Verschil in Nederland: een half decennium later

Verschillen tussen mensen kunnen het leven interessant maken, maar wanneer ze leiden tot ongelijke levenskansen of sociale achterstanden is het een andere kwestie. Zulke verschillen zijn niet uitsluitend nadelig voor de mensen en groepen die aan het kortste eind trekken: ze kunnen ook negatief uitpakken voor de samenleving als geheel.

Dat doet zich bijvoorbeeld voor wanneer talenten niet tot wasdom kunnen komen, wat uiteindelijk negatief is voor de collectieve welvaart en het welbevinden van de bevolking. Het is ook denkbaar dat groeiende structurele ongelijkheid doorwerkt in tegengestelde visies op de samenleving, in meer sociale spanningen en in minder sociale cohesie.

Verschil in Nederland

In 2014 onderscheidde het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) in de studie Verschil in Nederland zes klassen in onze samenleving [1]. Dat gebeurde op basis van empirisch onderzoek naar vier typen menselijke hulpbronnen: economisch, cultureel, sociaal en persoonskapitaal (de combinatie van gezondheid, zelfvertrouwen en aantrekkelijkheid). De ‘gevestigde bovenlaag’ beschikte over het meeste kapitaal: de mensen die daartoe behoren hebben niet alleen een gunstige positie in termen van hun onderwijsniveau, werk, inkomen, en financieel vermogen, maar ook waar het hun sociale relaties, culturele inbedding en gezondheid betreft.

Het zogenoemde ‘precariaat’ bleef bij elk van de vier typen hulpbronnen juist achter op de rest van de bevolking en belandde daardoor aan de andere zijde van de kapitaalladder. Hier tussenin bevonden zich vier categorieën met elk een specifieke mix van hulpbronnen. Gerangschikt van meer naar minder totaalkapitaal werden deze respectievelijk benoemd als de jongere kansrijken, de werkende middengroep, de comfortabel gepensioneerden en de onzekere werkenden.

Verandering en continuïteit in de opdeling van Nederland

Het onderzoek is in 2019/2020, vlak voor de coronapandemie uitbrak, herhaald. Net als in 2014 werd een enquête gehouden onder een representatieve steekproef van de bevolking, waaraan administratieve gegevens (onder andere over inkomen en financieel vermogen) van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) zijn toegevoegd. In een onlangs verschenen nieuwe studie brachten we de ontwikkelingen sinds 2014 in kaart [2].

De twee klassen met de meeste hulpbronnen (de gevestigde bovenlaag en de jongere kansrijken) blijken in de loop der tijd groter te zijn geworden, terwijl de klasse met de minste hulpbronnen (het precariaat) iets kromp (zie figuur 1). De onzekere werkenden werden tussen 2014 en 2019/20 iets talrijker. De totale hulpbronnen onder de bevolking groeiden: gemiddeld werden de Nederlanders iets ‘kapitaalkrachtiger’.

Figuur 1

Veranderingen in de omvang van de zes sociale klassen, 2014-2019/2020

Bron: ViN’14; ViN’19-‘20

Ondanks dit vrij stabiele beeld zijn er enkele punten van zorg. In de onderzochte periode bloeide de economie, maar desondanks bleek de opdeling in zes klassen bestendig. Bovendien is het niet gelukt de hulpbronverschillen tussen de groepen aan de top, het midden en de onderkant substantieel te verkleinen. Afgemeten aan het totaalkapitaal werd de voorsprong van de jongere kansrijken ten opzichte van de werkende middengroep wat groter. Het precariaat had niet veel baat bij de gunstige economische omstandigheden: het is niet gelukt deze klasse aan te laten haken bij de rest (figuur 2).

Figuur 2

Veranderingen in het totale kapitaal van zes sociale klassen, 2014-2019/2020

 

Bron: ViN’14; ViN’19-‘20

Weliswaar verbeterden hun hulpbronnen in enkele opzichten (meer sociale contacten in de directe omgeving; een lichte stijging van het gemiddelde opleidingsniveau; minder mensen zonder enige digitale vaardigheid), maar de inkomens- en vermogenspositie van het precariaat verslechterde duidelijk. Dat de groep kleiner wordt hoeft niet alleen voort te komen uit verbeterde economische omstandigheden of succesvolle beleidsinterventies; selectieve mortaliteit speelt waarschijnlijk ook een rol. Van de mensen die in 2014 tot het precariaat behoorden, bleek vijf jaar later ruim 14 procent te zijn overleden; en mogelijk was die groep omvangrijker dan de aanwas van nieuwe leden gedurende de afgelopen vijf à zes jaar.

Uiteenlopende visies op samenleving en politiek

De zes klassen onderscheiden zich ook in hun blik op de samenleving en politiek. Ze plaatsen zichzelf op duidelijk uiteenlopende posities op de maatschappelijke ladder: de onzekere werkenden en het precariaat geven zichzelf gemiddeld een lagere score dan de overige vier groepen. Daarbij is het verschil tussen de onzekere werkenden en het precariaat ten opzichte van de rest groter geworden in 2019/20. Dit komt met name doordat de onzekere werkenden en het precariaat zichzelf lager plaatsen dan in 2014, ondanks dat ook hun kapitaal iets is toegenomen. Zij ervaren blijkbaar niet dat ze net als enkele andere groepen profiteren van verbeterde omstandigheden.

Leden van het precariaat en de onzekere werkenden hebben ook minder vertrouwen in andere mensen en ervaren vaker wrijving tussen groepen, zoals tussen rijke en arme mensen of tussen hoog- en laagopgeleiden. Zij vinden vaker dat het duidelijk de verkeerde kant op gaat met Nederland: respectievelijk 30 procent en 24 procent is deze mening toegedaan, tegenover ongeveer 5 procent van de jongere kansrijken en de gevestigde bovenlaag.

Voorafgaand aan de verkiezingen van 2021 was circa 20 procent van de onzekere werkenden en het precariaat niet van plan te gaan stemmen. Dit heeft waarschijnlijk te maken met een gering vertrouwen in de politiek: meer dan de helft vindt dat de overheid te weinig voor hen doet en bijna twee derde zegt geen invloed te hebben op het handelen van de regering.

We spreken van sociale klassen omdat in de praktijk wordt voldaan aan enkele theoretische criteria [2: 13-14, 45]. Bij de kapitaalopbouw van de zes groepen is sprake van een sterke multipele correspondentie, getuige de hoge waarde op de zogenoemde entropiemaatstaf (0,83). Daarnaast is de reikwijdte vrij groot: in termen van totaalkapitaal is het verschil tussen de top en de onderzijde (de gevestigde bovenlaag en het precariaat) aanzienlijk. De fragmentatie is beperkt, al is een zesdeling vanzelfsprekend minder scherp dan een dichotomie in bijv. bezitters en bezitslozen. De uitkomsten in 2014 en 2019/20 duiden op een behoorlijke mate van stabiliteit; en het onderscheid in zes kapitaalgroepen wordt bekrachtigd doordat het samenvalt met andere vormen van maatschappelijk onderscheid, zoals de uiteenlopende visies op samenleving en politiek.

Enkele beleidsimplicaties

Ook deze nieuwe studie onderstreept dat het tegenwoordig bij klassentegenstellingen niet alleen gaat over verschillen in inkomen, beroepsstatus en opleiding, maar ook om uiteenlopende culturele hulpbronnen, de netwerken waarover men beschikt, en gezondheid en aantrekkelijkheid. Dat houdt in dat de vorm waarin ongelijkheid zich aandient anders is dan vroeger.

Er moet bijvoorbeeld rekening gehouden worden met het plafond waar mensen tegenaan lopen doordat zij bepaalde culturele codes niet beheersen [3], het toenemend belang van ‘esthetische inspanning’ op de arbeidsmarkt en sociale media [4], en de gecompliceerde wisselwerking tussen gezondheid en de sociaaleconomische positie [5]. Dat betekent ook dat moderne klassentegenstellingen niet als vanzelf verdwijnen door uitsluitend in te zetten op beleid dat zich richt op inkomens (bijvoorbeeld een hoger minimumloon), de onvolkomenheden van de huidige arbeidsmarkt (bijvoorbeeld de toename van flexcontracten en zzp’ers) en een verbeterd opleidingsniveau.

Het pessimisme van de twee klassen met de minste hulpbronnen kan het voeren van beleid bemoeilijken. Het gevoel niet vertegenwoordigd te zijn en niet gehoord te worden, maakt mensen aan de onderkant van de samenleving (maar ook een deel van de groepen daarboven) soms argwanend jegens de overheid, de maatregelen die zij treft, en haar vertegenwoordigers - zelfs wanneer het beleid op de lange termijn de belangen van henzelf en hun nazaten dient. Een dergelijke beleidsresistentie kan zich ook voordoen bij andere actuele sociale vraagstukken, variërend van het terugdringen van het woningtekort en de aanpak van klimaatverandering (overgang naar duurzame energie) tot corona (vaccinatiebeleid).

De dataverzameling voor de nieuwe editie van Verschil in Nederland was nagenoeg afgerond toen de pandemie uitbrak. Het is denkbaar dat de gevolgen van de coronacrisis verschillend zullen zijn bij de zes kapitaalgroepen. Klassen die daarvoor al over veel kapitaal beschikten, zoals de jongere kansrijken, hebben hun hulpbronnen in deze periode vermoedelijk minder zien teruglopen dan de leden van de onzekere werkenden en het precariaat. Voor zover hulpbronnen door de pandemie afnamen (bijvoorbeeld door verlies van werk, erosie van sociale netwerken of een verslechterende mentale gezondheid) kunnen de kapitaalkrachtigen dat bovendien post-corona wellicht gemakkelijker aanvullen dan de groepen met weinig hulpbronnen.  Als dit zich voordoet, kan de coronaperiode uiteindelijk mattheuseffecten teweegbrengen in de Nederlandse klassenstructuur.

Stella Hoff, Cok Vrooman, Jurjen Iedema, Jeroen Boelhouwer en Jeanet Kullberg zijn onderzoekers bij het Sociaal en Cultureel Planbureau.

 

Bronnen:

[1] Vrooman, C., Gijsberts, M. en Boelhouwer, J. (red.) (2014) Verschil in Nederland - Sociaal en Cultureel Rapport 2014. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.

[2] Hoff, S., Vrooman, C., Iedema, J., Boelhouwer, J. en Kullberg, J. (2021). Verschil in Nederland 2014-2020: Zes sociale klassen en hun visies op samenleving en politiek. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.

[3] Friedman, S. en Laurison, D. (2019) The class ceiling: Why it pays to be privileged. Bristol: Policy Press.

[4] Warhurst, C. en Nickson, D. (2020) Aesthetic Labour. London: Sage.

[5] Kröger, H., Pakpahan, E. en Hoffmann, R. (2015) What causes health inequality? A systematic review on the relative importance of social causation and health selection. European Journal of Public Health, 25 (6): 951-960.

 

Foto: Bas Bogers (Straatfotografie.com)

Dit artikel is 1747 keer bekeken.

Reacties op dit artikel (1)

  1. De onderste 2 groepen hebben erg veel last van de implosie van de PVDA en links in het geheel. Arbeidsomstandigheden en arbeidsvoorwaarden voor de onzeker werkenden en het precariaat zijn verslechterd sinds 2014. Bovendien zijn de precair werkenden en onzeker werkenden vatbaar voor het rechts populisme, mede door de verschraling van de verzorgingsstaat en het permanente wantrouwen tegen bijvoorbeeld laagopgeleide mannen in de bloei van het leven die een stapeling van problemen hebben met werk vinden, bestaanszekerheid, het niet hebben van een voorvechter uit de linkse oppositie etc etc. Zie het stuk van mevrouw Meulenbelt, en ik hoop dat het gevloerde links met deze 2 groepen het gesprek echt aangaat om weer groter te worden.

Reageer

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *