Jeugdverpleegkundigen, leraren in het voortgezet onderwijs en jongerenwerkers zijn nauw betrokken bij gezinnen vanuit hun functie of taak en zijn onderdeel van de pedagogische basis waarin jongeren opgroeien (Kesselring & Wijsbroek, 2022). Voor mijn promotieonderzoek interviewde ik professionals uit deze drie groepen over hun perspectief op het gamen van jongeren.
Wanneer je hen vraagt wat zij in hun opleiding hebben geleerd, is het beeld eenduidig. ‘Nul’, antwoordt een jongerenwerker op de vraag hoeveel aandacht er in haar opleiding was voor gamen. Een docent in het voortgezet onderwijs maakt een veelzeggend onderscheid: aandacht voor gamification was er wel een beetje: ‘Maar nooit in de zin van gamen als vrijetijdsbesteding van leerlingen.’
Een leefwereld die je niet kent, is lastig te begrijpen en te begeleiden
Jeugdverpleegkundigen kwamen gamen in hun opleiding slechts tegen in de context van risico's en verslaving. Dit is zorgelijk, omdat een leefwereld die je niet kent, ook lastig te begrijpen en te begeleiden is.
De noodzaak van kennis
Veel jongeren gamen regelmatig. Gamen kent risico's én voordelen – het kennisplatform gameninfo.nl van het Trimbos-instituut biedt daar een helder overzicht van. Toch weten de meeste professionals niet wat zich in die wereld afspeelt. Jongeren voelen zich onbegrepen wanneer professionals deze leefwereld uitsluitend door een risicobril bekijken, of ronduit negeren.
Pedagogische tact vraagt dat professionals de leefwereld van jongeren kennen (Van Manen, 2014). Wie de gamewereld niet kent, mist die toegang – zowel wanneer een jongere enthousiast vertelt over wat hij in een game heeft bereikt, als wanneer gamen problematisch wordt en een vertrouwensrelatie nodig is om dat bespreekbaar te maken.
Momenteel leunt het systeem op een handjevol pioniers
Het kan anders. Stel je voor hoe waardevol het voor een jongere is als een leraar op maandagochtend geïnteresseerd vraagt of hij dat weekend heeft gegamed, hoe het was en wat hij daarin heeft geleerd. Of denk aan de jongerenwerker die snapt dat een direct gesprek soms te confronterend is, maar weet dat een jongere wel loskomt wanneer ze schouder aan schouder een potje gamen. Of aan het waardevolle perspectief dat een jeugdverpleegkundige kan toevoegen door oordeelvrij door te vragen naar wat gamen de jongere brengt, in plaats van zich blind te staren op het aantal speeluren.
Deze interacties tonen pedagogisch vakmanschap. Momenteel leunt het systeem echter op een handjevol pioniers: professionals die vanuit persoonlijke affiniteit de gamewereld kennen en betreden. De rest is zoekende. Een jongerenwerker opende een achterhaald protocol over gamegedrag en gooide het meteen weer weg: ‘Hier heb ik niets aan. En ik ben gewoon gaan vragen om me heen – aan vrienden, aan collega's. Jongens, ervaring? Help.’
Elders worden WhatsApp-communities met jongerenwerkers opgericht om casuïstiek te delen. De behoefte om te leren is er wel degelijk, maar is vaak afhankelijk van individuele inspanning. Of een jongere iemand treft die weet wat te doen wanneer er echt problemen spelen, is daardoor te vaak een kwestie van geluk in plaats van doordacht beleid.
De zere plek
Tijdens mijn hbo-opleiding Pedagogiek (2009-2013) werd gamen precies één keer besproken. Een docent liet in het eerste jaar een filmpje zien: tientallen spelers hadden zich verzameld in World of Warcraft, een populaire online game, om een overleden medespeler te herdenken. Midden in die virtuele begrafenisplechtigheid vielen andere spelers aan. De rouwenden werden afgeslacht. De docent klikte het weg en gaf geen inhoudelijke duiding. Het werd gebracht als een curiositeit, niet een inkijk in een leefwereld waar vele jongeren wekelijks uren doorbrengen.
Inmiddels doe ik promotieonderzoek naar diezelfde gamewereld. Met de kennis van nu zie ik er een complete onderwijsmodule in. En werk ik daar graag aan mee.
Vanuit mijn dubbelrol als promovendus en hogeschooldocent besloot ik de beroepsprofielen en studiegidsen eens te bekijken. De conclusie is ontluisterend: er is sinds mijn studietijd weinig veranderd. De beroepsprofielen voor Pedagogiek, Sociaal Werk en Verpleegkunde erkennen digitalisering wel – in termen als ‘digitale netwerken’, ‘nieuwe vormen van verbinding’ en ‘technologie als uitbreiding van bestaande interventies’ (Landelijk Opleidingsoverleg Social Work, 2025; Landelijk Opleidingsoverleg Pedagogiek, 2019; Landelijk Overleg Opleidingen Verpleegkunde, 2023). Maar het blijft bij abstracte taal. Gamen, of breder gezien de online leefwereld van jongeren, wordt in geen van deze profielen bij naam genoemd.
In het beroepsbeeld van een opleiding Social Work verschijnt gamen precies één keer
In de studiegidsen die ik bekeek, komt gamen niet of nauwelijks ter sprake. De keuzeminoren die wel aandacht besteden aan digitale thema's, richten zich doorgaans op gamedesign of gamification en niet op gamen als leefwereld van jongeren. Waar gamen al opduikt in het curriculum, fungeert het als casuïstiek bij verslavingsleer. Illustratief: in het beroepsbeeld van een opleiding Social Work verschijnt gamen precies één keer – in een trefwoordenlijst onder het kopje 'verslaving', direct naast alcohol, heroïne en cocaïne.
Die boodschap klopt feitelijk niet. Bij 2,2% van de scholieren tussen 12 en 16 jaar is sprake van problematisch gamegedrag – iets vaker bij jongens dan bij meisjes (Rombouts et al., 2023). Een opleiding die uitsluitend dat risicoperspectief meegeeft, rust de professionals van de toekomst niet toe voor de overgrote meerderheid van gamende jongeren.
Een oproep om samen te leren
Dat vraagt om professionals die er kennis over hebben – niet alleen de studenten van morgen, maar ook de professionals die nu al voor de klas staan, op huisbezoek gaan of in het jongerencentrum zitten. Daarom verdient gamen een volwaardige plek in de opleidingen voor Pedagogiek, Sociaal Werk, Verpleegkunde en de lerarenopleidingen voor het voortgezet onderwijs.
Jongeren en studenten zijn zelf een rijke kennisbron over deze leefwereld
Actuele praktijkgerichte kennis bestaat bovendien wel degelijk, zoals handreikingen voor jongerenwerkers (Todorovic et al., 2023), maar die bereikt professionals nog te weinig via hun opleiding of professionalisering. Het hoopvolle nieuws is dat veel professionals graag willen leren, ze weten alleen niet waar te beginnen.
Laten we bovendien niet vergeten dat jongeren en studenten zelf een rijke kennisbron zijn over deze leefwereld. De oproep is concreet: laten opleidingen, beroepsverenigingen, professionals én jongeren samenwerken aan een actualisering van beroepsstandaarden en scholingsaanbod. Dat is waar opleidingen het verschil kunnen maken.
Bas van Nierop is promovendus bij het lectoraat Jeugd en docent bij het Instituut voor Ecologische Pedagogiek aan de Hogeschool Utrecht. Zijn promotieonderzoek is gericht op de relatie tussen gamen, identiteitsontwikkeling en psychosociaal welzijn en de rol die (professionele) opvoeders hierin hebben. Wil je meedenken of opleidingservaringen delen? Stuur een mail naar Bas van Nierop.
Foto: Pavel Danilyuk via Pexels.com