Streven naar effectiviteit in sociaal domein past niet bij huidige tijd

De vraag naar wat werkt in het sociaal domein is nog steeds het thema van veel congressen en onderzoeksprogramma’s. Soms als algemene vraag, soms met de toevoeging ‘voor wie in welke omstandigheden?’ en een enkele keer met: ‘waarom weten we nog steeds niet wat werkt?’ Hans Bosselaar vindt dit een naïeve vragen die niet meer passen bij deze tijd.

De steeds terugkomende vraag naar wat werkt in het sociaal domein staat niet alleen centraal op congressen, maar ook in grote onderzoeksprogramma’s in uiteenlopende sectoren van het sociaal domein. Het lukt kennelijk niet om er de vinger achter te krijgen.

Wat werkt om langdurig werkzoekenden aan een baan te helpen of om de eigen kracht van ouderen en hun netwerken aan te boren? Om wijken veiliger te maken en burgers onderling te verbinden? Om het niveau van het onderwijs op te krikken, om de aansluiting van het onderwijs op de arbeidsmarkt te verbeteren? Heel bestuurlijk en professioneel Nederland is op zoek naar de heilige graal van de effectiviteit van allerhande interventies, geholpen door legers onderzoekers, adviseurs en congresbureaus.

‘Maakbaarheidsdenken’ is inmiddels te simplistisch

Als de vraag maar blijft terugkeren en kennelijk niet naar tevredenheid beantwoord wordt, is er iets anders aan de hand. In de sociaalwetenschappelijke literatuur wordt al jaren gesproken van de overgang van de moderniteit naar de laatmoderniteit (Anthony Giddens), of de tweede moderniteit (Ulrich Beck). De overgang van een periode van (succesvol) ‘maakbaarheidsdenken’ naar een nieuwe tijd waarin de maakbaarheid van de maatschappij steeds moeilijker wordt.

Dat komt onder meer door de emancipatie en individualisering van grote groepen burgers, door de toenemende invloed van de globale buitenwereld en door de uitdijende rol van (digitale) netwerken in de ordening van onze samenleving. Hierdoor worden maatschappelijke vraagstukken steeds complexer en ontwikkelen zich voortdurend nieuwe perspectieven op de aard en urgentie van problemen en de daarbij passende oplossingen.

Tegen dit licht is de vraag naar wat werkt, zelfs met de toevoeging voor wie en in welke omstandigheden, een grote versimpeling van de uitdagingen waar het lokale sociaal domein voor staat.

Effectiviteitsstreven is naïef en ondermijnend

Het blijven zoeken naar het antwoord op de vraag wat werkt is nogal naïef als we zien hoe de laatmoderniteit zich aan ons openbaart. Maar deze naïviteit heeft vergaande consequenties. Waar grote behoefte en noodzaak bestaan om als overheid en als samenleving anders op de grote vraagstukken te reageren, blijven velen in de maakbaarheidsgroef hangen.

Te beginnen met de, ‘van bovenaf’ geagendeerde en geleide zoektocht naar evidence-based oplossingen die vervolgens met ‘methodisch werken’ van professionals over burgers en gemeenschappen ‘uitgerold’ kunnen worden. Vergezeld van eenzelfde vorm van aansturing van publieke en maatschappelijke organisaties en hun professionals, ongeacht het feit dat we nog steeds niet weten – en kunnen weten – wat werkt.

In een zeer scherp artikel van enkele jaren terug fileren Patrick Overeem en Berry Tholen deze benadering.[1] Zij stellen dat het blijven zoeken naar en louter sturen op effectiviteit in deze tijd alleen dient om de eigen organisaties in het middelpunt van het maatschappelijke en politieke proces te plaatsen.

Waar een overheidsorganisatie in het leven is geroepen om ‘het goede leven’ van de burgers dichterbij te brengen, dient het effectiviteitsstreven geen ander doel dan de eigen, bureaucratische greep op dat leven te verstevigen.[2] Gulzig bestuur noemt Willem Trommel dit in zijn oratie in 2009.[3] Effectiviteit als hoogste maatschappelijk waarde gaat voorbij aan de primaire rol van de overheid en ondermijnt de betrokkenheid, kundigheid en moed van publieke en maatschappelijke professionals en van burgers en gemeenschappen, zo kan je de kritiek van de auteurs samenvatten.[4]

Emerging governance: optimisme over sociaal improviseren

Met de over ons komende laatmoderniteit dringt zich de vraag op: hoe dan wel? Onlangs verscheen de bundel ‘Emerging Governance’[5] waarin wetenschappers van de Vrije Universiteit verslag doen van de ontwikkeling van vormen van bottom-up sturing. De samenstellers, de hoogleraren Hans Boutellier en Willem Trommel, schetsen in het eerste hoofdstuk een theoretisch – en vooral optimistisch – beeld van bestuurders, professionals en maatschappelijke actoren die erin zouden moeten kunnen slagen om adequaat om te gaan met de, voornamelijk lokale, uitdagingen die de laatmoderniteit met zich meebrengt.

Zij zien personen en gemeenschappen voor zich die in wisselende verbanden en niet vanuit vaste werkwijzen en procedures de opdoemende en veranderende maatschappelijke vraagstukken tegemoet treden. Zij zien publieke ambachtslieden voor zich, die vanuit hun verantwoordelijkheid, kennis, ervaring en praktische wijsheid bij deze initiatieven betrokken zijn; met respect voor de kennis, ervaring en betrokkenheid van de ander.

Soms sturen zij, vanuit hun bestuurlijke en professionele rol bij, zoals een lid van een jazzorkest dat, met een klein hoofdknikje of handgebaar, ook kan doen. Kern van de activiteit is, wat de auteurs noemen, ‘sociaal improviseren’ in tijdelijke of blijvende crafting communities.[6]

Politici, ambtenaren en burgers kunnen er slecht mee overweg

Aanvankelijk zijn de auteurs optimistisch over de ontwikkeling van deze emerging governance, die min of meer organisch en in gemeenschappelijkheid tot stand komt (en ook weer verdwijnt) rond een actueel, lokaal vraagstuk. Het is een nieuw soort governance, emerging uit praktijken die in deze tijd logischerwijze opkomt en radicaal anders is dan de aanvankelijke succesvolle, maar steeds meer misplaatste ‘maakbaarheidssturing’. In het slothoofdstuk zijn zij over de ontwikkeling hiervan minder optimistisch.

De praktijk blijkt in vele sectoren weerbarstig. Politici, ambtenaren en burgers kunnen bijvoorbeeld moeilijk overweg met de onzekerheid die sociaal improviseren met zich meebrengt en met de mogelijkheid dat lokale initiatieven zich loszingen van belangrijke rechtsstatelijke instituties. Het verklaart (en rechtvaardigt) volgens de auteurs de terughoudendheid ten aanzien van emerging governance. Het zal op zijn minst meer tijd vergen om de theoretisch gefundeerde verwachting over deze ontwikkeling uit te zien komen. Ook deze kenners van het publieke domein is een zekere naïviteit niet vreemd.

Stop met focus op effectiviteit van dienstverlening

In ‘Emerging Governance’ staan voorbeelden beschreven van personen, organisaties en projecten die pogingen doen om vanuit praktijken politieke doelen te realiseren. Veel aanjagers staan er alleen voor en worden regelmatig teruggefloten door politieke of bestuurlijke bazen, maar ook door collega’s en maatschappelijke partners. En zij schrikken zelf ook terug van de onzekerheid en het gebrek aan draagvlak die een dergelijke governance met zich meebrengt. Voor wetenschappers kan de beschrijving van deze bevindingen het moment zijn om een punt te zetten achter hun belangstelling voor en betrokkenheid bij het onderzochte vraagstuk. Hun artikel is gereviewd en gepubliceerd, over tot de orde van de dag.

Volgens mij moet het zo niet gaan. Veel wetenschappers, bestuurders en professionals zien de ‘misfit’ tussen de op de effectiviteit gerichte top-down sturing en de ontwikkeling van de laatmoderne samenleving met lede ogen aan. Ze zien dat veel burgers en professionals de stress en de frustratie hiervan nog maar moeilijk aankunnen en dat het streven naar ‘het goede leven’ steeds meer naar de achtergrond verdwijnt. Ze zien dat burgers vluchten in angstig ‘lokalisme’ en de verbinding met de overheid en met elkaar verliezen.

Daar moeten we wat mee. Laten we als kennisproducenten, -gebruikers en -financiers stoppen met ons blind te staren op de effectiviteit van dienstverlening en laten we samen optrekken bij het herwinnen en ondersteunen van de maatschappelijke veerkracht.

Voor onderzoekers betekent dat dat zij hun kennis en kunde gebruiken om deel te nemen aan crafting communities, de initiatieven ondersteunen, monitoren, erop reflecteren en meedenken over het vervolg. Het accent in onderzoek dient te verschuiven van effectevaluaties naar actie-onderzoek en van het produceren van wetenschappelijke publicaties naar het combineren van onderzoek met het leveren van maatschappelijke bijdragen.

Hans Bosselaar is senior onderzoeker en programmamanager bij de afdeling bestuurswetenschap en politicologie van de Vrije Universiteit. Hij schreef samen met collega Judith van der Veer een hoofdstuk in ‘Emerging Governance’.

Noten:

[1] Overeem, P., Tholen, B. (2011). After Managerialism : MacIntyre's Lessons for the Study of Public Administration, Administration & Society 2011 43: 722 originally published online 20 July 2011, DOI: 10.1177/0095399711413728.

[2] Zie https://www.socialevraagstukken.nl/het-goede-leven-van-de-burger-wordt-van-de-keukentafel-geveegd/, 20 november 2017.

[3] Trommel, W.A. (2009). Gulzig bestuur. Den Haag: Uitgeverij Lemma

[4] De auteurs baseren hun artikel op het werk van MacIntyre die pleit voor een terugkeer naar een hernieuwde oriëntatie op deugden, zoals in de premoderniteit van Aristoteles.

[5] Boutellier, H., Trommel, W. (red.) (2018). Emerging Governance, Crafting communities in an Improvising Society. Den Haag: Eleven international Publishing.

[6] Zie ook: W. Trommel (2018). Veerkrachtig bestuur. Boom bestuurskunde.

 

Foto: oldjiann (Flickr Creative Commons)

Dit artikel is 2784 keer bekeken.

Reacties op dit artikel (5)

  1. Aanvullend blijft in de actuele politiek in belangrijke mate sprake van een beperkt maakbaarheidsdenken bij de vormgeving en de legitimering van het beleid. Waar institutionele- en organisatorische belangen een al omvattende rol blijven spelen

  2. Ik onderschrijf je pleidooi tegen het zo streven naar effectiviteit. Maar mij lijkt het verre van naïef, en juist eerder zinvol, om bijv. in crafting communities of tijdens actie-onderzoek hardop af te vragen wat werkt, voor wie en waarom.

  3. Experimenteren en evalueren zijn beiden essentieel voor het realiseren van verbeteringen. Het is onverstandig om het een te doen en het andere te laten. Dat betekent niet dat we nu elk nieuw initiatief moeten omarmen en ik wordt helemaal kriegel van het ‘ knikje van de wetenschapper’ die het blijkbaar beter weet. Zo swingend is die wetenschap niet. Nieuwe initatieven zijn broodnodig, maar dragen soms ook bij aan ongelijkheid, zijn (te) financieel gedreven of b.v. zeer ineffcient.

  4. Goed artikel, met een duidelijke aansporing om niet op te geven omdat het moeilijk gaat. Dat moeilijke gevoel is immers een van de intrinsieke elementen van politieke besluitvorming: het moeten verzoenen van uiteenlopende doelen en waardenpatronen, in een context van onzekere kennis, voelt vaak echt onaangenaam. Het kan ertoe leiden dat mensen zich terugtrekken uit besluitvorming omdat ze denken dat ze de competenties missen en het onaangename gevoel toeschrijven aan eigen tekortschieten,
    Het is die omgang met onzekere kennis, en het oefenen van besluitvorming die centraal staan in een serie pilots die wij in Leiden uitvoeren om kinderen, de burgers van morgen, voor te bereiden op verantwoordelijk burgerschap. De kinderen leren over de verschillende grote ruimtelijke uitdagingen en risico’s en maken dan zelf een ruimtelijk ontwerp. Belangrijk is het vinden van overeenstemming, want je staat samen aan de ontwerptafel. Op deze manier oefenen ze de vaardigheden die ze als informeel mede-bewind nodig zullen hebben, inclusief empathie en inlevingsvermogen in de wens van de ander. Wij denken dat het leren over en opdoen van praktische ervaring met besluitvorming een essentieel onderdeel is van het vormen van nieuwe samenwerkingsvormen tussen instituties en burgers. Ik vertel er graag meer over.

  5. Nmm is het uitgangspunt in het artikel te simpel. De auteur valt in de eigen valkuil. Het geschetste beeld is afkomstig van Castells die de “netwerkmaatschappij” introduceerde. Er is veel onderzoek gedaan naar sturen in netwerken. Juist omdat netwerken veel onzekerheid en complexiteit kennen is een heel scala aan instrumenten nodig. Het is dus niet van top down naar bottom up, of van evaluaties naar action learning. Het is en-en. Multi-level governance dus. In paradigma’s gesproken: we gaan van de aarde als middelpunt, naar de zon als middelpunt naar de theorie van relativiteit.

Reageer

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *