Alleen met deugdzame mensen red je het klimaat niet

De meesten van ons weten heus wel dat we ons gedrag moeten veranderen om de wereld leefbaar te houden. Maar het klimaatprobleem is een probleem van de overheid, waarvan burgers niet het gevoel hebben dat ze er iets aan kunnen doen.

Om aan de grote milieuopgaven te kunnen voldoen, zouden we minder moeten vliegen, minder vlees moeten eten en duurzame kleding behoren te kopen. Zouden, want ondertussen boeken we voor € 40,- een vlucht naar Barcelona, eten we meer vlees en kopen we wereldwijd zoveel kleding dat de textielindustrie meer CO2 uitstoot dan de internationale luchtvaart én zeetransport samen. Waarom eigenlijk? Hoe komt het dat we niet gewoon het goede doen?

Liever voor € 40,- naar Barcelona

Als we de titel ‘De meeste mensen deugen’ van de recente bestseller van de historicus en auteur Rutger Bregman mogen geloven, gedragen de meeste mensen zich voorbeeldig. Waarom gedragen ze zich dan niet milieuvriendelijker? In de titel van Bregmans boek lijkt een belangrijke bijsluiter te ontbreken: de meeste mensen kúnnen deugen, mits hun omgeving en hun omstandigheden dit mogelijk maken of stimuleren en ze zelf het belang ervan inzien.

Een omgeving die voortdurend de nadruk legt op gemak en genot (‘lekker shoppen in Barcelona!’), of lage kosten (‘goedkope vliegtickets naar de zon’), ontlokt niet het milieugedrag dat wenselijk is. Mensen doen graag het goede, maar niet wanneer ze dat gedrag als ongemakkelijk, onplezierig of economisch onrendabel ervaren.

Vanuit sociaalpsychologisch perspectief is de vraag interessant hoe de overheid haar burgers zo ver kan krijgen om zich milieubewust gaan gedragen. Aan de hand van twee cases, fast fashion en jongeren in Almere enerzijds en klimaatadaptatie door bewoners van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier anderzijds, proberen we daarop een antwoord te geven.

Klimaat, fashion en Almeerse jongeren

In het voorjaar van 2020 startten we een onderzoek naar het kopen van fast fashion kleding door jongeren in Almere. Deze studie leverde vier inzichten op waarmee de gemeente aan de slag kan om ‘slow fashion’ interventies te ontwikkelen voor jongeren.

Ten eerste weten veel jongeren weliswaar dat de productie van kleding het milieu verontreinigt, maar dat zij desalniettemin weinig urgentie voelen om zelf iets hieraan te doen. Sterker nog, veel jongeren staan onverschillig tegenover de milieuproblemen veroorzaakt door de kledingindustrie. Om het gedrag van jongeren te veranderen, is een belangrijke voorwaarde dat zij het wél als een probleem ervaren.

In lijn met hun geconstateerde onverschilligheid zijn de jongeren er ten tweede ook lang niet altijd van overtuigd dat het kiezen van alternatieven een positieve bijdrage kan leveren aan het voorkomen van klimaatschade. Terwijl hun gedrag, zeker als veel mensen dit kopiëren, wel degelijk een positieve bijdrage kan leveren aan de oplossing van het klimaatprobleem (response efficacy).

Ten derde blijkt dat jongeren zelfs wanneer zij de bestaande kledingproductie als een probleem zien, het vaak erg lastig vinden om duurzamere keuzes te maken. De hoge kosten spelen daarbij een grote rol.

Ten vierde vinden veel jongeren het lastig om weerstand te bieden aan alle verleidingen. Zij zien het kopen van kleding vaak als iets dat ze niet graag zouden missen.

Onze bevindingen maken duidelijk dat er veel te winnen valt door jongeren vanuit hun eigen leefwereld te laten nadenken over het probleem van fast fashion en door hen concreet te laten zien welk verschil zij met hun gedrag kunnen maken.

Dat het lastig is voor jongeren om de verleidingen van de kledingindustrie te weerstaan, zou reden voor de overheid moeten zijn om betere regels op te stellen (externe regulering), of om jongeren te helpen hun impulsen meer onder controle te krijgen (zelfregulering).

Bewoners zien noodzaak van actie niet

Een ander onderzoek van het lectoraat ‘Psychologie voor een Duurzame Stad’ richtte zich op klimaatadaptatie door bewoners van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (Noord-Holland boven het Noordzeekanaal, inclusief Texel). De onderzoeksvraag was wat bewoners ervan weerhoudt om klimaat-adaptieve maatregelen te nemen, in een gebied dat vanwege de lage ligging erg gevoelig is voor de nadelige gevolgen van klimaatverandering.

Het blijkt dat bewoners zich terdege bewust zijn van de gevolgen van klimaatverandering, maar dat ze de risico’s voor henzelf laag inschatten en niet direct noodzaak zien om iets te doen. Die houding wordt vaak geassocieerd met ‘mythe van de droge voeten’, ofwel het blinde vertrouwen van de Nederlandse burger in de overheid en experts als het gaat om het indammen van overstromingsgevaar.

Klimaatbeleid is vooral zaak van overheid

De respondenten in dit onderzoek weten vaak onvoldoende welke maatregelen ze zelf kunnen nemen om de schadelijke gevolgen van klimaatverandering op te vangen. Daarnaast vinden ze het lastig in te schatten hoeveel effect geadviseerde maatregelen hebben op het oplossen of voorkomen van het klimaatprobleem.

Dat heeft er deels mee te maken dat burgers zich niet primair verantwoordelijk achten voor de oplossing van het klimaatprobleem. Ze vinden het vooral een taak van de overheid. Wat hier een rol speelt, is dat wanneer een taak aan een groep mensen wordt voorgelegd, het individu de neiging heeft om te veronderstellen dat iemand anders de verantwoordelijkheid op zich neemt. Met als gevolg dat uiteindelijk niemand iets doet. Een fenomeen dat in de psychologie bekend staat als diffusion of responsibility. Omdat het geen sociale norm is bij bewoners om zelf maatregelen te treffen, wordt iemand er door zijn buren niet op aangekeken als hij niks doet.

Beleidsmakers moeten bewoners veel concreter voorspiegelen welke risico’s ze lopen, en ze bewust te maken van hun rol bij het klimaatbeleid. Wat hierbij kan helpen, is om bewoners concrete maatregelen te presenteren die zichtbaar effectief zijn en aansluiten bij hun persoonlijke beweegredenen (bijvoorbeeld: voorkomen schade, milieu beschermen, of bewust met water omgaan).

Verder kan het helpen om een groepsgevoel te creëren waardoor bewoners het gevoel hebben dat ze samen hun schouders eronder zetten. Daarnaast kan het goed zijn om mensen individueel aan te spreken op specifieke taken of ze een beloning in het vooruitzicht te bieden, om diffusion of responsibility tegen te gaan.

Mensen deugen, als de omstandigheden deugen

Het onderzoek in Almere en Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier laten zien dat achter verschillende milieuvraagstukken deels andere en deels dezelfde gedragsmechanismen schuilgaan. Ieder milieuvraagstuk en doelgroep heeft zijn eigen psychologische constitutie. Dat wil zeggen dat voor ieder vraagstuk andere omstandigheden aanwezig zijn die verband houden met andere psychologische gedragsmechanismen.

Om effectieve interventies te ontwikkelen is het van belang steeds weer op zoek te gaan naar de vraagstuk-specifieke gedragsdeterminanten en bijpassende mechanismen. Pas wanneer die goed in kaart zijn gebracht, kunnen effectieve interventies worden ontwikkeld.

Wat beide onderzoeken ook aangeven, is, dat als de juiste voorwaarden en omstandigheden ontbreken, de overheid weinig mag verwachten van haar oproep aan burgers om zich milieubewuster te gedragen. Zolang de sociale en fysieke omgeving mensen iedere dag weer verleidt tot milieuonvriendelijk gedrag, wordt het hen wel heel lastig gemaakt om het goede te doen. Als disclaimer bij een herdruk van Bregmans bestseller stellen wij dan ook voor om expliciet te vermelden dat mensen kúnnen deugen voor zover de omstandigheden hen daartoe in staat stellen.

Krispijn Faddegon is onderzoeksleider en docent bij het lectoraat Management van Cultuurverandering, Reint Jan Renes is lector Psychologie voor een Duurzame Stad. Beiden werken aan de Hogeschool van Amsterdam. Dit artikel is een ingekorte en licht bewerkte versie van hun bijdrage aan de tweede editie van Bewogen Stad, een reeks van digitale tijdschriften over maatschappelijke kwesties in de Amsterdamse regio.

 

Foto: Tarek Badr via Unsplash

Dit artikel is 1253 keer bekeken.

Reacties op dit artikel (3)

  1. Als de overheid draconische maatregelen kan doorvoeren om COVID-19 onder controle te krijgen dan is het niet zo moeilijk om nieuwe wetgeving te implementeren voor het klimaat lijkt mij? Of krijgt de tweede kamer dan ruzie met zijn lobbyisten?

  2. Wat een enorme tekst over een situatie die al circa 30 jaar gaande is. Ook Nederland heeft een snel groeiende groep mensen die kiezen voor een sociaal en positief bestaan. Dat is een gevarieerde groep mensen die meestal rustig en duurzaam leven en die dat weer samen organiseren. Er zijn in alle grote steden maar ook op het platteland overal ecologische groepen mensen. Voor ons is het hele dossier ‘hoe gaan we duurzaam leven’, een discussie die we niet meer nodig hebben.

    We kiezen voor biologisch voedsel, tweede hands kleding, organiseren alles wat we nodig hebben weer samen, als het kan met de lokale politiek maar zelfs dat is niet meer nodig. Het vriendelijke verzoek om eens een bezoek te brengen aan een ecodorp of ecogroep, met wat zoeken bent u van harte welkom op een open dag of meewerkdag. Ook biologische boerderijen organiseren regelmatig open dagen en dat geldt ook voor zorgboerderijen, zelfpluktuinen en voedselbossen.

    Maar voor wie een groter overzicht zou willen van de vele mogelijkheden voor een duurzaam bestaan, dat vindt u allemaal op de website van Omslag in Eindhoven. Dat is het kenniscentrum voor Duurzaam wonen en leven en ze bestaan al 27 jaar. Zij verbinden en verzamelen mensen en mogelijkheden voor een duurzaam bestaan. Bij Omslag horen 2 websites, die van Omslag zelf en de website van de Aktie agenda.

  3. ‘Deugdzaamheid’ veronderstelt vrije ethische keuzes van de burger en de consument. Hij moet dan over allerlei zaken die het het milieu en de maatschappij aangaan iedere keer een afweging en dus keuze maken. Het wordt dan een individuele zaak om een goedkope vliegreis te boeken of goedkope Jeans uit India te kopen. Over de keuze van voedsel in de supermarkt kan hetzelfde worden gezegd.
    Maar het verkeerde eigen belang wint dan ook altijd omdat het eigen handelen niet tot grote maatschappelijk veranderingen leidt. Het beeld van gezamenlijk collectief handelen ontbreekt hier volledig. Daarom gebeurt er niets.
    Een overheid is als enige instantie in staat om een gelijk keuzeveld te ontwikkelen. Zij kan dit doen door bv. minimum kwaliteitseisen te stellen aan producten die sterk vervuilen en onder zeer mensonterende en dieronvriendelijke omstandigheden zijn vervaardigd.
    In de supermarkt zou alleen nog milieuvriendelijk vlees van hoge kwaliteit verkocht mogen worden. Vlees wordt dan 3 maal duurder maar de consument kan dan niet meer kiezen tussen slecht/goedkoop en goed/ duurder immers alle vlees producten voldoen immers aan de hoogste milieu en kwaliteit eisen.
    ‘Consuminderen’ is de oplossing en dit kan makkelijk gerealiseerd worden door een hoger betere (milieu) kwaliteit van producten. Dit kan dan ook door markt geregeld worden aangezien veel producten veel duurder worden maar beter van kwaliteit en milieuvriendelijk.
    Aan veel apparaten zou de eis gesteld kunnen worden dat zij te repareren zijn. Een stofzuiger waarvan het snoer los zit is tegenwoordig geschikt om te weg te gooien omdat het apparaat niet gerepareerd kan worden omdat alles nagel dicht is bevestigd.
    Er zouden gewoonweg geen weggooi producten met een korte levensduur mogen worden verkocht. Het kopen van een stofzuiger wordt dan geen milieuonvriendelijke handeling.
    De stofzuiger wordt dan wel duurder maar ook meer duurzaam.
    Tot op heden onttrekt de overheid zich aan deze discussie door de illusie van de keuze vrijheid van de consument overeind te houden. Maar de consument moet je helemaal niet laten kiezen tussen goed en slecht op de consumentenmarkt. De overheid had die keuze al voor de consument moeten maken. Voor het milieu en het klimaat ziet het er slecht uit en de consument kan er eigenlijk niet voor kiezen omdat hij er zelf helemaal geen belang bij kan hebben om het verschil uit te maken.

Reageer

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *