#11 – Voedingsbodem participatiesamenleving is dor en droog

Serie

Nabij is beter. Decentraal denken en doen

In samenwerking met KING (Kwaliteits Instituut Nederlandse Gemeenten) en de VNG halen Pieter Hilhorst en Jos van der Lans verhalen en ervaringen op over de vraag of de decentralisaties op de werkvloeren van de samenleving daadwerkelijk de vernieuwing op gang brengen die ze hebben beloofd. Elke twee weken rapporteren zij daarover op socialevraagstukken.nl en nodigen zij mensen uit om mee te denken.
Als we de informele zorg echt een volwaardige positie willen geven, moeten we serieus nagaan welke sociale infrastructuur daarvoor nodig is. Dat gebeurt nu te weinig, menen Jos van der Lans en Pieter Hilhorst. De discussie blijft steken in een meer/minder-debat.

Een van de beloften – misschien is het beter om te spreken van ambities – die zich met de decentralisaties over het land verspreiden is dat er een nieuwe wisselwerking tot stand komt tussen de formele (professionele, institutionele) en de informele (burgerkracht, vrijwilligers, burgerinitiatieven) zorg. In onze essaybundel Nabij is beter omschrijven wij het zo: ‘De decentralisaties geven vorm aan een andersoortige horizontale en gelijkwaardiger verhouding tussen professionals en burgers/amateurs (sociale netwerken, informele zorg).’

Het klinkt wat plechtig, maar de formulering luistert nauw. Want nogal eens wordt de wisselwerking omschreven als een vorm van communicerende vaten. Daarin gaat er wat er aan de ene kant bij komt, er aan de andere kan vanaf. Dus door een groter beroep te doen op de informele zorg kan het met de informele zorg een stuk minder. Als meer vrijwilligers zorgtaken overnemen dan hebben we minder professionals nodig. Die voorstelling van zaken blokkeert een scherp debat over waar het werkelijk om zou moeten gaan: namelijk een fundamenteel andere organisatie van de zorg.

Blijven steken in schrale retoriek

Dat misverstand wordt hardnekkig in stand gehouden door onachtzame formuleringen in beleidsverhalen, in de media, in WMO-nota’s en voordrachten van ministers, staatsecretarissen, wethouders, politici en ook wetenschappers, waarin bezuinigingen (die de facto leiden tot minder formele zorg) tegenover een grotere inzet en betrokkenheid van burgers worden gezet. Het is alsof het officiële beleid mensen even op een idee moet brengen (goh, zou je niet wat meer kunnen doen) in de verwachting dat iedereen dat min of meer spontaan gaat doen. Precies die veronderstelling wordt door de tegenstanders bijna lacherig betwijfeld (‘Wie wil zich nu laten wassen door de buurman?’). Het probleem is dat de discussie daar zo ongeveer mee ophoudt. Op geen enkel ander beleidsterrein zou men met zo’n schrale retoriek potten kunnen breken, maar op het terrein van de zorg is dit het dominante vertoog. Er wordt niet of nauwelijks doorgegraven door de media, serieus verdergaand politiek debat ontbreekt.

Als we het midden- en kleinbedrijf in dit land willen stimuleren, dan volgt er een pakket fiscale maatregelen, investeringssubsidies en gunstige kredietmogelijkheden, maar als we de informele zorg willen versterken volstaan we dus met een verbale oproep. Als we een industrieterrein aanleggen dan tasten we diep in de buidel voor een goede fysieke infrastructuur, maar als we de participatiesamenleving willen bevorderen dan zwijgen we in alle talen over de daarbij horende sociale infrastructuur.

Liever fraudebestrijden dan zorgzaamheid bevorderen

Zo kan het gebeuren dat mensen op hun uitkering gekort worden als zij bij iemand in huis gaan wonen (of er iemand bij hen in huis komt wonen) om zorgtaken te kunnen verrichten, want de beleidsangst voor fraude is nog altijd vele malen groter dan de beleidsdrang om onderlinge zorgzaamheid te bevorderen. Zo kan het gebeuren dat een zzp’er die met een groot deel van zijn vermogen een huis in de buurt wil kopen om met vrouw en kinderen nabije zorg voor zijn op leeftijd zijnde ouders mogelijk te maken van geen enkele bank medewerking krijgt om een risicoloze hypotheek af te sluiten, simpel en alleen omdat hij zzp’er is. Zo kan het gebeuren dat een vrouwennetwerk in een buurt waarin een schat aan zorgzaam vermogen ligt opgesloten uit hun ontmoetingsruimte wordt gezet omdat de gemeente marktconforme huren gaat vragen – een probleem dat zich in tal van gemeenten voordoet. Zo kan het gebeuren dat een mentor die door de ene tak van de jeugdzorg in een centrale positie is gezet bij de begeleiding van een jongere door een andere tak niet eens gehoord wordt als er ingrijpende beslissingen genomen moeten worden (‘want wij gaan daarover’). Zo willen woningcorporaties geen garantiestellingen van familieleden accepteren bij mensen met huurschulden uit het verleden – te ingewikkeld, te riskant, ze werken kennelijk liever met incassobureaus.

Het zijn zomaar een paar voorbeelden die wij in onze omzwervingen bij gemeenten tegenkomen. De reeks kan eindeloos uitgebreid worden. Je kunt het ook in één woord samenvatten: hypocriet. Als we de informele zorg echt een volwaardige en gelijkwaardige rol willen laten spelen in de organisatie van de zorg, dan moeten we weg van de werkelijkheid waarin het louter als iets aardigs, als een vorm van altruïsme, of zelfs als burgerplicht wordt gezien. Dat is volkomen ontoereikend.

Huidige debat zaait scepsis

Als we het echt serieus willen aanpakken moeten we een einde maken aan alle regelingen die daaraan contraproductief zijn. Dan moeten politiek, beleidsmakers en bestuurders eindelijk systematisch gaan nadenken over wat er nodig is om informele krachten in de samenleving daadwerkelijk een gelijkwaardige rol te geven. Dan moeten we onze uitkeringsregimes zo inrichten dat ze dat niet langer direct bestraffen maar stimuleren als mensen zich dienstbaar tonen op het terrein van onderlinge zorg. Dan moeten we de fiscaliteit zo inrichten dat mensen voordeel kunnen hebben als ze zorgverantwoordelijkheid dragen. Dan moeten we garantieregelingen mogelijk maken, fiscaal en juridisch nieuwe collectieve arrangementen op de kaart zetten. Dan moeten we al onze creativiteit inzetten om onze samenleving ook daadwerkelijk zo in te richten dat het een uitnodigende en stimulerende realiteit wordt om onderlinge zorg tot stand te brengen. Die werkelijkheid is nog ver weg.

Het gevolg is dat mensen sceptisch worden over de participatiesamenleving. Het zijn in hun ogen praatjes voor de vaak. Mensen hebben namelijk heel goed door dat bomen niet groeien door heel hard aan de takken te trekken. Bomen groeien door ze van water te voorzien. En precies dat is wat er ontbreekt aan de discussie over de participatiesamenleving en het versterken van de informele zorg. Er wordt wel over gesproken, maar de voedingsbodem wordt dor en droog gehouden.

Pieter Hilhorst is politicoloog en publicist, tot maart 2014 was hij wethouder in Amsterdam; Jos van der Lans is cultuurpsycholoog en publicist. De grondslag voor deze rubriek vormt hun essaybundel Nabij is beter. Essays over de beloften van de 3 decentralisaties. (Den Haag: KING/VNG, 2013).

Hilhorst en Van der Lans doen ook mee aan het Nationaal Laboratorium ‘Burgers, buitenlui en beleidsmakers’ op 6 november.

Foto: Johan Wieland (Flickr Creative Commons)

Reacties op dit artikel (4)

  1. Ik vrees dat de hervatting van grootschalige sloop/nieuwbouw in en rond Amsterdam – of elke andere grote stad – ook weinig bevorderlijk is voor de instandhouding of verbetering van de sociale infrastructuur die voor de kennelijk zo gewenste participatiesamenleving toch nodig is. Is grootschalige sloop/nieuwbouw niet ook enorm duur?

  2. Goed stuk. Alleen denk ik niet dat je er (alleen) met fiscale regelingen en dergelijke komt. Het grote vraagstuk is een cultuurdraai bij de mensen die bij de gemeente werken. Daar zal veel meer naar de mensen zelf geluisterd moeten worden. Ik blijf het een vreemd gegeven vinden dat social work out reachend moet zijn, bottom up en present: onderzoek na onderzoek toont dit aan. Tegelijk mag er blijkbaar nog steeds hautain en top down, zonder overleg met de mensen om wie het draait, gewerkt worden door ambtenaren bij de gemeente. Vergelijk het met aderlaten, terwijl er allang zoiets als moderne geneeskunde is.

  3. Pieter Hilhorst en Jos van der Lans hebben volkomen gelijk met hun stuk, alleen was iets anders te verwachten?

    Met minder geld meer zorgzaamheid en waar moet die ‘nieuwe zorgzaamheid’ dan vandaan komen, zeker als het gaat om meer dan een kopje koffie? Over die praktische en ethische dilemma’s is niet of nauwelijks nagedacht. Een voorbeeld uit de praktijk: een gezin neemt een verwante probleemjongere op na een keukentafelgesprek en vervolgens wordt door hem en zijn vrienden het huis leeggehaald. Wie is verantwoordelijk (verzekering betaalt niet uit bij gebrek aan braaksporen)?

    En als er een conflict ontstaat: gemeenten houden graag controle (anders zijn er mogelijk politieke problemen in het korte termijn functioneren). Hoe kan je als burger participeren zonder controle, zeker als er conflicten ontstaan? De gemeente zegt terecht dat zij democratisch gekozen is en geld van het Rijk krijgt en daarom gelijk heeft, de Nationale Politie zegt terecht dat ze de wet moet handhaven en daarvoor betaald wordt door het Rijk en de participerende burger? Die trekt aan het kortste eind, krijgt geen geld (en kan meestal ook geen advocaatkosten betalen).

    En wat als participerende burgers over de schreef gaan of door gebrek aan kennis ongewild een calamiteit veroorzaken? Is er een WA verzekering voor participerende burgers zoals voor hulpverleners? Wie ziet daar op toe?

    Kortom veel vragen waar geen antwoord op is. Pieter Hilhorst en Jos van der Lans hebben volkomen gelijk, participatie is een groot goed, maar vergt bij de huidige inrichting van de samenleving nog wel enig denkwerk in plaats van retoriek.

    Peer van der Helm is lector bij het Expertisecentrum Jeugd van de Hogeschool Leiden

Reageer

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *