COLUMN Menselijke vrijheid

Wij zijn niet verplicht om onder barre omstandigheden door te leven, wij kunnen ontsnappen, schrijft Christa Anbeek van Movisie.

Op 1 januari 2026 is de Wet integrale suïcidepreventie in werking getreden. Gemeenten hebben vanaf die datum een wettelijke taak (plicht?) om suïcides te voorkomen. Zij krijgen hiervoor 10 miljoen. Als coördinator van de Vierde Landelijke Agenda Integrale Suïcidepreventie 2026-2030 speelt Stichting 113 Zelfmoordpreventie een centrale rol in het vormgeven van het nieuwe beleid.

Tal van organisaties bundelen hun krachten om de vijf programmalijnen van de Agenda uit te werken: zorg, ter plekke, jong, praat maar en regionale samenwerking. Als medewerker van Movisie, een van de sleutelorganisaties die meewerkten aan het opstellen van de Landelijke Agenda, mocht ik een ontwerpbijeenkomst meemaken. Alhoewel ik als mens én als professional veel ervaring heb met (reflectie op) verlangen naar de dood én suïcide, kreeg ik het gevoel dat ik op een vreemde planeet was beland. Opgewektheid, flitsende presentaties, strijdvaardigheid en hoge doelen wekten de indruk dat zelfmoord ooit verleden tijd zal zijn. Het streven is om samen zoveel mogelijk suïcides te voorkomen. ‘Zero suïcide’ was het motto van de oprichters van Stichting 113 in 2009, en hun ambitie lijkt aanstekelijk te hebben gewerkt.

Zero suïcide!

Ons verzet tegen zelfdoding heeft eeuwenlange wortels. In het christelijk geloof wordt het leven als een geschenk van God gezien. Daarom is het verkeerd om jezelf van het leven te beroven, ook al staat er in de Bijbel nergens een verbod op zelfdoding. Augustinus (354-430) stelde dat het gebod ‘Gij zult niet doden’ betekent dat je geen ander mens mag doden, maar ook jezelf niet. Thomas van Aquino (1225-1275) beargumenteerde dat door zichzelf te doden mensen zich een macht over het bestaan toe-eigenen die alleen aan God toekomt. Zelfmoord werd gezien als zonde, daarom mochten zelfmoordenaars ook niet op gewijde grond rondom de kerk begraven worden.

Zelfmoord wordt nog als falen, betreurenswaardig en verkeerd gezien

Sinds de opkomst van de psychiatrie is dit discours meer en meer verdrongen. Zelfmoord werd niet langer gezien als zonde, maar als geestesstoornis die behandeld moet worden. In die zin nam de maatschappij de plek van God in. Zelfmoord is uit de criminele sfeer gehaald, maar wordt nog wel als falen, betreurenswaardig en verkeerd gezien. Zelfmoord is uit den boze en dient voorkomen te worden. Nu met wetgeving en al: zero suïcide! Maar wat verliezen we hiermee?

Tragiek en vrijheid

Zelfmoordenaars hebben mij altijd gefascineerd. De moedigen, zij die niet terugdeinzen maar de sprong wagen. De leegte in, het niets. Nooit meer voelen, nooit meer slapen. Als tiener keek ik op tegen mijn broer. Hij was vijf jaar ouder, lang krullend haar, muzikaal en hoogbegaafd – ook al was die term in de jaren zeventig van de vorige eeuw nog niet gangbaar om uitzonderlijke intelligentie en sensitiviteit mee aan te duiden. We musiceerden samen en voerden lange gesprekken over de zin van het leven. Hij was mijn grote voorbeeld, ook toen hij op achttienjarige leeftijd besloot het leven achter zich te laten. Die keer lukte dat niet, maar de toon was gezet. Ooit zou hij de sprong opnieuw wagen. Tijd en plaats waren toen nog onbekend, maar de keuze niet.

Tijdens het werken aan mijn proefschrift over de dood in het christendom en het boeddhisme verdiepte ik mij in biografieën van dichters en denkers die de hand aan zichzelf sloegen: Virginia Woolf (1882-1941), Marina Zwetajeva (1892-1941), Sylvia Plath (1932-1963), Paul Celan (1920-1970), Jean Améry (1912-1978). Hoe kon ik hun moed begrijpen? Was er meer te zeggen dan dat zij door verwardheid niet langer helder konden denken? ‘Wie eruit stapt, is niet noodzakelijk aan waanzin ten prooi, is niet eens in alle gevallen 'gestoord' of 'verstoord'. De neiging zich vrijwillig te doen sterven, is geen ziekte waarvan men zoals van de mazelen genezen moet worden... De zelfgekozen dood is een privilege van de mens(elijkheid)’, aldus Améry.

Filosofisch argument voor zelfdoding

Wij zijn vrij om te kiezen voor leven, maar ook vrij om te kiezen voor de dood, zo heeft de Schepper zelf ons gemaakt. Dit is het belangrijkste argument van de Engelse filosoof David Hume (1711-1776) in zijn essay over zelfdoding. Er kunnen geen argumenten tegen het recht op zelfdoding gevonden worden, volgens Hume. Zelfdoding is vrij van elk spoor van schuld of zonde. Wij hebben het vermogen om nee te zeggen tegen een leven dat ellendig geworden is. Er zijn zelfs argumenten te noemen om deze vrijheid te gebruiken.

Als het leven een ondraaglijke last geworden is, is men gerechtigd er afscheid van te nemen (Hume)

Wij gebruiken onze geestelijke en lichamelijke krachten sowieso om wijzigingen in de loop van de natuur tot stand te brengen. Wij bouwen huizen, bewerken de grond en bevaren oceanen. Deze activiteiten zijn allemaal onschuldig en evenmin misdadig. ‘Als het geen misdaad zou zijn de loop van Nijl of Donau te verleggen wanneer ik daartoe in staat was, waarin schuilt dan het misdadige wanneer iemand een klein beetje bloed uit zijn natuurlijke baan zou leiden!’ Doe je hier een ander mee tekort? Hooguit doordat je geen goede dingen meer kunt doen, maar dat is in Hume’s ogen een klein vergrijp.

Soms is het zelfs verdienstelijk om je uit het leven terug te trekken. Stel dat je niet meer in staat bent om het algemeen belang te dienen, en je leven anderen verhindert om dat belang te dienen. Dan kan de terugtrekking uit het leven niet alleen worden beschouwd als zonder schuld, maar zelfs als prijzenswaardig. Hoge leeftijd, ziekte of ongeluk kunnen het leven tot een last maken, een last die zwaarder kan wegen dan het leven zelf.

Hume is ervan overtuigd dat niemand zich ooit het leven benomen heeft terwijl hij het nog de moeite waard vond. Onze natuurlijke afkeer van de dood is immers zo groot dat onbeduidende motieven ons daar nooit mee kunnen verzoenen. Als het leven een ondraaglijke last geworden is, is men gerechtigd om er afscheid van te nemen.

Te eenzijdig

Als het leven zich tegen ons keert, hebben wij een wapen in handen waarmee wij onszelf kunnen bevrijden. Wij zijn niet in staat om elke situatie ten goede te keren. Het leven kan buiten onze macht om bar en boos worden. Als tragiek de overhand neemt, kunnen wij ontsnappen. De hand aan zichzelf slaan, nee zeggen tegen een leven dat tegen elke zin en waardigheid indruist, kan paradoxaal genoeg een teken van vitaliteit zijn. Het motto ‘zero suïcide’ is te eenzijdig en draagt een risico in zich om – net als in vroeger tijden – te ontaarden in ‘zero tolerance’. Zelfmoord is niet altijd uit den boze, of het gevolg van een afwijking die behandeling behoeft, maar toont dat wij ten diepste vrije mensen zijn. Voor deze vrijheid is moed nodig. Degenen die ons deze moed hebben laten zien, verdienen ons respect.

De Russische dichter Marina Tsvetajeva schreef enige maanden voor haar ‘Freitod’ op 31 augustus 1941:

 Het is tijd

Het is tijd om de barnsteen af te leggen

Het is tijd om de woorden te vervangen

Het is tijd om de lantaarn te doven

Boven deze deur…

 

Christa Anbeek is bijzonder hoogleraar Godsdienstfilosofie aan de Radboud Universiteit en coördinator kennisfundament voor Movisie. Met dank aan Sonja van Rooijen.

 

Foto: Fred Tigelaar