Breng de mens terug in het werk

Het menselijke is uit het werk gehaald. Vooral mensen aan de onderkant van de arbeidsmarkt gaan daardoor gebukt onder overbelasting, onzekerheid en discriminatie. De coronacrisis maakt de behoefte aan soliditeit van arbeid zichtbaarder dan ooit.

Waar ben ik mee bezig? En waarom? Bij wie zijn deze vragen de afgelopen anderhalf jaar niet door het hoofd geschoten? De coronacrisis is een schok, die op verschillende manieren leidt tot nadenken over de waarde en het belang van werk. Een zorgmedewerker die zich in alle drukte afvraagt: houd ik het wel vol? Een bagagemedewerker die zijn baan ziet verdwijnen en zich afvraagt of hij wel door wil in zijn beroep. Een schooljuf die zich afvraagt of haar fulltime baan in het onderwijs niet een te zware wissel op haar trekt.

Start vanuit soliditeit

We streven allemaal, individueel en collectief, naar bestaanszekerheid. Wij pleiten ervoor om die zoektocht niet te beginnen vanuit het klassieke perspectief waarin nut, noodzaak en efficiëntie centraal staan. Maar om te starten vanuit de menselijke vraag naar soliditeit, naar het voorzien in onze fundamentele behoeften. Het principe dat werk en sociale zekerheid geen afbreuk mogen doen aan het duurzaam en fatsoenlijk voorzien in basis- en zekerheidsbehoeften, is een mooi startpunt.

De afgelopen jaren hebben we als onderzoeksgroep ‘Arbeid en Human Capital in Transitie‘ van de Hogeschool van Amsterdam verschillende onderzoeken gedaan naar de toekomst van werken, met de nadruk op mensen met kwetsbare arbeidsmarktposities in de regio Amsterdam. Aan de hand van een gesprek op een fictief schoolplein maken we scherp hoe mensen onzeker zijn over hun werk

Niet vol te houden

‘Waar werk jij eigenlijk?’ vraagt Maria aan Ali, terwijl ze samen staan te wachten tot de school uitgaat. ‘Ik werkte op Schiphol bij een bagage-afhandelaar’, zegt Ali. ‘Ik was oproepkracht, althans zo stond het in mijn contract. Soms in het laagseizoen merkte ik dat. Het was dan afwachten hoeveel ik die maand kon werken. Financieel was het altijd passen en meten. Ik kreeg het minimumuurloon, iets van 13 euro per uur. Bij het uitbreken van de crisis was ik de klos, ik kreeg geen uren meer en moest maar een uitkering aanvragen. Ik werk nu in een distributiecentrum. Dat is ook zwaar werk. Als ik thuiskom na een dienst heb ik gewoon geen energie meer over, het is slopend. Maar ik moet wel, een uitkering is geen optie. Dit werk houd ik zeker niet vol tot mijn pensioen, dat kan fysiek gewoon niet.’

‘Ik herken je gevoel’, zegt Maria, die in de zorg werkt. ‘Het was voor de crisis al erg druk. Veel collega’s kregen een burn-out en komen nooit meer terug. Veel nieuwe collega’s zijn binnen twee jaar weer weg. Door alle stress en overwerk tijdens de crisis merk ik nu ook dat mijn geest en lichaam op zijn. Een tijdje geleden ben ik met een cursus begonnen, zelf betaald, om naar een andere beter betaalde functie te kunnen komen. Maar daar heb ik geen tijd en energie meer voor. Ik kan gewoon niet meer, terwijl ik het werk echt geweldig vind.’

‘Wat wil je doen dan?’ vraagt Ali. ‘Ik heb nu de zekerheid van een vast contract’, zegt Maria. ‘Dat wil ik niet opgeven. Dus ik ga door zolang het kan.’

Werken is zo niet leuk meer

Ad, die zijn kleinkind komt ophalen, mengt zich in het gesprek. ‘Ik zit sinds de financiële crisis in de bijstand, ik kom gewoon niet meer aan het werk’, zegt hij. ‘Vroeger was ik leidinggevende bij een herenmodezaak. Ik wil dolgraag werken, maar merk dat ik geen kans meer maak. Met mijn bijna 60 jaar ben ik gewoon te oud. Ik wil iets hebben dat bij mijn gezondheid en zorgtaken past. Ik verdien nu soms bij door pakketjes rond te brengen voor een bedrijf.’

‘Waarom ga je daar dan niet werken?’ vraagt Ali. ‘Ik vind het werk niet leuk en eigenlijk kan ik het lichamelijk ook niet volhouden. Ik doe het omdat ik die 150 euro extra in de maand echt nodig heb. Ze hebben ook niet altijd werk voor me, ik val in voor mensen die ziek zijn. In deze crisis is er voldoende werk, maar ik moet natuurlijk oppassen dat ik niet te veel uren maak. Ik ben als de dood dat ik een keer iets vergeet op een of ander formulier en dat mijn uitkering wordt gestopt of wordt gekort. Dat geeft stress, naast de spanning die ik thuis al ervaar. Werken is zo niet leuk meer. Maar ik moet nog even tot mijn pensioen. Ik moet dan hopen dat ik voldoende pensioen heb.’

Blij dat het vrijdag is

Juf Samira komt aanlopen. Ze ziet Ali, Maria en Ad staan en zucht: ‘Ik ben blij dat het vrijdag is. Een week lang een dubbele klas is gewoon niet te doen.’ Ze zucht nog een keer en zegt: ‘Ik wil jullie erop wijzen dat de schooldirecteur volgende week een deel van de klas naar huis wil sturen.’ Ali, Maria en Ad schieten in de stress. ‘Ja maar…’, begint Maria.

Samira zegt: ‘Als we dat niet doen, is de kans groot dat ik over een week ook ziek thuis zit. Ik ben net begonnen als juf, dat het zo zwaar is valt me wel tegen. Ik weet dat het door de crisis geen normaal schooljaar is, maar ik vraag me wel af of we straks na de zomervakantie genoeg leerkrachten hebben en of ik wel fulltime kan blijven werken. Ik begrijp heel goed dat een deel van mijn collega’s parttime werkt. Fulltime is bijna niet te doen. Ze noemen leerkracht een cruciaal beroep, maar de omstandigheden zijn echt niet goed.’

Samira, Ali, Maria en Ad vallen stil. Ze kijken elkaar zwijgend aan. Ad zegt: ‘dat is de werkelijkheid waar we in leven, het is niet anders’. Samira, Ali en Maria knikken bevestigend.

Mens hoort geen productiefactor te zijn

Bovenstaand gesprek laat zien dat mensen in hun werk voortdurend zoeken naar zingeving en zekerheid, maar dit lang niet altijd vinden als gevolg van flexwerken, te intensieve werklast, uitsluiting, discriminatie en een versoberd sociaal zekerheidsstelsel.

Ook is duidelijk dat mensen zich conformeren, bang dat het systeem ze uitsluit. Wat ook opvalt, is dat de respondenten zichzelf verantwoordelijk voelen voor de situatie, waarin ze van de ene naar de tijdelijke en onzekere baan gaan en waarin hun talent niet of nauwelijks wordt benut.

De onvermijdelijke conclusie is dat de huidige arbeidsmarkt het welzijn van mensen en dat van de samenleving ernstig schaadt. Sterker nog, ze zorgt er voor dat het menselijke uit het werk verdwijnt, met een enorme slijtageslag onder de beroepsbevolking tot gevolg.

Om die ontwikkeling te keren, moeten economie en samenleving zich een andere manier van denken eigen maken, waarin het individuele en collectieve welzijn voorop staat. De mens als productiefactor kan echt niet meer.

Hafid Ballafkih is hoofd van de onderzoeksgroep Arbeid in Transitie, Maarten Hogenstijn is senior onderzoeker Sociaal Ondernemerschap. Beiden werken aan de Hogeschool van Amsterdam.

 

Foto: Henti Smith (Flickr Creative Commons)