WRR: Ongelijkheid is ook in Nederland een kwestie

Hoe ongelijk is Nederland? Dat is de titel van een nieuwe verkenning van de WRR, die morgen verschijnt. Wat zijn de gevolgen van economische ongelijkheid voor economische groei en de samenleving? De econoom Thomas Piketty heeft het debat over economische ongelijkheid opnieuw aangezwengeld.

Al eerder wezen internationale organisaties zoals de OESO en het IMF en de wereldleiders op het World Economic Forum (WEF) in Davos er op dat toenemende ongelijkheid weer een belangrijke kwestie is. En volgens Obama is ‘inequality the defining challenge of our time’. Hij wijst daarbij natuurlijk naar de VS, waar de afgelopen decennia de kloof tussen de allerarmsten en allerrijksten fors is toegenomen. Ook de Fransman Piketty schrijft in zijn vergelijkende studie niet over Nederland. Maar betekent dit dat wij het internationale debat met een gerust hart van ons af kunnen laten glijden? Hoe ongelijk is Nederland eigenlijk, een land met internationaal een reputatie van gelijkheid?

Het antwoord op de vraag hoe ongelijk Nederland is, kan niet in één zin worden samengevat. Het ligt er maar aan waarmee je vergelijkt (andere landen, het verleden) en waarnaar je kijkt. Vaak wordt als standaardmaat gekeken naar de Gini-coëfficiënt, waarbij 0 een situatie van volledige gelijkheid uitdrukt en 1 van volledige ongelijkheid. Met een score van 0.29  in 2010 is de Nederlandse inkomensongelijkheid relatief stabiel en internationaal laag (0.31 is het gemiddelde van de OESO-landen). Dat komt vooral door ons redistributief beleid, oftewel onze herverdelende sociale zekerheids- en belastingstelsel. Net als in andere landen, zoals de VS, worden de loonverschillen in Nederland steeds groter (De Beer 2014), maar de verzorgingsstaat compenseert dat in belangrijke mate – al geldt dat steeds minder voor de beroepsbevolking en meer voor de gepensioneerden (Caminada et al. 2014).

Maar er is nog iets. Zoals Piketty (2014:270) schrijft is ‘the way one tries to measure inequality (..) never neutral’. De maat waarmee vaak wordt gemeten – de Gini – meet vooral het wel en wee in het middensegment van de inkomensverdeling. Nemen we bijvoorbeeld een andere, steeds vaker gehanteerde maat, ‘de kloof tussen de bovenste en onderste tien procent van de inkomensverdeling’,  dan zien we in Nederland sinds 1977 en vooral sinds 1985 wel degelijk toenemende ongelijkheid: het verschil tussen de top en onderkant is in 35 jaar met ruim 60 procent gegroeid (Salverda 2014).

Bovendien: economische ongelijkheid gaat – en dat is één van de verdiensten van de studie van Piketty – ook over vermogen, het bezit van mensen. Net als in veel andere landen – de VS en het VK – heeft in Nederland 1 procent van de bevolking nagenoeg een kwart van het totale vermogen in handen. Dat komt onder andere doordat het steeds beter lukt om geld te verdienen met geld. De onderste 60 procent daarentegen heeft bij elkaar opgeteld 1 procent van het vermogen. Door de verzorgingsstaat hebben mensen in ons land weinig gespaard. Ze hebben wel pensioenvermogen, maar ook dat is ongelijk verdeeld, en je kan er niet vrij over beschikken (Van Bavel 2014).

Gevolgen van ongelijkheid

Is deze mate van economische ongelijkheid in Nederland nu erg? Daar kan op twee manieren naar worden gekeken: op een morele en een instrumentele wijze. Filosofen buigen zich al eeuwenlang het hoofd over deze vraag en geven verschillende antwoorden, maar met één constante: ongelijkheid an sich is niet altijd erg, het gaat om de mate en vorm. Zo zegt Rawls dat ongelijkheid niet moreel verwerpelijk is, als mensen aan de onderkant er ook maar op vooruitgaan. En Sen benadrukt dat vooral gelijkheid aan de start van belang is. Als mensen maar in gelijke mate door de overheid worden toegerust (bijvoorbeeld met voldoende onderwijs), dan mag de eindstreep voor iedereen anders liggen.

Maar er is nog een tweede manier om naar ongelijkheid te kijken: heeft ongelijkheid misschien ook nadelige maatschappelijke gevolgen, voor de economie en/of de samenleving? Dat is een instrumentele benadering van ongelijkheid. In hun baanbrekende werk The spirit level laten Wilkinson en Pikett (2009) zien dat gelijke uitkomsten toch wel van belang zijn omdat inkomensongelijkheid negatieve effecten heeft op tal van terreinen. Een grote mate van inkomensongelijkheid is nadelig voor criminaliteit, geestelijke en psychische gezondheid, sociale mobiliteit etc.

Op hun studie valt heel wat (wetenschappelijk) af te dingen, maar Europees vergelijkend onderzoek van Herman van de Werfhorst (2014) komt tot een aantal (maar niet alle) van dezelfde conclusies. Zo pakt grote inkomensongelijkheid inderdaad nadelig uit voor sociale stijging; wie de Amerikaanse droom wil beleven kan beter naar Denemarken verhuizen, waar de inkomensongelijkheid laag is. Bovendien leidt meer inkomensongelijkheid tot minder sociaal vertrouwen: economische afstand leidt ook tot meer sociale afstand. En ook tot minder politiek vertrouwen: bij grote ongelijkheid neemt het vertrouwen in bijvoorbeeld de rechtsstaat en het parlement af bij alle burgers – dus niet alleen die aan de onderkant van de inkomensverdeling.

Bij deze instrumentele benadering is het ook relevant na te gaan wat de gevolgen zijn van ongelijkheid voor  economische groei (Went 2014). In het verleden werd door economen altijd verwezen naar de Kutznetscurve: als een land zich ontwikkelt is altijd tijdelijk sprake van ongelijkheid, dus dat hebben groeiende economieën voor lief te nemen. Maar inmiddels zijn er sterke aanwijzingen dat economische ongelijkheid nadelig kan uitpakken voor de economie. Bijvoorbeeld omdat de rijkste 1 procent maar een klein deel van hun inkomen consumeren (wat leidt tot minder effectieve vraag) en meer politieke invloed uitoefenen in hun eigen (financieel) belang, en daarbij wel eens het algemeen belang uit het oog te verliezen.

Economische ongelijkheid is niet alleen zaak overheid

Uit deze instrumentele benadering valt geen ‘perfecte’ mate van ongelijkheid (een ‘break even point’) te distilleren: dat is en blijft uiteindelijk een politieke keuze. Toch kunnen we wel één beleidssuggestie doen over het instrumentarium dat vaak wordt ingezet. Wie economische ongelijkheid wil verkleinen, kijkt meestal naar redistributieve instrumenten. Een voorbeeld daarvan is meer belasting te heffen op inkomen uit vermogen en minder op arbeid. Maar er kan ook meer aandacht worden besteed aan ‘predistributie’: het streven naar vermindering van de loonverschillen op de arbeidsmarkt, in plaats van deze achteraf te ‘repareren’ met het belasting- en socialezekerheidsstelsel. Concreet kan predistributie bijvoorbeeld vorm krijgen via wettelijke loonregelingen (minimumlonen en toplonen) en in cao-onderhandelingen (waarin de sociale partners een cruciale rol hebben), via het hervormen van ondernemingen (bijvoorbeeld naar associaties en coöperaties), en via consumentendruk (consumenten kunnen bijvoorbeeld bewust kiezen voor producten van ondernemingen met geringe loonverschillen). Sociale partners, bedrijven en consumenten kunnen dus ook een rol spelen bij het vormgeven van de gewenste mate van economische ongelijkheid.

Economische ongelijkheid is, kortom, niet alleen een onderwerp voor de Amerikaanse, Franse of internationale agenda. Hoewel de inkomensongelijkheid – althans gemeten met de Gini-coëfficiënt – in Nederland in internationaal perspectief laag is, geldt dat niet voor vermogensongelijkheid. Ook is de inkomenskloof tussen de onderkant en de bovenkant gegroeid. Daarom is het ook in Nederland van belang aandacht te besteden aan de potentiële gevolgen van ongelijkheid – die iedereen kunnen raken en niet alleen de allerarmsten – en in gesprek te zijn over de gewenste vorm en mate van ongelijkheid. En hoe die te bereiken.

Monique Kremer, Robert Went, Mark Bovens schreven de WRR-verkenning 'Hoe ongelijk is Nederland?'

 

Literatuur

Bavel, B. van (2014) ’Vermogensongelijkheid in Nederland. De vergeten dimensie’, in M. Kremer, M. Bovens, E. Schrijvers en R. Went (red.) Hoe ongelijk is Nederland? Een verkenning van de ontwikkeling en gevolgen van economische ongelijkheid, Amsterdam: aup.

Beer, P. de (2014) ‘Groeiende beloningsverschillen in Nederland’, in M. Kremer, M. Bovens, E. Schrijvers en R. Went (red.) Hoe ongelijk is Nederland? Een verkenning van de ontwikkeling en gevolgen van economische ongelijkheid, Amsterdam: aup.

Caminada, K., J. Been, K. Goudswaard en M. de Graaf-Zijl (2014) De ontwikkeling van inkomensherverdeling in Nederland 1990- 2012. Department of Economics Research Memorandum 2014.02, Leiden: Universiteit Leiden.

Cassidy, J. (2013) ‘American inequality in six charts’, The New Yorker. 18 november.

Kremer, M., M. Bovens, E. Schrijvers en R. Went (red.) (2014) Hoe ongelijk is Nederland? Een verkenning van de ontwikkeling en gevolgen van economische ongelijkheid, Amsterdam: aup.

Kremer, M. en E. Schrijvers (2014) ‘Waarom inkomensongelijkheid nadelig uitpakt voor iedereen. Een gesprek met Richard Wilkinson’, in M. Kremer, M. Bovens, E. Schrijvers en R. Went (red.) Hoe ongelijk is Nederland? Een verkenning van de ontwikkeling en gevolgen van economische ongelijkheid, Amsterdam: aup.

oeso (2013) Crisis squeezes income and puts pressure on inequality and poverty. New Results from the oecd Income Distribution Database. Parijs: oeso.

Piketty, T. (2014) Capital in the Twenty-First century. Harvard University Press.

Salverda, W. (2014) ‘De tektoniek van de inkomensongelijkheid in Nederland’, in M. Kremer, M. Bovens, E. Schrijvers en R. Went (red.) Hoe ongelijk is Nederland? Een verkenning van de ontwikkeling en gevolgen van economische ongelijkheid, Amsterdam: aup.

Went, R. (2014) ‘Inkomensongelijkheid en groei’, in M. Kremer, M. Bovens, E. Schrijvers en R. Went (red.) Hoe ongelijk is Nederland? Een verkenning van de ontwikkeling en gevolgen van economische ongelijkheid, Amsterdam: aup.

Werfhorst, H. van de (2014) ‘Politieke en sociale gevolgen van inkomensongelijkheid’, in M. Kremer, M. Bovens, E. Schrijvers en R. Went (red.) Hoe ongelijk is Nederland? Een verkenning van de ontwikkeling en gevolgen van economische ongelijkheid, Amsterdam: aup.

Wilkinson, R. en K. Pickett (2009) The Spirit Level. Why Equality is Better for Everyone. Londen: Pinguin Books.

 

Foto: Bas Bogers

Dit artikel is 2106 keer bekeken.

Reacties op dit artikel (2)

  1. Dat mensen ‘door de verzorgingsstaat in ons land weinig hebben gespaard’ vind ik voor de hand liggend.. De verzorgingsstaat lijkt me een vorm van collectief sparen. Men betaalt, iedere maand of jaar, premies tegen onder meer werkloosheid en ziektekosten. Weliswaar kan men hierover niet vrij beschikken, maar wel als de ‘nood aan de man/vrouw komt’. Ook de maandelijkse hypotheekrente voor huis(vesting) of vormen van pensioensparen dienen daarvoor.
    En dan komen we weer op de centrale problematiek rond vermogensongelijkheid. Het knelt vooral als 1 procent (of 10 procent?) onevenredig economische en politieke macht verwerft doordat ze wel ‘profijtelijk’ kunnen ‘sparen’.

  2. Eerlijkheid en Hoop
    In de discussie over ongelijkheid valt mij op dat de werkelijkheid eendimensionaal wordt weergegeven en er niets gezegd wordt over eerlijkheid en hoop.
    In de regel zijn mensen geneigd ongelijkheid tot op een zekere mate te accepteren (soms heb je geluk en soms heb je pech) maar oneerlijkheid niet en als mensen geen uitweg meer zien worden ze bang en boos.

    In onze hersenen hebben we evolutionair twee systemen ingebouwd gekregen (grofweg): een sociaal systeem, gericht op vertrouwen en samenwerking (serotonerg) en een competitief systeem (dopaminerg), gericht op dominantie. Wanneer omstandigheden te slecht worden om te overleven of wanneer er veel stress is, bijvoorbeeld als gevolg van deprivatie of oneerlijkheid, krijgt ons dopaminerge systeem de overhand met op samenlevingsniveau minder tolerantie, minder samenwerking en meer ieder voor zich. De sociale smeerolie verdwijnt, mensen geven de moed op en worden minder gevoelig voor morele waarden en straf (zie voor een bespreking van effecten van straf: van der Helm, Beld & Stams, 2014).

    Gebrek aan systemische eerlijkheid in de samenleving (bijvoorbeeld machtsmisbruik, corruptie, zelfverrijking) zoals bij banken, woningcorporaties en overheden hebben tot gevolg dat anderen dat voorbeeld gaan volgen (deel worden van het systeem), er een excuus in vinden voor eigen deviante praktijken of er tegen in opstand komen, met als gevolg een nieuwe strijd om dominantie, afname van onderling vertrouwen en samenwerking en ieder voor zich. Het gaat dan niet alleen om verwoestende oorlogen en daarbij gepaard gaande wreedheden (dopaminerg), maar ook om bijvoorbeeld massale insluiting van minder dominante bevolkingsgroeperingen (VS).

    Het is allemaal geen raketwetenchap, mensenkinderen hebben eten, onderling contact en een dak boven hun hoofd nodig en daarnaast hoop op een betere toekomst die hun niet wordt ontstolen door oneerlijkheid.

    Peer van der Helm, lector residentiele jeugdzorg aan de Hogeschool Leiden.

    Referentie:
    Helm,G.H.P., Beld, M. & Stams, G.J.J.M. (2014). De hardnekkige mythe dat straffen helpt bij opvoeding in de gesloten jeugdzorg (The enduring myth that punishments aids upbringing in residential youth care). Tijdschrift voor Orthopedagogiek: Onderzoek en Praktijk, 4, 164-175.

Reageer

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *