Nieuwe hoogbouw: een hachelijke ontwikkeling

Hoogbouw lijkt bijna overal in Europa terug van weggeweest. Sinds het begin van deze eeuw verrijzen er weer tal van hoge kantoor- en woontorens in onze binnensteden. Bouwen we nu de nieuwe getto’s van de toekomst of zijn er doorslaggevende argumenten vóór hoogbouw?

Hedendaagse hoogbouw is nauwelijks te vergelijken met de modernistische stadsplanning uit de naoorlogse periode, toen er net als nu ook sprake was van ‘woningnood.’ Allereerst zijn er de schaal en de locatie: de hoogbouw in de jaren vijftig en zestig stond niet op zichzelf, maar maakte onderdeel uit van grootschalige planologische projecten die in veel van steden tot nieuwe stadsuitbreidingen hebben geleid. Tegenwoordige woontorens worden eerder neergeplant op centrale locaties met hoge grondprijzen, waar ze eenzaam en hoog uittorenen boven de historische stadswijken, zoals de ‘Westpoint’ in Tilburg en het ‘Strijkijzer’ in Den Haag, of onderling strijden om aandacht – denk aan de ‘Kop van Zuid’ in Rotterdam.

Kosmopolitische luxe: fitnessruimtes en hippe horeca in plinten

Een tweede belangrijk verschil is de ideologie erachter. Waren de modernistische wijken uit de vorige eeuw nog onlosmakelijk verbonden met een sociaaldemocratisch ideaal van verheffing van de arbeidersklasse, veel stedelijke vastgoedontwikkelingen van vandaag de dag worden eerder gekenmerkt door ‘kosmopolitische luxe.’

Steden streven er steeds meer naar om de hoogopgeleide kenniswerker (eerder vaak aangeduid als de ‘creatieve klasse’) naar hun stad te lokken, om zodoende internationaal of regionaal concurrerend te blijven. Om die reden worden kosten nog moeite gespaard om starchitects torens en appartementen te laten ontwerpen die op internationale vastgoedbeurzen, zoals het MIPIM, de aandacht trekken. In plaats van de minimalistische betonnen kelderboxen en entreehallen uit de jaren zestig, worden de plinten tegenwoordig gekenmerkt door wellness- of fitnessruimtes, zwembaden en hippe horeca.

Private sector stuurt

De derde grote verandering heeft te maken met de betrokken actoren achter de nieuwe hoogbouwontwikkelingen. Er wordt bij het creëren van nieuwe woonruimte steeds vaker naar de private sector en naar beleggers gekeken nu de sturende rol van de overheid als het gaat om ruimtelijke structuurvisies is uitgehold (denk aan het verdwijnen van het ministerie van VROM in 2010) en ook de rol van de semipublieke woningcorporaties onlangs is ingeperkt.

Dit stevig verankerde geloof in decentralisatie en vermarkting is overigens niet alleen een Nederlands fenomeen. In verschillende Europese steden worden inmiddels internationale investeerders en ontwikkelaars verleid om grootschalige projecten te (her)ontwikkelen.

Fouten uit het verleden voorkomen

Jarenlang was het imago van hoogbouw in West-Europa behoorlijk negatief. Dit had vooral te maken met de welbekende sociale problematiek die in veel modernistische flatwijken ontstond. De utopische, egalitaire idealen van de CIAM kwamen helaas niet uit, mede doordat veel middenklassers kozen voor een woning met een eigen tuintje zodra ze dat financieel konden. Geconcentreerde kansarmoede leidde vervolgens op veel plekken tot stigmatisatie, white flight en een daaropvolgende vicieuze cirkel – denk aan de Parijse banlieues.

Een veelgehoord kritiekpunt is dat het toenmalige idee van functiescheiding inmiddels achterhaald is. In tegenstelling tot in – bijvoorbeeld – de Bijlmermeer in het verleden, is het hedendaagse credo juist functiemenging op microniveau. Vandaar ook dat er op de Amsterdamse Zuidas naast kantoren ook steeds meer appartementen worden gerealiseerd.

Zo min mogelijk ‘horizonvervuiling’

Een ander aspect waar veel (Nederlandse) architecten en stedenbouwkundigen op hameren is dat het van fundamenteel belang is dat torens integraal onderdeel uitmaken van hun omgeving: niet alleen moeten ze goed aangesloten zijn op openbaar vervoernetwerken, ook in visueel opzicht heeft het de voorkeur dat ze niet te veel vloeken met de rest van hun omgeving, en dus ook zo min mogelijk leiden tot ‘horizonvervuiling’. Bovendien schijnt er met ‘midden hoogbouw’ een gelijkaardige dichtheid te kunnen worden bewerkstelligd, wat bovendien zou leiden tot meer gemeenschapsvorming.

Niet zo hoog van de toren blazen

Niettemin zijn er ook bij de huidige grenzeloze hoogbouwambities genoeg kritische kanttekeningen te plaatsen. Staan de glimmende wolkenkrabbers, zoals de 215 meter hoge Zalmhaventoren die momenteel in Rotterdam gebouwd wordt, niet vooral symbool voor het kortzichtig boosten van conjuncturele trends in plaats van voor een leefbare, inclusieve en toekomstbestendige stad? Is een hoogbouwcomplex vol met microwoningen ‘duurzaam’ en ‘innovatief’ of toch vooral een stap achteruit, en tekenend voor het winstbejag van projectontwikkelaars?

Londen wordt door tegenstanders van hoogbouw veelal gebruikt als voorbeeld van hoe het niet moet. Hoewel nieuwe woontorens geregeld ook een klein percentage sociale huurwoningen bevatten, liep recent de verontwaardiging hoog op toen bleek dat deze huurders gebruik dienen te maken van een zogenaamde poor door in plaats van de normale entree van het gebouw.

Het achterstallige onderhoud in twintigste eeuwse torens zoals de Grenfell Tower staat bovendien in schril contrast met luxueuze (studenten)appartementen die op grote schaal verrijzen bij nieuwe vastgoedontwikkelingsprojecten. Deze nieuw ontwikkelde studentenhuisvesting biedt alleen een oplossing voor studenten van rijke komaf en voor diegenen die bereid zijn een enorme lening aan te gaan. Het is verder bewezen dat deze, evenals andere recente hoogbouwprojecten, een aantoonbaar prijsopdrijvend effect hebben, terwijl het vooral buitenlandse investeerders zijn die er financieel een slaatje uit slaan.

Bewust zijn van de gevaren van hoogbouw

Door bevolkingsgroei en gezinsverdunning moeten in Nederland meer woningen worden gebouwd. Maar het rücksichtslos ‘meer en hoger bouwen’ is dus niet zonder risico. Hoogbouw kan zeker kansen bieden voor de inclusieve, economisch vitale en duurzame stad van de toekomst, maar daarvoor moeten we ons wel heel erg bewust blijven van de potentiële gevaren en risico’s die op de loer liggen.

Waar de modernistische hoogbouwwijken uit de naoorlogse periode onbedoeld te maken kregen met gettovorming, moeten we er nu opnieuw voor waken dat de hedendaagse hoogbouw bijdraagt aan de ruimtelijke tweedeling. Het kan niet de bedoeling zijn om een centrumstedelijke elite hoog uit te laten torenen boven een achtergestelde, suburbane periferie. Het is daarom belangrijk dat de overheid een stevige vinger aan de pols houdt bij ruimtelijke ordening en vastgoedontwikkeling. Naast functiemenging zou ook weloverwogen sociale menging daarbij een primair uitgangspunt moeten zijn.

Jorn Koelemaij is promovendus in de Sociale en Economische Geografie aan de Universiteit Gent. Hij is een van de twee hoofdredacteuren van AGORA Magazine dat recent een themanummer over hoogbouw uitbracht. 

Foto: Pieter Musterd (Flickr Creative Commons)