Wie wil zich nu laten douchen door de buurman?

Burgers moeten meer voor elkaar zorgen. Die moeten dat wel willen en kunnen, vinden Evelien Tonkens en Jan Willem Duyvendak. We staan veel te weinig stil bij de stapsgewijze ontmanteling van de verzorgingsstaat.

De zorg moet goedkoper en de gemeenschapszin moet beter. ‘We moeten elkaar proberen te helpen voordat we de rekening naar de overheid sturen’, betoogde staatssecretaris Van Rijn (Volksgezondheid, PvdA) onlangs bij de lancering van zijn nieuwe plannen voor versobering van de langdurige zorg (NRC Handelsblad 26 april). Tegelijkertijd bezwoer hij dat ‘we mensen die echt zorg nodig hebben, niet in de steek laten’.

Wat dat precies betekent, bleef in het interview onduidelijk. Eén ding stond echter voorop: mensen moesten minder rechten claimen en zich meer van hun plichten bewust zijn. Van Rijn: ‘Het kan zijn dat een persoon alleen hulp bij het douchen nodig heeft. Of bij het boodschappen doen. Moet je dat allemaal als rechten definiëren? Eenzaamheid bestrijden met een recht lijkt me niet logisch.’

De staatssecretaris herhaalt hier een beproefde tactiek van de afgelopen jaren: wat de overheid niet meer wil betalen, noemt ze geen ‘echte zorg’, en dus kan de overheid die met een gerust hart overlaten aan ‘de gemeenschap’. Maar hoezo is hulp bij douchen of boodschappen een kwestie van eenzaamheidsbestrijding? Wie niet kan douchen, heeft hulp bij douchen nodig, geen gezelschapsdame. En hoezo zou ‘de gemeenschap’ de wekelijkse douchebeurt overnemen? Wie wil worden gedoucht door de buurman?

Er is sprake van een sociale revolutie

De herziening van de verzorgingsstaat is echter vol op stoom. Van Rijns recente plannen vormen slechts een stap in een ingrijpende sociale revolutie. Die beperkt zich niet tot de zorg, maar voltrekt zich in vrijwel alle sociale voorzieningen: van bibliotheek, buurthuis en ouderenzorg tot wijkbeheer, arbeidsre-integratie en jeugdhulpverlening.

De kern van deze sociale revolutie is dat burgers een grotere verantwoordelijkheid krijgen voor eigen en andermans gezondheid en welzijn. Zij moeten minder van de overheid verwachten en meer voor elkaar gaan zorgen, en meer voor en met elkaar doen. Dat zou goed zijn voor de gemeenschapszin en noodzakelijk voor ‘onze portemonnee’.

Deze revolutie verloopt stapsgewijs: elk jaar worden er rechten uit de AWBZ geschrapt en elk jaar verwacht de politiek meer eigen verantwoordelijkheid van burgers. Elke stap wordt gebracht als een financieel onvermijdelijke maar inhoudelijk beperkte, tamelijk onschuldige verandering. In de loop van vijftien jaar (van de invoering van de Wmo in 2007 tot pakweg 2022) gaat het echter om een totale verbouwing van de verzorgingsstaat – met zeer ingrijpende gevolgen voor alle inwoners van Nederland.

Kleine stappen, een gigantische herziening

Dit is echter geen onvermijdelijke of ‘logische’ ontwikkeling, ook al suggereren politici dit voortdurend. Er valt wel degelijk wat te kiezen. Het is dan ook hoog tijd om dat te doen, voordat we straks wakker worden in een geheel andere wereld en ons verbaasd afvragen wanneer we daartoe eigenlijk hadden besloten.

Dat het een gigantische herziening van de verhoudingen is, wordt niet meteen duidelijk. In de laatste plannen van staatssecretaris Van Rijn, aangepast na protesten van de vakbonden en vastgelegd in het zorgakkoord, gaat het bijvoorbeeld om relatief bescheiden veranderingen. Wat minder geld voor thuiszorg. Wat hogere drempels voor opname in een verzorgings- of verpleeghuis.

Hulpbehoevenden moeten, in de woorden van de staatssecretaris, ‘in huiselijke kring’ worden geholpen. Nu gaat het nog om ouderen die zelf geen boodschappen meer kunnen doen of hulp nodig hebben bij het douchen, straks gaat het ook om intensievere hulp. En zoals gezegd blijft de omwenteling niet beperkt tot de zorg. Van burgers wordt in toenemende mate ook verwacht dat zij bibliotheken, speeltuinen en buurthuizen beheren, gezamenlijk hun straat en buurt schoonhouden, criminelen weren, elkaar via een onderlinge burenhulpcentrale opvangen, in psychische nood bijstaan en nog veel meer.

Binnen ‘de zorg’ is de verandering veel groter dan alleen wat meer zorg bieden aan mensen thuis. Er zijn al zorginstellingen waar familieleden verplicht ‘vrijwillig’ diensten draaien. Verplicht vrijwilligerswerk is allang geen oxymoron meer, maar een standaardingrediënt van deze revolutie. Om de bezuinigingen op personeel op te vangen, is het namelijk heel ‘logisch’ dat mensen wegbezuinigd betaald werk als vrijwilliger overnemen. Steeds meer gemeenten gaan over tot het verplichten van vrijwilligerswerk voor bijstandsgerechtigden, inburgeraars en anderen die aanspraak maken op hulp van de overheid. Wie iets krijgt, moet ook iets terugdoen, zo luidt het nieuwe motto. Het is dus ‘logisch’ om deze plicht uit te breiden naar bijvoorbeeld Wajongers en AOW’ers.

Waarom die omwenteling?

Redenen voor deze grote sociale omwenteling zijn niet alleen geldgebrek en beoogde gemeenschapszin. Er zijn nog minstens twee andere redenen. Ten eerste is er het wantrouwen jegens de ontvanger van overheidshulp. Heeft die het echt nodig of is hij gewoon een luie profiteur, een klaploper die wel neemt maar niet geeft? Om dit wantrouwen weg te nemen, wordt iedere ontvanger tot een wederdienst verplicht.

Daarnaast speelt ook weerzin tegen de sociale sector zelf een rol. De afgelopen decennia is de sociale sector zo overgereguleerd en bekneld geraakt door prestatiemetingen, afrekenen, aanbestedingen, minuten registreren en andere bureaucratische ballast, dat informele zorg al snel veel ‘warmer’ en ‘menswaardiger’ oogt dan professionele zorg. In Noord-Italië, waar deze ontwikkeling al langer gaande is, signaleert de antropoloog Andrea Muehlebach in haar recente boek The moral neoliberal precies deze ontwikkeling: door de ‘ontmenselijking’ van de sociale sector wordt vrijwilligerswerk de enige vluchtheuvel voor ‘echte’ hulp en ‘echt’ contact.

Deze spectaculaire wending van betaalde diensten naar informeel vrijwilligerswerk en mantelzorg gaat echter niet vanzelf. De overheid kampt met het probleem dat ze meer van mensen gedaan wil krijgen, terwijl ze zelf minder te bieden heeft. Gedurende de opbouw van de verzorgingsstaat kon de overheid diensten en voorzieningen creëren, nu moet ze burgers in beweging krijgen zonder een beloning in de vorm van een dienst, recht of voorziening. En terwijl in de jaren negentig het idee nog bestond dat mensen vanzelf in beweging kwamen als de overheid zich terugtrok, realiseert de overheid zich nu dat dit nauwelijks het geval is. Dus lanceert ze een heus emotioneel offensief.

De overheid speelt op het gevoel: affectief burgerschap

De overheid weet wat ze wil: burgers moeten veel meer voor elkaar gaan doen. Dit staat niet ter discussie. Maar burgers moeten het voelen alsof ze dit uit eigen beweging doen. Immers, ze moeten zélf veel gaan doen. De overheid moet dus wel op het gevoel spelen. Mensen moeten zich moreel verplicht gaan voelen om nieuwe zorgtaken op zich te nemen. Voelen is immers een voorwaarde voor doen.

Wat de overheid aldus beoogt, is affectief burgerschap: het creëren van zorgzame burgers die door affectieve banden in beweging komen. Die positieve gevoelens koesteren voor elkaar en hun omgeving en door die gevoelens betrouwbare vervangers van betaalde krachten zullen zijn.

De overheid kan de gevoelens van burgers beïnvloeden door blijk te geven van erkenning. Niet toevallig zijn vrijwilligers en mantelzorgers de nieuwe helden: actief zijn ze, behulpzaam, zorgzaam en bovendien gratis. Vele gemeenten delen ‘vrijwilligers-complimenten’ uit.

Al die complimentjes nemen niet weg dat de gedwongen toename van ‘vrijwillige’ zorg voor een groeiend aantal mensen een zware last is. Het aantal overbelaste mantelzorgers – voor wie mantelzorg ten koste van eigen gezondheid en welbevinden gaat – nam tussen 2001 en 2008 toe van 300.000 naar 450.000, op een totaal van 3,5 miljoen mantelzorgers.

Veel mensen zorgen al voor hun naasten en doen dit, binnen grenzen, graag. Maar ze willen niet dat de overheid hen hiertoe dwingt. Voor sommige, ook intieme, handelingen zoals douchen, zijn ze liever afhankelijk van professionele hulp dan van familie. Zo meent een ruime meerderheid van de bevolking dat ‘het voor oude mensen beter is om in een tehuis te wonen dan afhankelijk te zijn van hun kinderen’ (NIDI/NKPS 02-04).

Ook sociale samenhang versterken vinden de meeste mensen belangrijk, maar opnieuw geldt hier dat dit vooral niet moet worden afgedwongen. Ze willen wel bij een gemeenschap horen, maar willen die gemeenschap bij voorkeur zelf kiezen. De hoop van de staatssecretaris dat we voor onze, willekeurige, buren gaan zorgen, is dan ook ijdel (en riskant).

De toegenomen aandacht voor het belang van mantelzorgers en vrijwilligers biedt tegelijkertijd nieuwe kansen op waardering en erkenning die zij vaak node misten. En meer aandacht voor wederkerigheid kan groepen die eerder, vaak tot eigen frustratie, slechts object van hulp en bijstand waren, mogelijkheden bieden om ‘iets terug te doen’.

Risico’s van affectief burgerschap

De nieuwe agenda van het affectief burgerschap kent echter ook een groot aantal risico’s. De genoemde overbelasting van een aanzienlijke groep mantelzorgers is er één.

Een tweede risico hangt hier direct mee samen: het beleid leidt tot nader order tot grotere sekseongelijkheid, want de meeste mantelzorgers en zorgvrijwilligers zijn vrouwen. Het extra beroep op vrijwilligers en mantelzorgers zal dus vooral bij hen terecht komen. Terwijl vrouwen zich vanaf de jaren zeventig in toenemende mate hebben bevrijd van ‘het aanrecht’ en de publieke sfeer hebben veroverd, zal dit beleid er toe leiden dat ze weer terugkeren naar de huiselijke sfeer – niet alleen naar het aanrecht, maar ook naar de wastafel en het bed.

Een derde risico is dat er grote gaten vallen in sociale voorzieningen doordat er veel te veel van vrijwilligers wordt verwacht. Zijn vrijwilligers duurzaam bereid en in staat om buurthuizen, bibliotheken en speeltuinen te runnen en burenhulp te organiseren? In eerste instantie kan dit veel enthousiasme genereren, maar onderzoek onder burgerinitiatieven laat zien dat veel complexe, veeleisende initiatieven na verloop van tijd weer verdwijnen door onderlinge conflicten die juist, doordat men vrijwillig deelneemt, hoog op kunnen lopen. Het hangt vaak op één trekker en als die ruzie krijgt of wegvalt, stort het kaartenhuis ineen.

Een vierde risico is dat affectief burgerschap feitelijk tot horig burgerschap verwordt. Dat burgers wel extra verantwoordelijkheid krijgen, maar niet de kans om mee te praten over wat ze wel en niet tot hun burgerplichten vinden horen. Over die zeggenschap is weinig geregeld. Gemeenten moeten weliswaar een Wmo-raad hebben, maar de representativiteit, invloed en reikwijdte hiervan is doorgaans beperkt.

Hoog tijd om de risico’s in te dammen

Het is hoog tijd om deze risico’s in te dammen. De overbelasting van met name vrouwelijke mantelzorgers moet worden bestreden door een actieve feministische agenda. Een gelijke verdeling van informeel burgerschap over de seksen moet het doel zijn. Belemmeringen voor mannen om hun aandeel op zich te nemen, moeten worden weggenomen. Deels liggen deze in opvattingen, deels ook in veeleisend betaalde werk. Voor dat laatste moeten eerder verworpen voorstellen voor een wettelijk recht op zorgverlof van stal gehaald en gemoderniseerd worden.

Ten tweede moeten overspannen verwachtingen van vrijwilligerswerk getemperd worden: vrijwilligers zullen niet in staat en bereid blijken om grote delen van de sociale sector over te nemen. In plaats van een naïeve overschatting van vrijwilligers is het beter om het formele werk weer ‘menselijker’ te maken, door de overmatige bureaucratisering van de sociale sector aan te pakken. Daarin liggen ook enorme kansen voor kostenbesparingen.

Ten derde is het van groot belang om burgers met meer verantwoordelijkheid ook meer zeggenschap te geven. Organisaties van patiënten en cliënten, mantelzorgers, vrijwilligers en andere actieve burgers moeten meer inspraak krijgen. Ze zouden vertegenwoordigd moeten zijn in bijvoorbeeld de SER. Bij de revolutionaire ombouw van de verzorgingsstaat staan immers niet alleen veel banen op het spel. Moet de discussie niet minstens zo vaak gaan over de vraag wie de zorgtaken die nu nog door professionals worden gedaan op zich gaat nemen.

Willen we deze ontmanteling van de verzorgingsstaat wel?

Aangezien deze risico’s groot zijn, en de veranderingen zich staps- en sluipenderwijs voltrekken, moet de discussie nog fundamenteler zijn. Willen we deze vergaande ontmanteling van de verzorgingsstaat wel? Is iedereen die roept dat mantelzorgers en vrijwilligers meer kunnen doen, zelf ook bereid dit te doen of denkt hij impliciet aan zijn vrouw, zuster of buurvrouw? Waarom zou informele zorg beter zijn dan formele? En waarom zou belangrijk werk niet gewoon betaald moeten worden?

Evelien Tonkens en Jan Willem Duyvendak zijn respectievelijk bijzonder hoogleraar Actief Burgerschap en hoogleraar Algemene Sociologie aan de Universiteit van Amsterdam. Dit artikel verscheen zaterdag 11 mei in Nrc Handelsblad.

Aanstaande donderdag en vrijdag presenteren Tonkens en Duyvendak twee boeken, die tevens verschijnen als jaarboeken van het Tijdschrift voor sociale Vraagstukken.

• Evelien Tonkens & Mandy de Wilde (2013, red.) ‘Als meedoen pijn doet. Affectief burgerschap in de wijk’, Amsterdam: Van Gennep.

• Thomas Kampen, Imrat Verhoeven & Loes Verplanke (2013, red.) ‘De affectieve burger. Hoe de overheid verleidt en verplicht tot zorgzaamheid’, Amsterdam: Van Gennep.

 

Dit artikel is 1846 keer bekeken.

Reacties op dit artikel (26)

  1. Goed stuk over de terugtrekkende overheid. Het is jammer dat de kop luidt: ‘wie wil gedoucht worden door de buurman?’ Uit onderzoek van het SCP weten we dat mantelzorg weliswaar niet geslachtsgebonden is, maar mannen zorgen vaker voor de eigen vrouw, vrouwen zorgen vaker voor een ander. Tegelijk geldt dat bij familie, anders dan de eigen (schoon)moeder, mannen vaker voor mannen en vrouwen vaker voor vrouwen zorgen.
    Terecht wordt gepleit voor meer visie op de overbelaste vrouwelijke mantelzorger. Maar laten de bewindsvoerders eens een gezamenlijke levensloopvisie formuleren. Van voormalig minister Van Bijsterveldt moeten vrouwen meer tijd aan hun kinderen en hun school besteden, van minister Plasterk moeten ouders beter opvoeden, van staatssecretaris Bussemaker moeten vrouwen vooral economisch zelfstandig worden en van staatssecretaris van Rijn moeten we vooral voor onze ouders, familie en oudere buren zorgen. Het is jammer dat een morele oproep in de plaats is gekomen van visie en structureel beleid.

  2. De zorg moet goedkoper zodat de winst nog harder kan stijgen en de elite om nog grotere voet door kunnen, ja heel logisch…en hou nou eens op met hoogleraren als experts te zien

  3. Beste Evelien en Jan Willem,

    Prima. Ik maak me ook zorgen over de veranderingen van de verzorgingsstaat maar aan de andere kant ook over de giga uitbreiding ervan. Of het nu gaat over jongeren met een of andere handicap, over de gigantische uitbreiding van de ouderen populatie en wat voor een zorg geleverd kan worden.

    De hoeveelheid geld die ermee gemoeid is is gigantisch. Meer dan onderwijs wat ik meer zie als de motor van onze samenleving. Waar is de grens van de verzorgingsstaat? Moet de overheid maar gewoon voor je zorgen? Waar is mijn eigen verantwoordelijkheid?

    Ik snap je bezorgdheid maar zie geen oplossing in dit stuk

    Vincent Everts
    Trendwatcher

  4. Eerst kleedt de overheid de gewone burgers uit. Steeds harder en langer werken voor nauwelijks meer. Dat was de oplossing. Nu het gewone volk is berooid zegt de regering: zoek het nu zelf maar uit.
    Zij weten het niet meer, maar de belastingmachine heeft groteske vormen aan genomen.
    Jarenlang heeft de politiek zichzelf op de borst geklopt dat ze zo goed en sociaal waren.
    En o.a. diezelfde regering breekt het nu zelf af.
    Want laten we nu wel wezen. Degenen die het land hielp op te bouwen was natuurlijk de overheid.
    En nu de trucendoos leeg is kan iedere slaaf de klere krijgen.
    Jarenlang werd er van de burger geprofiteerd.
    We waren misschien ook verwend, maar de overheid hield voor dat die het beste met iedereen voor had.

    Zoals de waard is vertrouwt hij zijn gasten. De overheid behandelt de burger thans als krimineel.
    Maar ze zijn zelf hartstikke misdadig bezig.
    Als alle macht straks in Brussel ligt zijn we aan de duivel over geleverd.
    Die breekt het laatste restje menselijkheid af.
    Ja, en dan zijn we weer net zo ver als 100 jaar geleden.
    Toen de mensen wel meer voor elkaar klaar stonden, maar er gewoon geen geld was en mensen al overbelast waren.
    Dit gooien de regeringen al meer dan 10 jaar weg.

    Dit is gewoon not done tegenwoordig.
    Je kunt de tijd niet meer terug draaien.
    En met een invasie van uit de arme landen schiet de levensstandaard hier terug naar de middeleeuwen.
    En dan krijg je konflikten en spanningen tussen allerlei groepen.

  5. Veranderen van denkrichting is ook een optie: terug naar de bedoeling…
    “De werkelijke uitdaging ligt er in een alternatieve manier van organiseren te vinden waardoor we betere prestaties realiseren tegen lagere kosten en juist meer in control komen door op een slimmere manier te gaan sturen.” Zie: http://www.verdraaideorganisaties.nl/samenvatting

  6. Fijn artikel, sterke titel.
    Het afbreken van de verzorgingsstaat heeft veel dimensies. Martin van Rijn is paternalistisch op zoek naar een keukentafel waar gezellig afspraken worden gemaakt – onder andere met die buurman. Vraag is of dat de keuze is: óf een volksverzekering/voorziening, óf buurt en familie. Weet de huidige regering eigenlijk wel dat Nederland kampioen vrijwiliggerswerk is?!
    Heel belangrijk is de slotzin van T&D: waarom zou belangrijk werk niet gewoon betaald moeten worden? De manier waarop wij de thuiszorg/WMO/AWBZ gereguleerd hebben heeft voorkómen dat er zoiets kon ontstaan als een service-economie. De service-economie die je elders ziet heeft zich in Nederland beperkt ontwikkeld – heeft dat wellicht te maken met de rol van de overheid in de afgelopen 20 jaar?
    Rare en wisselende productpakketen, veilingen per regio op zoek naar een monopolist. Dat is geen marktwerking, en dat is geen volksverzekering.

    Volgens mij moet je wegblijven bij catalogus en veiling. Vertel de burgers welk stukje steun wordt gesubsidieerd. Dat is een aanvraag- en indicatiecircus, maar dat is er nu ook al: het WMO-loket.
    Op de markt komen vanzelf aanbieders. Niks aanbesteden en veilen, hoogstens lichtvoetig certificeren. Die aanbieders bedenken gevarieerde diensten – stellig ook dat gesubsidieerde stukje – en vormen de aanzet tot een service-economie met passend aanbod en leuk en gevarieerd werk.

    Zie ook mijn blog “Over T-Fords en Thuiszorg”

  7. Aan het eind van het artikel wordt eindelijk de vraag achter de vraag gesteld. Het was beter geweest daarmee te beginnen. Dan had ook de vraag gesteld kunnen worden wat het alternatief moet zijn bij een negatief antwoord. Dat gebeurt nu niet. In plaats daarvan worden alle denkbare risico’s en bedreigingen opgesomd, maar ontbreekt het positieve gedeelte van de SWOT-analyse. Maar ook zonder het de burgers zelf te vragen. Ik ben het er roerend mee eens dat er een fundamentele discussie over de omslag van de verzorgingsstaat naar een nieuwe sociaal liberale samenleving plaats moet vinden. Ik heb wel een opvatting, maar nog lang geen oordeel over deze materie. Allereerst omdat deze te complex is om ze door welke hoogleraar of bewindspersoon dan ook van bovenaf te laten beschrijven. Ten tweede omdat het zelfoplossende vermogen van de burger en de maatschappij als geheel teveel lijkt te worden gewantrouwd of in twijfel getrokken. Kijk maar eens goed naar al die lokale fantastische initiatieven die door de burgers zelf worden ontwikkeld, juist zonder overheidsbemoeienis. Zonder dikke rapporten en zonder regels steken mensen de koppen bij elkaar en de handen uit de mouwen. Niet zeuren, maar zagen. Er wordt door de politiek vol overtuiging gesproken over hervormen in plaats van bezuinigen, maar ik zie alleen dat er aan een in beton gegoten systeem wordt gehakt en gebroken. Het uiterlijke beeld wel wordt vernieuwd, maar inhoudelijke veranderingen zijn marginaal en niet fundamenteel. Om met Michelangelo te spreken: een goed beeld moet je de berg af kunnen rollen, en wat er dan beneden ligt, dát is het beeld. Ga op zoek naar de verhalen van de burgers en haal daaruit de essentie op van de werkelijke behoefte van mensen die om welke reden dan ook kwetsbaar zijn. Het zou fijn zijn als er niet per deelprobleem, maar integraal zou kunnen worden hervormd. Het zou nog fijner zijn als het nieuwe systeem kneedbaar, aanpasbaar, maar vooral mensgericht en maatschappelijk ingebed kan worden, en blijven. Ik durf de gok wel aan dat het dan economisch houdbaar zal zijn en blijven.

  8. Help! Iedereen roept dat het allemaal overdreven is, dat kinderen met mentale problemen hulp nodig hebben. Of het aan de zo heel ingewikkelde samenleving ligt, of dat er toch iets is met een kind, interesseert me eigenlijk niet. Hoewel, de dwang van mijn stiefzoon met licht autisme is extreem. Mijn vriend gaat totaal op in de zorg voor zijn zoon, vooral nu zijn ex-vrouw het niet meer aan kan. Dat zij het niet meer aan kon was eigenlijk ook de reden dat mijn vriend bij haar weg ging.

    Nu gaat mijn vriend totaal in zijn vaderlijke zorgtaken op – plus de zorg voor zijn hoogbejaarde moeder. Mij ziet hij wekenlang niet staan, wat ik ook doe, ik kan nergens zijn aandacht mee krijgen. Een kort gesprek van tien minuten is hem al te veel en hebben we weken al niet meer gehad. Ik houd het beschaafd, en blijf hem trouw, maar dat wordt steeds moeilijker.

    Ik krijg nu door hoe het werkt. Ouders van kinderen met psychische problemen zijn ongelooflijk zwaar belast, doorlopend uitgeput. Maar de problemen liggen volgens mij niet aan hen, ze zijn op zich mans genoeg om hun eigen ‘gezinscoach’ te zijn. De problemen van de jongen zijn zo uitgesproken en mijn vriend is zo normaal, dat het niet aan hem zal liggen. Zijn ex-vrouw is ook heel normaal, maar volledig opgebrand. maar altijd extreem vermoeid omdat de zorg voor het kind zo veel energie kost. De jongen is namelijk niet in staat rekening met iemand te houden, dagelijks zwaar in paniek en zeer dwangmatig.

    Het lijkt of deze ouders gedoemd zijn om hun leven zonder partner te slijten, die kunnen ze er echt niet meer bij hebben. En intussen roept de samenleving dat er niets met de kinderen aan de hand zou zijn. Dat wil ik niet beweren, maar mijn stiefzoon kan intussen vaak nauwelijks naar school.

  9. Mantelzorg wat is dat eigenlijk. Ik heb altijd gedacht dat de bedenker van het woord mantelzorg er mee bedoelde een schakel te zijn tussen zorgvragende en professionele zorgverlener. Vrijwillig. Het betekent niet dat je je eigen leven moet opofferen. Het is niet de bedoeling dat je huis en haard moet opgeven om je ouders te verzorgen of je buurman. De zorg voor een ander dragen kan niet anders dan de bedoeling zijn dat je niet alleen op de wereld bent. De een heeft de ander nodig we moeten het samen doen. Ik voel het zo we gaan de mist in als we in een tredmolen gaan lopen achter het grote geld aan. En dat is al jaren aan de gang. Het evenwicht is zoek.

  10. Twee effecten van mantelzorg en mindere mate van vrijwilligerswerk die niet genoemd worden zijn kapitaal vernietiging want mensen kunnen hun potentieel niet benutten door gebrek aan tijd en een lagere arbeidsproductiviteit omdat mensen oververmoeid raken. Daarnaast laat de monitor huiselijk geweld zien dat sinds enkele jaren ouderen mishandeling door (overspannen) mantelzorgers een groot probleem is.

  11. Niet alleen vrouwen lopen een groot risico op een onevenredig deel van de niet meer betaalde zorgtaken, dat geldt ook voor 45-plussers die hun werk kwijtraken.
    Ouderen komen veel minder gemakkelijk aan een nieuwe baan, ook wanneer er met hun cv en recente werkervaring weinig mis is. Vooroordelen zijn taai, en hebben grote effecten.
    Daarmee dreigt een groot deel van de generatie na de babyboomers hun werkzame leven te eindigen als verplicht vrijwillig zorgmedewerker, onder de armoedegrens.

  12. Ik kijk dan zo af en toe naar de miljoenen(miljarden)nota, waarvan zorg en sociaal zekerheid de laatste jaren dik de helft toekomt (zo’n 150 miljard eu) en denk dan “Zóóó? Dat moeten we in de toekomst dus allemaal zelf gaan doen?”

    Dat kan dus niet: aan de ene kant de burger zelf alles op laten lossen en aan de andere kant hem en haar alle publieke goederen ontnemen. Wáár moet die burger dat dan van doen? [overdreven voorbeeld]: Stel ik moet niet alleen voor m’n kinderen zorgen maar ook voor m’n ouders en m’n buren. Ze hebben het koud dus ik wil in het bos een boom omhakken om het hout te kunnen branden. Maar dat bos en die bomen zijn ofwel van de overheid dus afblijven òf ondertussen verkocht aan en geprivatiseerd door een klein groepje rijke gladjakkers. En hetzelfde geldt voor (land-)bouwgrond, drinkwater, viswateren enz. Ik probeer geen communist te zijn hoor maar waar zijn de publieke goederen?!? Je weet wel, àl die dingen (gas, water, elektriciteit, Inet, transport, zorg, huisvesting, defensie enz.) waar IEDEREEN baat bij heeft als die goed geregeld zijn? Op deze manier wordt de samenleving zelf “overbevist” totdat er ook voor de rijken en machtigen niks meer te plukken is omdat ze hun eigen vee hebben laten verarmen.

    Iedereen heeft er baat bij dat sommige dingen van ons allemaal zijn en door de overheid ondersteund worden. Als dat hier en daar wat oneerlijke marktpositie oplevert vind ik dat prima, omdat het zichzelf terugbetaalt in externaliteiten.

    Probleem van privatiseren van publieke goederen en diensten is dat je het maar één kan kan weggeven/ verkopen. Geschiedenis laat zien dat bij het terugpakken ervan door “het volk” nogal wat bloed kan vloeien.

    Wat meer democratische overheid in dingen als zorg en zekerheid lijkt me wijs.

Reageer

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *