Een goed of slecht karakter bestaat wel degelijk

In het Groningse dorp Haren lieten mensen zich van hun slechtste kant zien. En de rechter vond alle verdachten schuldig aan de dood van grensrechter Van Nieuwenhuizen. Volgens een aantal filosofen zijn de geweldplegers slachtoffers van de situatie. Maar hun betoog weet niet te overtuigen.

Stanley Milgram, psycholoog aan de universiteit van Yale, toonde in 1963 met een beroemde serie experimenten aan dat het reuze makkelijk is om gewone mensen buitengewoon nare dingen te laten doen. Milgram ontdekte dat proefpersonen bereid waren om zware elektrische schokken toe te dienen aan een vriendelijke man als deze laatste een fout antwoord gaf op een geheugen-test. Hen werd gevraagd bij ieder fout antwoord de intensiteit van de schokken - die overigens niet echt waren - te verhogen. Ondanks luid protest, kreten van pijn en hulpgeroep van het slachtoffer gaf de overgrote meerderheid van de proefpersonen toch gehoor aan het beleefde verzoek van de onderzoeker om door te gaan tot de sterkste schok (450 Volt). Dit ondanks het feit dat velen van hen twijfelden, en ze hadden kunnen weigeren zonder enige nadelige consequentie voor henzelf. Milgram's onderzoek is vaak herhaald en leverde telkens vergelijkbare resultaten op.

Naar aanleiding van dit en meer recente psychologische onderzoeken is in de filosofie een verhit debat ontstaan over de vraag wat nu eigenlijk doorslaggevend is voor het menselijk handelen: de situatie waarin men zich bevindt of het karakter van de handelende persoon? De meeste mensen denken het laatste. Maar een groep spraakmakende ‘situationistische’ filosofen verwerpt deze opvatting en claimt dat de handelingssituatie de bepalende rol speelt. Daarmee keren zij zich tegen de traditionele opvatting in de filosofie als zou het handelen van de mens bepaald worden door diens (goede dan wel slechte) karaktertrekken.

Wel of geen karakter: er is een patstelling

De situationisten wijzen erop dat deelnemers aan Milgrams onderzoek ondanks al hun individuele verscheidenheid toch vergelijkbaar gedrag lieten zien; gedrag dat bovendien meevarieerde met variaties in de omstandigheden van het experiment. Door dit en soortgelijke experimenten wordt volgens hen aangetoond dat het gedrag van mensen bepaald wordt door de situatie waarin ze zich bevinden, en niet door hun innerlijke overtuiging van wat goed of fout is. Er is, zo stellen de situationisten, geen empirisch bewijs dat er zoiets als karakter bestaat. De conclusie die zij trekken is, dat het geen zin heeft om ons te richten op de verbetering van ons karakter, en dat we maar beter kunnen proberen te voorkomen dat we in situaties terecht komen waarin we ons verkeerd gaan gedragen.

Er zijn een paar veelgehoorde reacties op deze stelling. Vaak reageren mensen door te zeggen dat de experimenten niet aantonen dat ethisch handelen onmogelijk is, maar hooguit dat het weinig voorkomt. Misschien moeten we ons optimisme wat temperen, zo is de redenering, maar het volgt niet dat het zinloos is om te proberen jezelf te verbeteren. Een andere veel voorkomende reactie is te stellen dat een karaktertrek iets innerlijks is en dat je wel degelijk een bepaald karakter kan hebben ook al handel je daar in een bepaalde situatie niet naar. Iemand kan bijvoorbeeld best over het algemeen behulpzaam zijn en het slachtoffer in het Milgram experiment willen helpen, maar dat toch niet doen omdat hij de wetenschap van dienst wil zijn.

Deze antwoorden op het situationisme worden door velen als afdoende beschouwd. Maar de situationisten zijn er niet van onder de indruk en geven zich absoluut niet gewonnen. In hun optiek laten de experimenten zien dat een goed karakter, hoewel misschien niet absoluut onmogelijk, dan toch wel héél, héél erg onwaarschijnlijk is. En bovendien, hoe meer men benadrukt dat karakter iets innerlijks is, hoe meer men in de ogen van de situationisten toegeeft dat we van dat zogenaamde karakter in de praktijk van het handelen weinig merken. De stand van het debat op het moment is dat beide partijen vinden dat ze gewonnen hebben. Maar deze patstelling is onbevredigend: want waar moeten we ons dan op richten in de morele opvoeding, om maar iets te noemen?

Twee denkfouten van de situationisten

Toch kan deze patstelling doorbroken worden. Want wat in dit debat tot nu toe niet gezien is, is dat de situationisten twee denkfouten maken.

De eerste denkfout is dat ze menen dat als het handelen van proefpersonen varieert met de situatie, dit betekent dat hun handelen door de situatie bepaald wordt. Een voorbeeld helpt om duidelijk te maken wat er fout gaat. Neem een politicus die zegt dat hij anderen graag helpt, maar die alleen echt helpt als er camera’s in de buurt zijn. Een situationist zal hieruit afleiden dat niet de innerlijke hulpvaardigheid van de politicus maar de situatie (namelijk of er camera’s zijn) zijn handelen bepaalt. Maar wat de situationist over het hoofd ziet is, dat er ook een andere mogelijke verklaring is: de politicus zou een opportunist kunnen zijn die alleen wil helpen als hij met een foto in de krant komt. In dat geval zou er wel degelijk een karaktertrek aan zijn handelen ten grondslag kunnen liggen, namelijk zijn opportunisme, dat tevens verklaart waarom zijn handelen varieert met de situatie (de aan- of afwezigheid van camera’s).

De tweede denkfout is dat de situationisten zich niet realiseren dat hun eigen praktische raad om bepaalde situaties te vermijden, het bestaan van een soort moreel karakter vooronderstelt. Situationisten zijn optimistisch over de mogelijkheden om mensen tot beter gedrag aan te zetten.  Daartoe moeten mensen leren om ‘ethisch gevaarlijke situaties’ te voorkomen. Maar met deze aanbeveling veronderstellen de situationisten impliciet dat wij wel degelijk kunnen handelen op grond van ‘innerlijke’ karaktertrekken. Want om goed te bepalen welke situaties ik moet vermijden, en om die situaties ook daadwerkelijk te kunnen vermijden, moet ik  minstens kunnen en willen handelen op grond van inzicht in wat ethisch goed is. Het ‘managen’ van de situaties waarin ik terecht kom, is niet zelf een vorm van handelen dat bepaald wordt door de situatie. De situationisten doen dus impliciet een beroep op iets dat lijkt op moreel karakter, terwijl ze zelf betogen dat dit laatste niet bestaat. Kortom, het situationisme verwikkelt zichzelf in tegenstrijdigheden.

De argumentatie van de situationisten kan dus niet overtuigen. Maar dat maakt het psychologisch onderzoek van menselijk gedrag niet minder interessant. Natuurlijk worden we wel degelijk vaak beïnvloed door allerlei factoren in de situaties waarin we ons bevinden. Beter inzicht daarin kan ons inderdaad helpen ongewenste invloeden te vermijden. Maar juist als we van dit soort kennis goed gebruik willen maken, gaan we er al van uit dat we kunnen handelen op een manier die niet helemaal bepaald wordt door de situatie.

Pauline Kleingeld is hoogleraar ethiek aan de Rijksuniversiteit Groningen.

Dit artikel is 4070 keer bekeken.

Reacties op dit artikel (4)

  1. Volgens mij is ‘socialisatie’ hier de bindende factor. Hoe leer je omgaan met bepaalde situatie. Niet alleen wat betreft ‘wat’, maar ook wat betreft het ‘hoe’. En welke verantwoordelijkheden spelen er een rol.
    Milgram nam alle verantwoordelijkheid op zich als het fout ging.
    Dan is het makkelijk scoren.
    Aangezien we de socialisatie van onze kinderen geoutsourced hebben, hebben kinderen tegenwoordig een minder eenduidig kader over en het ‘wat ‘en het ‘hoe’.
    En snappen ze dus vaak niet wat ze doen. Of moeten doen.
    Wat betreft het ‘wat’ en het ‘hoe’.

  2. In de lilaca wordt karakter gezien als een serie eigenschappen die verankerd liggen in de lichaamsmaterie, in het DNA. Iemand kan deze eigenschappen meer of minder kennen en meer of minder laten zien. Er wordt in de lilaca ook geen onderscheid gemaakt tussen goede en slechte eigenschappen, ze bestaan eenvoudigweg. Iemand die met zichzelf leeft zal proberen zicht te krijgen op de werking van deze eigenschappen, zodat hij deze op een prettige manier kan inzetten in zijn leven en werken. Hij zal dan als vanzelf situaties mijden die ongewenst zijn voor hem.

  3. De doorslaggevendheid van een goed of een slecht karakter is met de experimenten van Milgram niet aangetoond.

    Ik verwijs daartoe naar de eerste experimenten die ten grondslag liggen aan de speltheorie. Ook die experimenten toonden aan dat personen altijd voor de kwaadste optie kiezen. Namelijk verraad en geen vertrouwen.

    Verdere experimenten en theorievorming hebben deze eerste kwalificatie van menselijk gedrag echter naar de prullenmand verwezen. In die experimenten werden de beslissingen van de proefpersonen gerelateerd aan de terugkoppeling en correctie van gedrag onder invloed van personen (beïnvloeders) in de directe sociale omgeving. Negatieve terugkoppeling (feed back) van personen (beïnvloeders) leiden tot aanpassing van het gedrag van de proefpersoon.
    Positieve terugkoppeling leidt juist tot een versterking van het getoonde gedrag.

    Voor de theoretische onderbouwing van de speltheorie hebben wiskundigen modellen gebouwd op basis waarvan zij hebben aangetoond dat herhaald vertrouwensgedrag altijd tot het beste resultaat leidt. In mijn ogen is dat ook het bewijs dat omstandigheden zeer bepalend zijn voor het geuite gedrag.

    Een maatschappij die voor de volle 100% op vertrouwensgedrag is gebaseerd is echter per definitie onmogelijk: ‘In een samenleving waar ultiem vertrouwen bestaat heeft een oplichter het wel heel erg gemakkelijk’. Een ideale samenleving (voer voor politici van alle richtingen) is daarmee per definitie onmogelijk. Alle pogingen die daartoe in de geschiedenis zijn gedaan hebben, uiteindelijk, niet tot eeuwigdurende resultaten geleid.

    Met een conclusie dat ‘situationisten’ wel eens flink in hun gelijk zouden kunnen staan schieten we echter niets op als we niet begrijpen welke omstandigheden zo ingrijpend veranderd zijn, waardoor ethiek en moraal ernstig worden bedreigd, en fraude, hebzucht en onsociaal gedrag, ik noem dat verradersgedrag, de standaard dreigen te worden.

    Alvorens in te gaan op de mijns inziens dominante veranderingen in de omstandigheden, wil ik eerst ingaan op het andere uiterste in de opvattingen over de werking van moraal en ethiek: ‘De deugdenleer’.

    Binnen de NBA, Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants, hebben naar aanleiding van de roep om deugdzaam te zijn en deugden hoog op de agenda van de accountant te zetten, in beperkte kring gesprekken over deugden in de loop van de geschiedenis plaats gevonden. De gesprekken vonden plaats op basis van de theorieën van Aristoteles, Augustinus en Kant.

    De conclusie was dat deze drie filosofen zich alle drie oprecht over het vraagstuk van ethiek en moraal hebben gebogen, en belangrijke conclusies en leerstellingen hebben getrokken en ontwikkeld, doch dat zij dit alle drie hebben gedaan binnen het kader van de politieke omstandigheden van hun tijd en/of binnen het kader van de stand van de toenmalige kennis/wetenschap.

    De speltheorie kan verklaren waarom een filosoof rekening houdt met de politieke omstandigheden. Aristoteles en Plato ontwikkelden hun leer in een samenleving waar onderdrukking van een groot deel van de bevolking gebruikelijk was. Voor het ontwikkelen van hun leer dienden zij zich te confirmeren aan de politieke realiteit of de dood/verbanning. Socrates maakte een andere keuze.

    Anderzijds is Kant bij het ontwikkelen van zijn deugdenleer beperkt door de toenmalige kennis van de sociale wetenschap. Maar ook dat zijn, in de kern, omstandigheden.

    Daarmee kom ik op de omstandigheden die heden ten dag tot een verklaring van het wereldwijde verval van ethiek en moraal hebben kunnen leiden. Daartoe constateer ik allereerst dat dat verval zich in alle politieke systemen voordoet. Het kan daarom ook niet de conclusie zijn dat één politiek filosofische stroming aangewezen kan worden als de veroorzaker van de veranderende omstandigheden.

    Dé dominante oorzaak van veranderend gedrag, van veranderende ethiek en moraal, moet zijn oorsprong vinden in een veranderende manier van werking van terugkoppelingsmechanismen. (Ik acht het niet aannemelijk dat het DNA van mensen wereldwijd in een keer in dezelfde, moraal ondermijnende, richting veranderd).

    Ik kan slechts twee oorzaken aanwijzen die wereldwijd gelijkvormig tot andere omstandigheden leiden: Massa Mobiliteit en Massa Communicatie. Beiden leiden tot een fragmentatie en versnippering van de samenleving en daarmee tot verlies van de van oudsher werkzame sociale en politieke terugkoppelingsmechanismen; individualisme is geen oorzaak maar een gevolg. Een gevolg dat leidt tot fraude, hebzucht en onsociaal gedrag.

Reageer

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *