Mijn schoonzus is op bezoek in Nederland wanneer haar telefoon voor het eerst gaat die dag. Ze neemt op en schakelt moeiteloos over naar het Noors. Dit zal niet de laatste keer zijn vandaag. Als vertaler kan ze ieder moment gebeld worden; ze staat ingedeeld. Haar telefoon in haar hand, altijd binnen handbereik.
Ze woont twintig jaar in Noorwegen. Ze spreekt en schrijft de taal vloeiend en werkt als ambulant begeleider en vertaler voor nieuwkomers met een Afghaanse en Iraanse achtergrond. Daarnaast geeft ze inburgeringslessen: van taallessen en opvoedvragen tot uitleg over wetten en regels. Ze richtte een stichting op waar ze honderden nieuwe Noren wekelijks leert hoe je je weg vindt in de samenleving. Haar stichting won daarvoor zelfs een prijs.
Nieuwkomers
Terwijl wij praten, luister ik half mee met haar gesprekken. In het Dari. In het Farsi. In het Noors.
Een docent vertelt dat een leerling moeite heeft met taken in de klas. Dat hij soms lijkt te vergeten wat hij moet doen. Mijn schoonzus vertaalt zin voor zin voor een ouder die nog niet zo lang in Noorwegen woont.
‘Is er vergeetachtigheid in de familie?’ vraagt ze.
Ja, antwoordt de vader. Zijn vrouw heeft er veel last van.
Dan trilt haar telefoon opnieuw.
Dit keer gaat het over geld. Woongeld is besteed aan kleedgeld. Geen geld meer voor een tv. De professional legt uit dat het geld bedoeld was voor de inrichting van de woning, niet voor nieuwe kleding. Mijn schoonzus vertaalt. Rustig. Zakelijk. De oplossing: tweedehandskleding, zodat er gespaard kan worden. Ik kijk toe. Dit is geen gesprek over een tv. Dit is een les over keuzes, systemen en verwachtingen.
Haar telefoon staat dag en nacht aan. Bijna alle nieuwkomers in haar stad hebben haar nummer
Ik vind deze gesprekken fascinerend. Ik vraag haar in welke fase van inburgering (rotwoord) zij de nieuwkomers plaatst. Ze vertelt dat Noorwegen de afgelopen twintig jaar veel mensen heeft opgevangen en dat de focus ligt op taal, zo snel mogelijk onderwijs en daarna werk. Ze vertelt over een jong echtpaar dat nog geen twee jaar in het land is en die nu allebei aan de universiteit studeren: bestuurskunde en geneeskunde. Over mensen die binnen vijf jaar huiseigenaar zijn. In Noorwegen is een huis kopen makkelijker dan in Nederland. De overheid helpt mee. En met een bevolking van ruim vijf miljoen is er ruimte. Letterlijk en figuurlijk.
Perspectief bieden
Langzaam besef ik hoe onmisbaar mensen zoals mijn schoonzus zijn. Zij is vaak het eerste aanspreekpunt. Ze maakt mensen wegwijs en laat hun zien wat mogelijk is. Wat ze bovenal doet, is perspectief bieden: samen een plan maken en steeds weer dezelfde vraag stellen. Waar wil je over vijf jaar staan? En wat heb je nodig om daar te komen? En dat grotendeels vrijwillig. Haar telefoon staat dag en nacht aan. Bijna alle nieuwkomers in haar stad hebben haar nummer.
‘Zijn jullie bezig om de acceptatie van migranten te vergroten?’
‘Hoe staan jullie in jullie inburgeringsfase?’ vraagt ze mij.
Ik kan een lach niet onderdrukken. Inburgering is in Nederland voor de meeste mensen met een migratieachtergrond al lang geen thema meer. We hebben te maken met derde en vierde generaties die feitelijk niet eens meer meetellen als ‘migrant’.
‘Zijn jullie bezig om de acceptatie van migranten te vergroten?’ vraagt ze.
Weer lach ik.
‘Nee’, zeg ik. ‘Wij zijn bezig om duidelijk te maken: je kunt niet meer om ons heen. Acceptatie of niet, we zijn er. En net als ieder ander eisen we dat we als Nederlander behandeld worden.’
Ik pauzeer.
‘Dus ja’, zeg ik, ‘we zijn nu bezig de witte Nederlander te helpen met inburgeren.’
En heel even ben ik trots.
Trots op ons.
Sahar Noor is onderzoeker en schrijver