Overleg kan zorg aan thuiswonende ouderen verbeteren

Kwetsbare ouderen hebben gemiddeld tien verschillende hulpverleners. Kun je de zorg aan thuiswonende ouderen verbeteren en tegelijkertijd de kosten in toom houden, zoals de rijksoverheid dat wil? Mogelijk, maar dan moeten hulpverleners wel meer met elkaar samenwerken.

 
In zijn onlangs gepresenteerde hervorming van de langdurige ondersteuning en zorg wees staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, Martin Van Rijn op het belang van een serieuze dialoog tussen hulpverleners en thuiswonende ouderen over de gewenste zorg en wat daarvoor nodig is (Van Rijn, 2013, p.15). Om de gevraagde zorg vervolgens ook te kunnen leveren tegen een betaalbare prijs, is volgens de bewindsman een goede afstemming tussen de diverse betrokken partijen onontbeerlijk.

Met zoveel hulpverleners is overleg haast onmogelijk

Sinds de gedeeltelijke decentralisatie van de langdurende zorg in de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) heeft de landelijke overheid de verantwoordelijkheid voor de koppeling tussen informele en formele zorg gelegd bij zorgorganisaties, gemeenten en burgers. Wat het lastig maakt is de vraag of er ook overleg plaatsvindt tussen de formele zorgverleners en de informele zoals buren en familie. Dat is wel wat de overheid veronderstelt.

Voor een antwoord op die vraag, hebben onderzoekers van de Vrije Universiteit via acht thuiszorg- en drie  vrijwilligersorganisaties in Amsterdam 75 kwetsbare ouderen en hun hulpverleners geïnterviewd. Daarnaast zijn gesprekken gevoerd met (team)managers, zorgcoördinatoren en Eerst Verantwoordelijk Verzorgenden (EVV’ers). Uit de interviews blijkt dat de 75 bevraagde ouderen vaak een heel zorgleger ter beschikking hebben, in totaal 221 informele en 191 formele hulpverleners. Uitsplitsing leert dat 8 procent van de informele hulpverleners partner is of inwonend kind, 42 procent uitwonend kind, 18 procent andere familie en 32 procent buur, vriend of vrijwilliger. De meest genoemde formele hulpverleners zijn huishoudelijke hulpen (29 procent), verzorgenden (25 procent) en verpleegkundigen (25 procent). De overige 21 procent is bijvoorbeeld casemanager, fysiotherapeut of ouderenwerker.

Uitgaande van de door de overheid geopperde veronderstelling dat meer samenwerking leidt tot betere en goedkopere zorg, is het relevant om te weten hoe vaak de genoemde formele en informele hulpverleners overleggen over de te verlenen zorg.

Wat we weten is dat kwetsbare ouderen gemiddeld tien verschillende hulpverleners hebben: zeven formele en drie informele hulpverleners. Dat betekent dat wanneer alle formele hulpverleners overleg zouden hebben met alle informele verzorgers, het gemiddelde zorgnetwerk van een thuiswonende oudere op zijn minst 21 verschillende relaties zou hebben. Dat aantal alleen al maakt het weinig waarschijnlijk dat alle hulpverleners geregeld met elkaar communiceren en overleggen. Het is ook niet nodig dat iedereen met iedereen overlegt, als sommigen maar als een brug tussen de twee delen van het zorgnetwerk fungeren. Wat bepaalt dan of en welke hulpverleners elkaar regelmatig spreken?

Hoe je gezamenlijke hulpverlening succesvol maakt

Het hebben van overleg blijkt primair afhankelijk te zijn van het ‘type’ hulpverlener. Vooral inwonende partners en kinderen overleggen als informele hulpverleners regelmatig met professionals, zoals verpleegkundigen en verzorgenden. Ook het aantal uren en het type zorg dat formele en informele hulpverleners gezamenlijk verlenen, is van invloed. Het komt er in het kort op neer dat als de formele en informele hulpverleners meer uren zorg verlenen of als ze dezelfde zorgtaken uitvoeren,ze vaker met elkaar overleggen.

Of de gezamenlijke hulpverlening ook daadwerkelijk tot het gewenste resultaat - betere en mogelijk goedkopere zorg - leidt, is afhankelijk van een aantal factoren. Zowel de formele als de informele hulpverleners noemen drie succesfactoren: behalve goede communicatie en regelmatig overleg vinden zij ook een goede taakverdeling en een evenwichtige relatie tussen de formele en informele hulpverleners noodzakelijk. Ze delen de knelpunten op ongeveer dezelfde manier in: gebrek aan overleg, verschillende opvattingen over de zorg en daardoor een niet op elkaar aansluitende taakverdeling, en relationele of organisatorische onevenwichtigheden.

Concreet uiten de moeilijkheden zich bij de formele hulpverlening vooral in een snel wisselend personeelsbestand, een gebrekkige planning, te hoge werkdruk, tijdgebrek en een slechte bereikbaarheid van vooral de formele hulpverlener. Bij de informele hulpverlening is vooral sprake van overbelasting en fysieke en psychische kwetsbaarheid. Ten slotte kan ook de manipulatieve of veeleisende oudere de zorg bemoeilijken. Wanneer de informele en hulpverleners weinig met elkaar overleggen, kan de manipulator op leeftijd hen te zijner belang gemakkelijk tegen elkaar uitspelen.

Het is evident dat de kwaliteit van de zorgverlening gebaat is bij goede onderlinge en wederzijdse relaties tussen formele en informele hulpverleners. De verhoudingen op hun beurt zijn afhankelijk van heldere taakafbakening en regelmatig overleg. Wanneer de formele en informele hulpverleners bij de start, aanpassing of uitbreiding van de zorg duidelijk maken wat hun verwachtingen zijn over regie en taakverdeling, kunnen veel problemen worden voorkomen. En daarin, in het gezamenlijk op voorhand oplossen van mogelijke knelpunten, ligt de kans om de zorg aan de hulpbehoevende oudere kwalitatief te verbeteren tegen een betaalbare prijs.

Ilse Zwart-Olde, Marianne Jacobs en Marjolein Broese van Groenou zijn verbonden aan de faculteit Sociale Wetenschappen van de Vrije Universiteit te Amsterdam. Hun concrete  aanbevelingen om samenwerking tussen formele en informele hulpverleners te verbeteren,zijn  vastgelegd in drie aparte brochures voor mantelzorgers, professionele thuiszorgmedewerkers en managers in de thuiszorg. Deze zijn te downloaden van de website: www.fsw.vu.nl/zorgnetwerk.

 

 

 

 

Reacties op dit artikel (2)

  1. Ik heb als zoon van twee dementerende ouders precies de omgekeerde ervaring: er werd eindeloos overlegd maar nauwelijks hulp of zorg verleend. Als we vroegen om een zorgplan kregen we te horen dat het gesprek daar niet voor bedoeld was, maar om onze verwachtingen helder te krijgen. Als dienstdoende artsen de crisisdienst belden kwam die gewoon niet opdagen en kregen we daarna een telefoontje dat ze inmiddels hadden overlegd met een van de twee (!) zorgtrajectbegeleiders die we toegewezen hadden gekregen.
    Ik verbaas me over de zin “uitgaande van de door de overheid geopperde veronderstelling dat meer samenwerking leidt tot goedkopere zorg” … Wat is dat voor onderzoek dat de priveopvattingen van welvarende, hoog opgeleide tweeverdieners als vertrekpunt neemt. Waarom niet eens onderzoek doen naar die mensen met drie problemen en geen hulp, die groep is vele malen groter dan de groep die teveel hulp van teveel hulpverleners krijgt. Op de een of andere manier appeleren die steeds maar weer herhaalde anekdotes over zorgdrukte (“ik kwam laatst bij een gezin waar wel tien hulpverleners over de vloer kwamen” is dan het Pinokkio-verhaal waarmee wethouders en ministers doen of ze regelmatig bij cliënten over de vloer komen) terwijl de gaten in de zorg veel zorgwekkender zijn. Ik vrees dat dit iets met de opkomst van de organisatie- en bestuurskunde te maken heeft. Bestuurders willen graag dat er één knop is om aan te sturen (een auto heeft vier stoelen, zes cylinders, 25 opbergvakjes, maar één stuur), terwijl agogen zich juist sterk moeten maken voor diversiteit.
    Het is goed dat hier onderzoek gedaan wordt, maar als je begint bij de cliënten van instellingen krijg je mensen met hulpverleners over de vloer. Overigens, als ik de getallen in het artikel nalees zijn dat er gemiddeld drie per gezin, en niet de mythische ’10’ die snijgrage bestuurders iedere keer maar weer over de borreltafel slingeren.

Reageer

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *