Asterix en Obelix zonder Idéfix naar de innovatieve netwerkeconomie

Een innovatieve netwerkeconomie heeft zowel kleine en grote ondernemingen nodig. Asterix (klein) en Obelix (groot) moeten samen op avontuur. Het idee dat vooral grote ondernemingen à la Google nodig zijn, zoals Erik Stam beweert, is een Idéfix (waanidee).

Volgens Erik Stam moeten we het in de toekomst niet hebben van de zelfstandigen zonder personeel (zzp’ers) en het midden- en kleinbedrijf (mkb), maar van innovatieve medewerkers bij grote bedrijven. Stam refereert in zijn artikel aan Google, als het voorbeeld van een grote onderneming waar innovatie en groei zijn gebaseerd op innovatieve medewerkers. Daar zijn drie belangrijke kanttekeningen bij te maken. Ten eerste, is Google begonnen als een klein bedrijf (met twee partners; Larry Page en Sergey Brin). De grote innovatie van Google (het algoritme) is gedaan als kleinbedrijf, niet als grootbedrijf.

Ten tweede, innoveert Google amper, maar is ze vooral een goede investeerder. De onderneming kocht in de laatste drie jaar gemiddeld één ander bedrijf per week. Google is een aanhanger van de zogenaamde Acquisition & Development (A&D) strategie. Een strategie die erop neer komt dat een onderneming in beperkte mate zelf innoveert via onderzoek en ontwikkeling. Ze scant in plaats daarvan continu de omgeving op ondernemingen met aantrekkelijke ideeën en producten. Veelbelovende ondernemingen en hun innovaties worden vervolgens opgekocht. Dit heeft Google gedaan met YouTube, Zagat, Doubleclick, Motorola Mobile en honderden andere kleine ondernemingen.

Het idee achter een A&D-strategie is de dat innovatiekracht te vinden is bij kleine bedrijfjes zonder bureaucratie en dat slagkracht zit bij grote ondernemingen met een sterk commercieel apparaat. Deze strategie wordt door vele grote ondernemingen in diverse sectoren gehanteerd, bijvoorbeeld in de farmaceutische  industrie (GlaxoSmithkline) uitgeverij (Pinguin) en in de software-industrie.

Ten derde, is Google waarschijnlijk de enige internet-organisatie is waar innovaties (en acquisities) daadwerkelijk hebben geleid tot significante banencreatie. Als één van de weinige internetondernemingen heeft Google relatief veel werknemers (30.000). Dit komt omdat Google een unieke positie heeft op de reclamemarkt en omdat zij zeer veel ondernemingen heeft opgekocht.

Punt is echter dat er geen tweede Google is. Bijna alle andere innovatieve internetondernemingen zijn - in termen van gecreëerde arbeidsplaatsen - het mkb-niveau nauwelijks ontgroeid. Zo hebben wereldwijd bekende en gevestigde internet ondernemingen zoals Spotify en Tumblr slechts 300 medewerkers. Niet voor niets is de droom voor veel jonge internet-ondernemers om een Micro-National op te zetten; wereldwijd bekend, maar met een zeer beperkt aantal medewerkers. Het is dus de vraag of andere internetondernemingen, hoe innovatief ook, ons uit de crisis zullen halen.

Onderscheid tussen grote en kleine bedrijven verdwijnt

Er is niets tegen innovatieve medewerkers binnen grote ondernemingen. We hebben ook geen keuze; het innovatietijdperk is hier en gaat niet meer weg. Tegelijkertijd is er de constatering dat innovaties van medewerkers bij grootschalige bedrijven vaak plaatsvinden in celachtige structuren binnen ondernemingen waarin de medewerkers zoveel mogelijk gevrijwaard worden van de bureaucratie. Blijkbaar geldt small is beautiful  ook voor innovaties binnen grote bedrijven.

Het is belangrijk om te constateren dat het traditionele onderscheid tussen grote bedrijven en kleine ondernemingen in toenemende mate verdwijnt. De discussie tussen klein en groot wordt een onzinnige. Steeds meer zelfstandigen zijn verenigd in communities, partnerschappen of ouderwetse coöperaties; zowel klein als groot. Met de opkomst van nieuwe samenwerkingsvormen zoals crowds, communities, distributed work en coworking-relaties is het niet altijd duidelijk of iets één groot bedrijf is of een samenwerkingsverband tussen tientallen kleintjes. Niet alleen vervaagt het onderscheid tussen grote en kleine ondernemingen. Ook het onderscheid tussen medewerkers en kleine ondernemers vervaagt in rap tempo. Van medewerkers wordt tegenwoordig ondernemerschap, vakmanschap en innovatiekracht verwacht; als ‘vaste’ medewerker ben je in toenemende mate ondernemer van je eigen carrière. We worden steeds meer een netwerkeconomie waar grote en kleine bedrijven samenwerken in fuzzy relaties. Grote bedrijven zorgen voor de distributiekracht, branding en financiering, kleine bedrijfjes zorgen voor de innovatie en het vakmanschap.

Overheid moet zich niet te veel met ondernemerschap bemoeien

Voor de overheid betekent dit alles dat er geen specifiek fiscaal ondernemersbeleid hoeft te worden gevoerd. Ondernemerschap op zich hoeft niet fiscaal te worden gepromoot, maar moet ook niet worden afgeremd. Het is vooral belangrijk dat er een speelveld is met ongeveer dezelfde regels voor iedereen. Op deze wijze wordt het optimale productieproces niet gehinderd door fiscaal beleid en verlopen transities gemakkelijk. Dit laatste wordt belangrijker in een steeds dynamischere en internationalere wereld waarin mensen soms zzp-er zijn, soms mkb-er, soms werknemer en soms alles tegelijkertijd.  Zo’n fiscaal-economisch speelveld is er nu niet. Zo krijgen eenmanszaken de starters- en zelfstandigenaftrek, maar hebben zij geen toegang tot sociale verzekeringen waardoor ze duizenden euro’s per jaar meer betalen aan verzekeringen en pensioenen (om over de hypotheek maar te zwijgen). De besloten vennootschap (bv) heeft voor de succesvollere zzp-er en het mkb weer andere belastingvoordelen (o.a. een laag vennootschapstarief) en het grootbedrijf maakt gebruik van allerlei belastingparadijzen. Voor elke juridische indeling hebben we eigen regels met specifieke voor- en nadelen.

De overheid moet zich niet te veel bemoeien met ondernemerschap; zowel grote als kleine ondernemingen zijn nodig in een innovatieve netwerkeconomie. En de overheid moet zeker niet de illusie hebben dat zij kan bepalen welke ondernemingen succesvol zullen worden. Er zijn te veel overheidsinitiatieven waarbij het geld naar de usual suspects gaat; de ondernemingen met de beste overheidscontacten krijgen de beste  overheidscontracten. Mijn motto is daarom: laat duizend bloemen bloeien en moge de beste winnen. Laat de overheid vooral marktmeester zijn en zorgen voor een sociaal vangnet. En als samenwerking tussen ondernemers financieel aantrekkelijk blijkt te zijn, zullen ondernemers heus vanzelf gaan samenwerken. Dit deden ze in de gouden eeuw ook al. Zodra de lucratieve Oost-Indië vaart opkwam gingen vele kleine ondernemers samen een boot financieren voor een aandeel in de winst; de zogenaamde partnerrederijen. Datzelfde gebeurt nu weer in communities, coöperaties en partnerschappen.

Daarmee is niet gezegd dat de overheid niets moet doen. Net als ondernemers moet de overheid keuzes durven maken gebaseerd op visie.  Ze moet gericht investeren in vakkennis rond enkele kernontwikkelingen op het kruispunt van techniek en creativiteit (denk aan gamification, cloud manufacturing, open source ) en in een goede kennis van talen en internationale netwerken. Zoals de Spaanse socioloog Manuel Castells al zei: de economie van de 21e eeuw is een globale, netwerk- en informatie-economie. Kies daarvoor en voor de toekomst.

Arjan van den Born is een zelfstandige organisatieadviseur en interim manager. Hij heeft kwantitatieve economie gestudeerd aan de Vrije Universiteit te Amsterdam.