We zijn nog nooit zo gelijk geweest, althans in Nederland. Dat klinkt wellicht onwaarschijnlijk maar ook in de academie, toch gekenmerkt door hiërarchie en traditie, zet de tendens naar meer gelijkheid door. Zo was er recent nog een campagne onder het motto ‘iedereen professor’.
Hoe te begrijpen dat we niet alleen nog nooit zo gelijk geweest, maar ook opmerkelijk uniform in onze standpunten? Ik zal deze ontwikkeling van groeiende gelijkheid en toenemende uniformiteit in de komende veertig minuten onderzoeken, ook al omdat veel mensen de recente periode anders hebben ervaren. Zij ‘voelen’ toegenomen ongelijkheid en polarisatie. Ik stel me onder andere de vraag waarom onze gevoelens over de samenleving steeds meer losgezongen raken van de feitelijke situatie.
Er is niet voor iedereen plaats op de universiteit en niet iedereen voelt zich er thuis
Dat is een redelijk ambitieuze opgave. Mede daarom zal ik in deze afscheidsrede geen uitputtend overzicht bieden van de uiteenlopende onderwerpen die ik de afgelopen decennia heb bestudeerd, maar die capita selecta eruit lichten die relevant zijn voor het beantwoorden van fascinerende vragen in het heden. Een dergelijk selectief gebruik van het verleden lijkt mij ook gepast want een volledig, ook nog eens chronologisch gepresenteerd overzicht van publicaties suggereert al snel coherentie, consistentie en cumulatie van kennis en inzichten – terwijl toeval, geluk, serendipiteit en ijver evenzeer kenmerkend zijn geweest voor mijn loopbaan.
Wie ben ik dat ik hier mag staan? Ik wil met die vraag beginnen omdat ik me ervan bewust ben dat het, ook in de wetenschap, uitmaakt wie de vragen stelt, wie vragen kan stellen. Er is niet voor iedereen plaats op de universiteit en niet iedereen voelt zich er thuis. Where to belong? How to belong? Daarover ging het symposium dat we de afgelopen twee dagen hadden georganiseerd (Belonging to Academia), waarbij centraal stond welke kennisinhouden en mensen de ruimte krijgen binnen de academie - en welke en wie niet. Wat kenmerkt belonging op de universiteit? Waarom plek maken voor groepen en kennisinhouden die voorheen niet of minder op de universiteit aanwezig waren? Wel nu, naast overwegingen van rechtvaardigheid, verhogen uiteenlopende achtergronden van wetenschappers ook de kwaliteit van onderzoek . Niet hun standpunten, laat staan hun (partij)politieke ‘viewpoints’; die zijn op de universiteit minder relevant, juist omdat iedereen meningen heeft en wetenschap zeker niet zomaar een mening is.
Collectieve waarheidsvinding
Het belang erkennen van multi-perspectiviteit in onderzoek betekent niet dat kennis relatief en subjectief wordt, afhankelijk van de individuele waarnemer. Wetenschap moet wel degelijk gericht zijn op collectieve waarheidsvinding, waarbij we ons in ons onderzoek houden aan strikte regels qua methoden, controleerbaar voor anderen, open voor kritiek. Zo leren we voorbij ons eigen beperkte perspectief te kijken; juist door ons rekenschap te geven van onze positionaliteit.
Sociologen zijn geen seculiere dominees, politieke opinies van sociologen zijn oninteressant
Daarom vertel ik graag iets over mijn achtergrond. Dat biedt mij tevens de gelegenheid om de plek waar we samen zijn van enige context te voorzien. We zijn hier in de Oude Lutherse Kerk, waarvan de bouw in 1632 startte; precies in hetzelfde jaar als de oprichting van het Athenaeum Illustre - de voorganger van de Universiteit van Amsterdam. Het is best bijzonder dat een wereldlijk instituut als de universiteit voor belangrijke gebeurtenissen zijn heil zocht en zoekt in de kerk – en dat al sinds het einde van de 19de eeuw.
Mijn overgrootvader, mijn opa en mijn vader waren alle drie Lutherse dominees, en ze hebben ook alle drie in deze kerk gepreekt. Dat geldt eveneens voor mijn moeder die haar zogenoemde proefpreek hier heeft gehouden tijdens haar studie theologie aan, wat toen heette, de Gemeente Universiteit. Maar omdat zij vrouw was, heeft zij nooit haar preekbevoegdheid gehaald. Zij zou toch niet gaan werken als dominee. En ook de mannen kregen het met de kerk te stellen, zij het om heel verschillende redenen. Mijn opa werd zijn preekbevoegdheid door de Lutherse kerk ontnomen toen bleek dat hij homoseksueel was – hij werd met vervroegd invaliditeitspensioen gestuurd. Mijn vader nam ook afscheid van de kerk, maar geheel vrijwillig: net als talloos veel andere Nederlanders viel hij eind jaren zestig, begin jaren zeventig van de vorige eeuw van zijn geloof af. Dat betekende dat hij een nieuw beroep moest vinden. Hij werd docent in het hoger onderwijs.
Ik ben ik in zekere zin zowel in de schoenen van mijn opa als van mijn vader gestapt – maar wat betekent dat? Sommigen zullen uit voorgaande schets opmaken dat er veel continuïteit is; sociologen zijn eigenlijk geseculariseerde dominees. Ik stel een andere lezing voor: zeker, het verleden telt voor wie ik, wie we nu zijn, maar hoe het verleden ‘doorwerkt’, of zelfs of het verleden doorwerkt, hangt sterk af van het heden. Homoseksueel zijn of Luthers zijn is iets totaal anders dan enkele decennia geleden: positionaliteit is geen vaste identiteit.
Gepaste afstand
Sociologen zijn geen seculiere dominees, politieke opinies van sociologen zijn oninteressant. De verhouding tussen wetenschap en politiek is gebaat bij gepaste afstand. Daarom ook valt te betreuren dat rechts-radicale politici zich al te graag met de academie en met andere pijlers van de liberale democratie bemoeien. Wanneer dat gebeurt, ja dan moeten wij ons wel uitspreken, maar juist om de autonomie van de wetenschap, de kunst, de vrije pers en de rechtspraak te behouden.
Het gaat bij polarisatie vaak niet om feitelijke verschillen, maar om ervaren emoties
Vanaf mijn oratie in 2004 heb ik – vaak samen met collega Hurenkamp - laten zien dat Nederland uniformer is in standpunten en in alledaags gedrag dan velen toen meenden en nu nog menen. Ook betoogden wij in De macht der gewoonte dat de drang naar gelijkheid zich recent manifesteert in de brede omarming van ‘de gewone man’. En in mijn recente boek Spookkloven heb ik de vraag opgeworpen of Nederland wellicht ook feitelijk minder ongelijk is dan wel wordt gedacht. Of beter, dan velen ‘voelen’ want het gaat bij polarisatie vaak niet om feitelijke verschillen, maar om ervaren emoties: de ‘affectieve polarisatie’ is in Nederland namelijk wel hoog.
Door deze emotionele polarisatie denken mensen dat er ook feitelijk veel ongelijkheden en polarisatie in Nederland bestaan terwijl die, bij nader inzien, veelal ook als spookkloven gezien kunnen worden. Natuurlijk zijn er resterende verschillen (in inkomen, opleiding, wonen, gezondheid), maar zouden we niet vooral getroffen moeten zijn door de enorme vooruitgang en verheffing die op al deze terreinen voor (bijna) iedereen is opgetreden? Bovendien zijn de kloven tussen stad en platteland, mannen en vrouwen, jong en oud, mensen met een zonder migratieachtergrond, en tussen homo’s en hetero’s nog drastischer afgenomen, ook al lopen – en dat is interessant - de emoties hierover soms hoog op.
Iedereen in Nederland wil serieus genomen worden, en nog nooit hebben zovelen deelgenomen aan politiek protest
Hoe kan het dan dat zovelen zeker lijken te weten dat we nog nooit zo gepolariseerd en conflictueus zijn geweest? De eerste reden daarvoor is de betekenis die politici, media en burgers geven aan politiek protest. Met name veel media houden ons voor dat de talloze mobilisaties van de afgelopen tijd bewijzen dat er nog nooit zoveel conflicten zijn geweest, de kloven tussen groepen nog nooit zo groot. Maar: is dat zo? Hier komen inzichten van pas die socialebewegingsonderzoekers de afgelopen decennia hebben opgedaan.
Streven naar gelijkheid
Al deze (en andere) studies laten zien dat mensen in beweging komen als ze denken dat hun acties succes kunnen hebben en als ze over hulpbronnen beschikken – geld, netwerken, media-toegang en politieke contacten. De allerarmsten en de meest gemarginaliseerden mobiliseren het minste: ze hebben geen middelen daartoe en wijten hun deplorabele staat vaak aan zichzelf, of ze denken dat die past in een natuurlijke of goddelijke orde.
Dat plattelanders met hun tractoren naar de Randstad kwamen, legt geen kloof bloot tussen stad en platteland, maar precies het tegenovergestelde: boeren laten zich niet langer de les lezen door Randstedelingen waarvoor ze geen enkel ontzag meer hebben. Ze zijn geëmancipeerd en blijken verdraaid politiek handelingsbekwaam. Wellicht valt het enkelen in de zaal zwaar om de boerenopstand, of breder, de populistische revolte van de afgelopen vijfentwintig jaar te zien als een emancipatiebeweging, maar ik denk dat het streven naar gelijkheid wel degelijk, zeker aanvankelijk, een drijvende kracht is geweest achter veel van deze mobilisaties. Iedereen in Nederland wil serieus genomen worden, iedereen is mondig, en nog nooit hebben zovelen deelgenomen aan politiek protest. 2025 was een recordjaar met 3000 demonstraties, alleen al in Amsterdam.
Emotionalisering van samenleving en politiek
Dat we denken dat verschillen (Polarisatie! Ongelijkheid!) nog nooit zo groot zijn geweest, komt niet alleen door de gemakzuchtige interpretatie van protest door de media. Een tweede reden ligt in de emotionalisering van samenleving en politiek en dan met name in onze toegenomen gevoeligheid voor ongelijkheid. Deze gevoeligheid komt voort uit de diepe overtuiging dat ongelijkheid niet deugt, een overtuiging die ook maakt dat kleine verschillen al snel ervaren worden als grote kloven. Ik zal eerst ingaan op de emotionalisering van de politiek in brede zin, om daarna in te zoomen op de gevolgen van emotionalisering op onze percepties van ongelijkheid.
Emoties in de politiek spelen lang niet altijd een emanciperende rol
Er valt zeker wat positiefs te zeggen over de (her)waardering van emoties. Met name emancipatiebewegingen leerden en leren ons dat emoties een rol kunnen spelen in het gelijker en inclusiever maken van de samenleving; denk aan hun boosheid maar ook aan hun trots. Een van de meest succesvolle emancipatiebewegingen is in dit verband de homobeweging, of breder: lhbtiq+.
Er zijn weinig voorbeelden van zo’n snelle en succesvolle emancipatie als die van homoseksuele mannen en lesbische vrouwen in Nederland. Van een geminachte minderheid die haar verlangens moest verbergen en niet kon opkomen voor haar belangen, is de situatie in enkele decennia radicaal veranderd (en, althans tot op heden, vooral verbeterd). Niet alleen is de steun voor gelijke rechten in Nederland vergeleken met andere landen ongekend hoog, ook is de homoseksueel van een outcast welhaast de ultieme belichaming geworden van de Nederlandse identiteit. Die enorme verandering heeft veel individueel levensgeluk gebracht (wat heb ik geluk gehad vergeleken met mijn arme opa). Zo’n snelle emancipatie stemt ook collectief optimistisch – zeker voor andere gemarginaliseerde groepen.
Harde uitsluiting
Maar emoties in de politiek spelen lang niet altijd een emanciperende rol; harde uitsluiting vindt ook plaats door emoties. Met name bij radicaal-rechts domineren negatieve emoties zoals ressentiment, boosheid, angst en afgunst. Waar vroeger minderheden werden gediskwalificeerd en buiten de politieke arena werden gehouden omdat ze te emotioneel waren (jeugdigen, vrouwen, mensen van kleur en lager opgeleiden), daar bedrijft radicaal-rechts nu welhaast uitsluitend emotionele politiek zonder dat zij daardoor worden gediskwalificeerd (terwijl minderheden nog steeds beter niet al te emotioneel kunnen zijn, willen ze serieus genomen worden).
Het gaat er niet meer om hoe dingen zijn, maar hoe we de wereld ervaren
Probleem van emoties is dat er moeilijk over te praten valt: ik voel het nu eenmaal zo, en dat gevoel is dan ‘authentiek’ en ‘waarachtig’. Het gaat er niet meer om hoe dingen zijn – wat de feiten zijn- maar hoe we de wereld ervaren, wat we erbij voelen: zo had Nederland volgens het kabinet-Schoof een asielcrisis omdat mensen in het land die zouden ‘ervaren’. Die subjectivering van de politiek slaat discussie dood – juist omdat in die ervaring de claim zit dat het echt zo is ‘want ik ervaar het toch zo’. De veronderstelling is dan dat de ervaren emoties perfect corresponderen met de feitelijke situatie, wat, zoals ik in Spookkloven laat zien, meestal niet het geval is, omdat de situatie als veel ongelijker en gepolariseerder wordt beleefd dan wat zich feitelijk heeft voorgedaan.
Overigens met 1 opvallende uitzondering: de vermogenskloof is in Nederland wel heel groot, zeker ook vergeleken met de meeste andere landen, maar daarover lopen de emoties nu juist niet hoog op. We maken ons enorm druk over kloven die stabiel zijn of zelfs afnemen, en halen onze schouders op over een reëel bestaande grote kloof die doorwerkt op talloos veel andere terreinen.
Claim to climbing
Dat we denken (voelen) dat de meeste kloven groot zijn (of zelfs groter zouden worden), komt doordat we steeds minder ongelijkheid accepteren: iedereen wil gelijk zijn aan ieder ander; en het kleinste verschil voelt dan al snel aan als heel groot. Veel Nederlanders zijn dus, zoals gezegd, gevoeliger geworden voor ongelijkheden, in een dubbele betekenis: ons gevoel is leidend in ons beeld van de wereld en we verdragen geen ongelijkheid meer. Daarom ervaren we dat de meeste kloven toenemen (onze emoties sturen onze perceptie van de werkelijkheid). Vervolgens zijn we heel boos over deze veronderstelde toenemende kloven en die boosheid lijkt op haar beurt te bewijzen dat de kloven inderdaad groot zijn, want waarom zijn we anders zo boos?
Ook succesvolle emancipatiestrijd leidt tot risico’s van af- en uitsluiting
Enerzijds accepteren groepen die zich ongelijk behandeld voelen steeds minder hun situatie, die moet worden aangepakt. De claim to climbing, de eis tot erkenning (recognition in termen van de sociologe Michèle Lamont) is de afgelopen decennia door talloos veel emancipatiebewegingen geformuleerd: door arbeiders, vrouwen, homo’s en lesbo’s, zwarte Nederlanders, mensen met een migratieachtergrond, en meer recent ook door lager opgeleiden, boeren en andere plattelanders, en ‘gewone’ Nederlanders, ook wel ‘hardwerkende’ Nederlanders genoemd.
Die emancipatie heeft zich ook voorgedaan binnen de universiteit. Want hoewel we ook hier oog moeten hebben voor resterende vormen van uitsluiting, springt toch vooral de openheid van de academie voor nieuwkomers in het oog (‘externe democratisering’): de massale instroom van eerste-generatie-studenten vanaf de jaren zestig van de vorige eeuw. Soms lijkt het alsof die eerste-generatie-instroom nu het grootste is, maar dat beeld klopt niet: de instroom van eerstegeneratie-studenten is deze eeuw juist drastisch afgenomen (behalve onder studenten met een migratieachtergrond): in de laatste tien jaar alleen al van 30 procent naar 20 procent. De aandacht voor eerste generatiestudenten neemt toe, nu hun aandeel afneemt.
Terwijl de ervaringen van eerste-generatie-studenten (en -staf) steeds meer gehoor vinden, lijken we grotendeels blind voor de nieuwe ontwikkeling dat kinderen van hoogopgeleide ouders niet altijd hetzelfde niveau halen als hun ouders of dat hun ouders daar bang voor zijn: de angst voor sociale daling.
Verliesangst
En dat brengt me bij de ‘anderzijds’: anderzijds verandert de wereld van voorheen meer-machtige groepen. In die zin zit in iedere succesvolle emancipatie de kiem van verlies en van nieuwe vormen van uitsluiting. Met de claim to climbing komt the fear of falling en wel op twee manieren. Ten eerste vormen strevende en stijgende groepen een bedreiging voor degenen die gevestigd zijn; nieuwkomers worden met alle macht en zo lang mogelijk buitengesloten. Ten tweede leidt ook succesvolle emancipatiestrijd zelf tot risico’s van af- en uitsluiting: er is immers zoveel gewonnen, dat er veel te verliezen valt.
De emancipatie van verschillende groepen maakt dat degenen met een relatief gevestigde positie zich bedreigd voelen
Die twee vormen van verliesangst – fraai beschreven door de Duitse socioloog Andreas Reckwitz - verklaren waarom in een van de allerrijkste landen, waar de mensen zeggen het allergelukkigst te zijn en waar de inwoners ook nog eens het allergezondst zijn, een op de drie inwoners radicaal-rechts stemt. Zijn dit - zoals sommige politicologen wel dachten - de ‘losers of globalization’? Dit lijkt een, zeker voor Nederland, ontoereikende en onbevredigende verklaring. Stemmers op radicaal-rechts komen immers uit alle inkomensgroepen en de belangrijkste reden voor hun politieke voorkeur ligt niet zozeer in feitelijke deprivatie, maar in de angst voor verandering, angst voor verlies: dat het hen en hun kinderen minder goed zal gaan.
De emancipatie van verschillende groepen, in elkaar snel opvolgende golven, maakt dat degenen met een relatief gevestigde positie zich bedreigd voelen. Zij zullen hun plaats met anderen moeten delen. In dit soort situaties ontstaat een klassieke interactie tussen ‘nieuwkomers’ en ‘gevestigden’, waarbij de eersten als bedreiging worden gezien door de laatsten. De fear of falling (de term die Barbara Ehrenreich muntte in haar boek over de belaagde Amerikaanse middenklasse) – de angst om te dalen op de maatschappelijke ladder, ook omdat anderen stijgen – is bij gevestigde groepen groot; daarom moet gelijke behandeling vaak zwaar worden bevochten. Maar de ‘onderliggers’ hebben een sterk moreel wapen, want wie kan er nu tegen gelijkheid zijn en tegen de groepen die proberen die gelijkheid te bewerkstelligen? Maar juist de onmacht om tegen de aanspraken van nieuwe groepen te kunnen zijn, leidt tot schaamte, en die uit zich vervolgens vaak in woede ten aanzien van de nieuwkomers.
Terwijl de armoede spectaculair is afgenomen, bestaat er veel angst om in armoede te vervallen
De angst om te vallen lijkt nog nooit zo groot geweest. Verlies van bestaanszekerheid was de afgelopen jaren in de Nederlandse politiek niet toevallig een dominant thema. Terwijl de armoede in Nederland spectaculair is afgenomen en nog nooit zo laag is geweest, bestaat er veel angst om in armoede te vervallen.
Behoud van sociale zekerheid
Wat te doen om die angst te verminderen? Want niet alleen geeft die een vertekend beeld van de huidige situatie, zij leidt ook tot grote zorg over de toekomst. We zouden daarom verwachten dat politici maatregelen nemen die de toename van angst een halt toeroepen – en zich daarom zouden inzetten voor behoud van sociale zekerheid en, breder, de verzorgingsstaat. Deze verzorgingsstaat draagt immers bij uitstek bij aan ‘gemoedsrust’ (dixit Abram de Swaan).
Zoals Arlie Hochschild heeft laten zien, is in de Verenigde Staten de feitelijke achteruitgang van groepen inwoners in bepaalde gebieden een belangrijke verklaring voor de groei van radicaal-rechts. In Nederland is zeker ook sprake van verschraling van publieke voorzieningen, zowel in de stad als in het landelijk gebied, maar van feitelijke sociaaleconomische marginalisering veel minder. Hier te lande dragen veeleer het gevoel dat kloven en ongelijkheid toenemen, in combinatie met de angst voor verlies, samen bij aan een vergelijkbare electorale ontwikkeling: de groei van populistische, nativistische en zelfs fascistische partijen.
Vrijzinniger
De angst voor verlies speelt ook bij sociaal-culturele onderwerpen een rol, juist in Nederland, een land dat in de afgelopen decennia in hoog tempo is veranderd, namelijk vrijzinniger is geworden. Met als gevolg dat nieuwkomers, die veel religieuzer zijn dan de kort geleden ontkerstende en ontketende autochtone bevolking, met argwaan worden bejegend vanuit de vrees dat recente verworvenheden betwist en ondermijnd zullen worden.
In het stemhokje blijken sociaal-culturele issues zelfs zwaarder te wegen dan sociaaleconomische angsten
In het stemhokje blijken sociaal-culturele issues zelfs zwaarder te wegen dan sociaaleconomische angsten. Dat komt niet alleen door zorgen over een culturele backlash, maar ook door gevoelens van superioriteit: de populistische revolte heeft geresulteerd in nieuwe vormen van hiërarchie, in nieuw zelfbewustzijn van ‘gewone’ Nederlanders. Zij lijken naar hun idee eindelijk erkenning te vinden voor wie zij zijn: de ‘echte’ Nederlanders, die hier geworteld zijn en de Nederlandse cultuur belichamen. Zij zijn de heuse natives, terwijl nieuwkomers vreemd zijn, en de elite vervreemd is van het eigen volk.
In deze nieuwe verhoudingen wordt burgerschap niet - of minder – gedefinieerd in sociale of politieke termen en rechten, maar vooral cultureel (vandaar ook de eindeloze discussie over wat Nederlanderschap inhoudt).
Discussies over immigratie en globalisering hebben zich steeds meer versmald tot de vraag wie hier thuis hoort. Dat het debat in termen van ‘thuis’ bij velen zo sterk resoneert, komt mede omdat het idee van thuis raakt aan een fundamentele behoefte aan (h)erkenning, worteling en verbinding, met anderen en met onze materiele en natuurlijke omgeving. Maar hoe deze focus op belonging en thuis van zijn benauwende en uitsluitende karakter te ontdoen, zoals we die bijvoorbeeld zien wanneer gesuggereerd wordt dat gevestigden zich hier niet meer thuis voelen door de komst van migranten, die hier niet thuis zouden horen?
Twee typen nativisme
Niet ieder verschil is hetzelfde: terwijl ongelijke behandeling op basis van opleiding, klasse, gender, seksualiteit en kleur in Nederland door weinigen meer openlijk wordt verdedigd, ligt dat voor migranten een slag anders. Hebben ingezetenen niet meer rechten dan degenen die net arriveren? Of hangt het er ook vanaf waarom mensen migreren en in welke hoedanigheid? In de literatuur wordt wel onderscheid gemaakt tussen twee typen nativisme, In de eerste plaats ‘progressief’ nativisme, zoals in het geval van de antikoloniale strijd waarin de inheemse bevolking slachtoffer was van koloniale, machtige nieuwkomers en een beroep op hun indigeneity hielp om de kolonisatoren te verdrijven. Ten tweede is er ‘negatief’ nativisme, waarbij de juist de nieuwkomers de zwakke partij zijn, bijvoorbeeld omdat zij moesten vluchten voor oorlog of armoede, maar waarvoor gevestigden niet willen inschikken, zich beroepend op hun nativeness?
Wellicht zouden sociale wetenschappers minder foto’s van de werkelijkheid moeten maken en meer films
Maar is dit een waterdicht onderscheid? Is het niet overal een probleem wanneer een intrinsiek verband wordt gesuggereerd tussen 1 volk, 1 cultuur en 1 territorium, of dat nu gebeurt door de nativisten van radicaal-rechts of door verdedigers van inheemse volkeren?
Op de spits drijven
Ik rond af. Wat te doen in een context waarin met name politici verschillen op de spits drijven, kloven creëren en polarisatiepaniek aanwakkeren? Wetenschappers zouden de vraag kunnen opwerpen waarom we zo geobsedeerd zijn door verschillen, en toenemende gelijkheid en uniformiteit over het hoofd zien. Waarom we denken dat we nog nooit zo verschillend zijn geweest? Zijn ‘we’ werkelijk steeds diverser worden (laat staan superdivers): vergeleken waarmee? Hoe groot was de afstand vroeger tussen mensen uit verschillende windstreken, zelfs binnen Nederland? Hoe anders waren mensen uit andere zuilen wel niet? Wellicht zouden sociale wetenschappers minder foto’s van de werkelijkheid moeten maken en meer films, waarin we scherp oog hebben voor de richting waarin de samenleving zich ontwikkelt. Dan zien we bijvoorbeeld een gestage ingroei van allerhande nieuwkomers in de mainstream. Een lastig en pijnlijk proces, zeker, met stijgpijn bij minderheden en valangst bij de meerderheid.
Hebben wij als wetenschappers niet een zekere neiging tot dramatisering?
Ten slotte, we kunnen kritischer naar onszelf kijken: hebben wij als wetenschappers niet een zekere neiging tot dramatisering, al was het maar omdat publicaties over kloven en crises eerder de aandacht trekken dan relativerende boodschappen? Misschien moeten we niet alles meer een kloof noemen of een crisis? Laten we preciezer aangeven of het over een heuse kloof gaat, of over een kloofje of een haarkloof; over een heuse crisis (zoals de opwarming van de aarde, geopolitieke ontwikkelingen) of een crisis die we door goed beleid kunnen oplossen (zoals de problemen rond stikstof of het tekort aan betaalbare woningen). De wereld staat al stijf van de overdrijvingen en hyperbolen, van hoogoplopende emotionele polarisatie – laten wij ons als wetenschappers sterk maken voor precieze analyses. Dat kan onze belangrijkste bijdrage zijn aan afname van de verliesangst.