De ene werkloze is de andere niet

Draagvlak voor sociale zekerheid is niet vanzelfsprekend. Of we vinden dat iemand recht heeft op overheidssteun, hangt af van ons mensbeeld.

Wie verdient een uitkering? Deze vraag wordt regelmatig gesteld. Bijvoorbeeld toen bleek dat Poolse arbeidsmigranten de werkloosheidsuitkering (ww) gebruiken als vakantietoeslag. Of als uitkomt dat bijstandsgerechtigden er een vakantiehuisje in een warm land op nahouden.

Ideeën over wie bijstand verdient, vormen de basis voor hervorming van sociaal beleid. Het is ook een middel van politieke profilering. Denk aan het recente voorstel van de VVD, dat werklozen maar aan de slag moeten als vakkenvuller – op straffe van een korting op hun uitkering.

De ene werkloze is de andere niet

De claims die verschillende groepen leggen op sociale steun worden voortdurend afgewogen op basis van verdienste. De ene werkloze is in dat opzicht de andere niet. Uit eerder onderzoek weten we dat mensen aan de hand van verschillende criteria oordelen of bepaalde groepen werklozen overheidssteun verdienen.

Zo maakt bijvoorbeeld nogal wat uit of de werkloze in kwestie als gevolg van eigen toedoen werkloos is geworden of niet, of hij of zij hoog of laag opgeleid is, wel of geen kinderen heeft en of uit het buitenland afkomstig is of niet.

Recent publiceerden we een artikel over ons onderzoek naar deze opinies ten aanzien van werklozen in meer detail. Ten eerste onderzochten we hoe mensen denken over het verplichten van vrijwilligerswerk voor uitkeringsgerechtigden en of de situatie van de uitkeringsgerechtigde (zoals schulden of werkbereidheid) hier ook verschil maakt.

Ten tweede bekeken we in hoeverre oordelen over deze rechten en plichten van uitkeringsgerechtigden afhangen van de culturele waarden van de beoordelaars zelf. Ook de ene beoordelaar is immers de andere niet.

Mensbeelden en situaties van werklozen

Om dit te onderzoeken hebben we een representatieve groep Nederlanders ingedeeld op basis van hun denkbeelden over mens en samenleving. We onderscheiden vier groepen Nederlanders. Vertrouwenden hebben weinig maatschappelijk onbehagen en vinden individuele verantwoordelijkheid een groot goed. Gelijkheidsstrevers streven als moderne Robin Hoods ernaar verschillen tussen rijk en arm te minimaliseren. Vervreemden blinken vooral uit in maatschappelijk onbehagen en laag sociaal vertrouwen. De middengroep tot slot heeft geen sterk onderscheidend cultureel profiel.

We hebben de ondervraagden een fictieve casus (een zogeheten vignet) van werklozen in verschillende situaties voorgelegd. Vervolgens kregen deelnemers de vraag in hoeverre die werkloze volgens hen recht heeft op sociale steun (in de vorm van een uitkering, baancoach en omscholing) en in hoeverre hij kan worden verplicht om vrijwilligerswerk te doen in ruil voor een uitkering.

De werkloze die in de casussen centraal stond, verschilde op basis van de volgende kenmerken: identiteit (hij heette ofwel Jan van de Marel ofwel Tzannis Tzannetakis), behoeftigheid (hij was voorheen werkzaam als bankdirecteur ofwel bouwmedewerker, en hij had ofwel veel geld gespaard ofwel veel schulden), houding (hij was ofwel bereid te verhuizen voor nieuwe baan of niet), verantwoordelijkheid (hij was ofwel werkloos als gevolg van disfunctioneren ofwel als gevolg van economische crisis), en werkbereidheid (hij was ofwel actief op zoek naar nieuwe baan ofwel had nog niet naar werk gezocht). Door zulke kenmerken te variëren kunnen we zien welke van deze kenmerken het meest cruciaal zijn in oordelen over sociale rechten en plichten.

Werkbereid en behoeftig

Het blijkt dat men over het algemeen vindt dat een uitkering een sociaal recht is. Mensen denken echter anders over waarom dat het geval is. Het verschil zit in ieder geval niet in de Griekse nationaliteit: Jan en Tzannis worden door alle groepen vergelijkbaar gesteund. Het recht op sociale steun wordt daarentegen vooral bepaald door het beeld van werklozen als werkbereid en behoeftig.

Voor de vertrouwenden en middengroep – de grootste groepen – is werkbereidheid de belangrijkste voorwaarde voor recht op sociale steun, in dit geval het actief zoeken naar werk. De aantoonbare bereidheid om iets terug te doen is voor veel mensen dus een belangrijk signaal om steun te verlenen. Dit suggereert dat het inbedden van wederkerigheid in sociaal beleid weinig draagvlak creëert als werklozen hun werkbereidheid niet kunnen laten zien.

Maar mensen met gelijkheid als culturele waarde hoog in het vaandel, hebben meer aandacht voor behoeftigheid dan de wederkerigheid of verantwoordelijkheid. Signalen van schulden of een laag inkomen werken onder hen veel sterker om draagvlak voor sociale steun te scheppen.

Een derde groep, de vervreemden van de samenleving, keurt sociale steun meer af ongeacht wie er om vraagt. Deze groep heeft ook een sterkere voorkeur voor het opleggen van verplichtingen aan werklozen. De suggestie is dat wrok en wantrouwen jegens de samenleving het solidariteitsgevoel onvoorwaardelijk ondergraaft.

Ten slot is er onder alle groepen een redelijke steun (gemiddeld een score van 6,7 op een schaal van 10) voor verplicht vrijwilligerswerk. In tegenstelling tot sociale rechten blijken kenmerken van de werkloze hier echter nauwelijks een rol te spelen: mensen reageren veelal vergelijkbaar op de verplichting ongeacht de situatie. Het verplichten van vrijwilligerswerk lijkt daarmee op andere principes dan verdienste gebaseerd te zijn.

De kracht van verwachtingen

De resultaten van ons onderzoek laten dus inderdaad zien dat de ene werkloze de andere niet is. Maar belangrijker nog, de ene beoordelaar is ook de andere niet: culturele denkbeelden spelen een rol in beoordelen van de steun voor uitkeringsgerechtigden en verzorgingsstatelijk beleid. Zo zien we dat oordelen over werkloosheidsuitkeringen de uitkomst zijn van een interpretatief proces, gestuurd door culturele denkbeelden.

De lijn tussen wat mensen enerzijds zien als profiteur die nodig eens ‘aan het werk geschopt’ moet worden en anderzijds ‘het slachtoffer’ dat gesteund moet worden, ligt dus niet alleen in de objectieve werkelijkheid en de verschillende kenmerken van de werkloze in kwestie, maar ook in onze interpretatie van de feiten.

De sleutel naar breed draagvlak van sociaal beleid schuilt daarmee niet in een enkele maatregel, zoals strengere handhaving van middelentoetsen of een tegenprestatie voor die uitkeringsgerechtigde, maar in een zorgvuldige combinatie van de noodzaak tot het verlenen van steun, de eigen verantwoordelijkheid van de uitkeringsgerechtigde en de voorwaardelijkheid van de uitkering.

Erwin Gielens is promovendus aan Tilburg University. Hij onderzoekt het debat rondom het basisinkomen.

Femke Roosma is postdoctoraal onderzoeker aan Tilburg University en gemeenteraadslid namens GroenLinks in Amsterdam. Ze doet onderzoek naar het maatschappelijk draagvlak voor sociaal beleid.

Peter Achterberg is hoogleraar cultuursociologie aan Tilburg University met een brede onderzoeksinteresse, waaronder onderzoek naar maatschappelijke onvrede, religie en spiritualiteit en vertrouwen in de wetenschap.

 

Foto: Jeff Milner (Flickr Creative Commons)

Dit artikel is 2775 keer bekeken.

Reacties op dit artikel (1)

  1. Jan Brouwer, (oud-accountant-administratieconsulent, student cultuurwetenschappen) schreef:

    Ik ben wetenschapper noch professional op dit gebied. Misschien daardoor rijzen bij mij een aantal vragen. Onder de aanname dat hoe mensen zijn in belangrijke mate wordt bepaald door de waarden en normen die gelden in de omgeving waarin zij zich ontwikkelen, doet mij dit onderzoek een beetje denken aan de beantwoording van de vraag waaruit de oogst bestaat als je een heel seizoen besteedt aan het telen van worteltjes.
    Ook de onderzoekers zelf hebben hun eigen waarden en normen, en die zijn lastig buiten te sluiten bij je vraagstelling. Om te komen tot een indeling van groepen die een bepaald mensbeeld hebben, zal allicht een vragenlijst zijn voorgelegd en daarin zit onvermijdelijk de burgerethiek van de onderzoekers verpakt. Mij viel bijvoorbeeld dit groepsetiket op: ‘Gelijkheidsstrevers streven als moderne Robin Hoods ernaar verschillen tussen rijk en arm te minimaliseren.’
    Ook deze passage valt mij op: ‘[…] in hoeverre hij kan worden verplicht om vrijwilligerswerk te doen in ruil voor een uitkering.’ Er zijn naar mijn waarneming maar weinig mensen met een uitkering die hun tijd in volstrekte maatschappelijke nutteloosheid doorbrengen. Absoluut nutteloos zijn is ook heel moeilijk! Terwijl de mens die de resultaten van zijn zelfstandige tijdsbesteding tegen betaling aan de samenleving aanbiedt, als startend ondernemer wordt begroet met veel waardering, wordt degene die óók zijn bezigheden geheel zelf bepaalt, maar zónder betaling aan de samenleving laat, of tegen het genot van een uitkering, juist níet gewaardeerd. Dan is er sprake van een door de omgeving opgelegde plicht – en allicht ook goedkeuring door een instantie.
    Maar de notie dat de individuele menselijke (gelijk-)waardigheid wordt ontleend aan zijn blote bestaan is dan ook geen natuurwet maar eveneens onderdeel van een ethiek.

Reageer

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *