt ingezet. Want wie  een uitkering geniet heeft dat niet alleen aan zichzelf te danken, hij houdt er ook een bedenkelijk moraal op na.

Het is bijna ondenkbaar dat we belangeloos iets voor anderen over hebben

Het vragen van een tegenprestatie getuigt van een gebrek aan generositeit. En daarmee stuiten we op een ander kenmerk van de marktsamenleving. De heersende voor-wat-hoort-wat moraal laat geen enkel ruimte voor de gift en de gave. In de marktsamenleving is het bijna ondenkbaar dat we belangeloos iets voor anderen over hebben. Zorg, bijstand en hulp worden dan nog enkel gezien als een noodzakelijk kwaad, niet als een waarde op zich die verrijkend is voor de samenleving en bijdraagt aan betrokkenheid op en interesse in anderen. Worden sociale verhoudingen gereduceerd tot ruilverhoudingen, dan ontbreekt de interesse in wie we zijn, of we nu winnaars of verliezers zijn. Een dergelijke samenleving kent alleen maar verliezers.

Richard de Brabander doet onderzoek bij het lectoraat Dynamiek van de stad van Hogeschool Inholland. In februari verschijnt van hem ‘Wie wil er nou niet zelfredzaam zijn. De mythe van zelfredzaamheid’. Apeldoorn: Garant, 2014. Met dank aan Josien Hofs.

Reacties op dit artikel (9)

  1. Ik zag nog maar weinig mensen zo dicht bij de kern van het vraagstuk ‘tegenprestatie’ komen als Richard de Brabander. Het is een venijnig onderwerp, dat door veel auteurs met een economische bril wordt bekeken, terwijl de menselijke maat aan de orde is.

    Het wordt ook hoog tijd om de categorie ‘economische pechvogels’ te onderscheiden van ‘kwetsbare burgers’. De laatste categorie mag je vooral niet aan hun lot overlaten, betoogt menigeen. Dat is inmiddels het leidende principe voor iedereen in de Bijstand.

    Ook in discussies over de Wmo worden zorgen om de kwetsbare burger voortdurend als inhoudelijk argument gepresenteerd. In werkelijkheid is ook dat fraai verpakte moraal.

    Beleid moet doorgaans afgestemd worden op gemeenschappelijke vragen van doorsnee burgers, niet op valse goedertierenheid voor kwetsbaren.

    Mij dank voor dit heldere betoog.

  2. “Immers, om af te schrikken moet de gevraagde tegenprestatie juist niet tegemoetkomen aan de interesses, ambities en verlangens van de bijstandsgerechtigheden, hoe zinvol deze ook voor de samenleving zijn”

    Maar het gaat hierbij vooral om afschrikking van al degenen die nog wel een baan hebben.
    Dit kan er met jou gebeuren als je wordt ontslagen door je baas. Je kunt maar beter goed opschieten met de baas en doen wat wordt opgedragen.
    In feite is dit een vorm van tirannie en onderdrukking van werknemers dat zij door de Staat gestraft worden als zij worden ontslagen.
    Dwangarbeid is dan hun lot.
    Werklozen die door de Sociale Diensten middels een ‘tegenprestatie’ arbeid moeten verrichten zonder recht op een normaal salaris moeten zich bij de rechter juridisch gaan verweren aangezien hier de Europese Rechten v/d Mens met de voeten worden getreden.
    Vooral voor hoogopgeleide (juridisch geschoolde) werklozen ligt hier een belangrijke maatschappelijk taak.

  3. Tegenprestatie naar vermogen voor je uitkering is een goede zaak. Maar daarbij moet er wel sprake zijn van maatwerk waarbij rekening gehouden wordt met de wensen, mogelijkheden en beperkingen van de Bijstandsgerechtigde. Anders maak je de cliënten alleen maar ongelukkiger. Verder daarbij ook van belang zijn een goede en een respectvolle bejegening van de Bijstandsgerechtigde!

  4. “Tegenprestatie naar vermogen voor je uitkering is een goede zaak”

    Deze stelling wordt niet verder onderbouwd.

    Feit blijft dat het recht op ondersteuning voor degenen die buiten hun schuld niet in hun bestaansonderhoud kunnen voorzien door de Staat middels een grondwet artikel moet worden gegarandeerd.
    Een ‘tegenprestatie’ kan dus nooit het uitgangspunt zijn voor het krijgen en houden van een bijstandsuitkering. Dit is de omgekeerde weg en is in strijd met internationale verdragen die Nederland hiervoor heeft ondertekend.

    .

  5. Over dit onderwerp een debat met voor en tegenstanders op:
    Datum: woensdag 29 januari 2014
    Tijd: inloop 19.00 uur, start 19.30
    Adres: 1ste Helmersstraat 106, Amsterdam-West

  6. In het gesprek aan de kroegtafel kent iedereen wel een gevalletje van misbruik. En voordat het volgende rondje wordt besteld wordt er instemmend geknikt als het gesprek wordt afgesloten met de welhaast klassieke zin: ‘en de politiek doet daar niets aan’. In de grote zoektocht naar verdere bezuinigingen is dit kroeggesprek toch vertaald in wet- en regelgeving en de slogan ‘participeren moet’. In de uitvoering worden nu de bijwerkingen zichtbaar. We breken laagbetaalde banen af, maar de tot participatie gedwongen burger mag natuurlijk geen concurrerende werkzaamheden doen. Gemeentes hebben nauwelijks meer gelden voor re-integratie, de sociale werkplaatsen worden afgebouwd en Wajongers krijgen een herkeuring. En hoewel het hier gaat over landelijke wetgeving, wordt de uitvoering ervan aan gemeenten overgelaten. Zij staan immers dicht bij de burger, zo is het verhaal. Maar de gemeenten zijn hierin niet belangeloos. Waar ze aan de ene kant massaal hun kwetsbare burgers aan de keukentafel gaan spreken, moeten ze aan de andere kant hun bezuinigingen realiseren. De kans is groot dat met het ontbreken van zinvolle participatiefuncties in combinatie met de grote aantallen mensen waar het over laten er weinig ruimte blijft voor een respectvolle benadering, hoe wenselijk ook.

  7. De heer R. den Brabander brengt een mooie onderbouwde analyse van het onderwerp: “tegenprestatie” ten tonele.
    Tegenprestatie mag niet het uitgangspunt zijn. Het werk moet zinvol zijn en leiden naar vaste betaalde arbeid en een bijdrage leveren aan de ontwikkeling van betrokkene.
    Daarnaast hebben we te maken met wetgeving die uitgaat van ondersteuning als men buiten eigen schuld werkloos is geworden of anderszins.

  8. Mooi betoog.

    Daar komt nog bij dat deze hele gang van zaken; afdwingen van ‘meedoen’; het verplicht stellen van een debiliserende, demotiverende tegenprestatie, de participatie samenleving en alle mooie idealen die daar mee samengaan ernstig ondermijnen!
    Zij die ‘toch al thuis zitten’ worden verplicht te participeren op een manier die geen enkel recht doet aan de individuele kwaliteiten, precies zoals ook al wordt betoogd in dit stuk. En daar kunnen we an sich al heel veel van vinden, maar dan nog dit…

    Er komen steeds meer verhalen los van mensen waarvan de bodem onder het bestaan is weggevallen nadat ze in (milde) opstand kwamen tegen het gevraagde door de gemeente, kritische vragen stelden over het nut van dit ‘re-integratie traject’ en daar een strafkorting op hun uitkering aan overhielden.
    – Want hoe bewijs je dat de gemeente jou onheus behandeld heeft?
    Hoe bewijs je dat de gemeente jou aanvraag onjuist heeft behandeld?-

    Een client van mij verwoordde het laatst zo “Ik zit hier in een soort sollicitatie training te leren hoe ik werkgevers voor het lapje kan houden en hoe ik mijn cv zó kan presenteren dat het lijkt alsof ik heel wat in mijn mars heb. Maar dat heb ik momenteel niet! Ik zit godverdomme op de onderste trede van Maslov te vechten voor mijn eerste basisbehoeften. Hoe behoud ik mijn huis, hoe zorg ik ervoor dat er niet nog meer deurwaarders tevoorschijn komen, hoe zorg ik ervoor dat ik van die strafverhoging op mijn zorgverzekering afkom die het CJIB mij heeft opgelegd waardoor ik nóg minder geld overhoudt…etc…Ik heb niet eens te vreten! omdat de gemeente mijn aanvraag nog in behandeling heeft en mij weigert een voorschot te geven! En ondertussen zit ik hier, in een traject, en ben ik verplicht te werken aan mijn persoonlijke ontwikkeling op een manier die niet bij mij past!
    Nu heb ik wegens ‘ongepast gedrag’ een eerste waarschuwing ontvangen, dus ze hebben me in het vizier. En als ik niet oppas ontzeggen ze me de toegang tot het gebouw maar dat staat volgens mij gelijk aan het ontzeggen van een uitkering.
    Ik mag dus niet mijn frustratie lijken blijken, maar ik moet opgewekt naar een baan gaan zoeken…. ik zeg het u mevrouw, ga er maar eens aanstaan…”

    Met dit nieuwe gegeven van drang en dwang – oh zo bekend in de GGZ en welke maar mondjes maat lijkt te kunnen worden bestreden- komt het ‘meedoen’ en het participeren in een kwaad daglicht te staan, het krijgt allemaal een beetje het sausje van kneusjes-arbeid en het stigma ‘dan zul je wel een loser zijn’…

    Ondertussen hou ik mijn hart vast en bid dat ik zelf nóóit door onvoorziene omstandigheden in eenzelfde positie beland…

Reageer

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *