We kunnen niet te veel aan vrijwilligers overlaten

Onderzoekers van de Universiteit van Amsterdam onderzochten het toenemend beroep dat op vrijwilligers wordt gedaan in zorg en welzijn. Daaraan kleven een aantal nadelen, die een volledige vervanging van de betaalde krachten onhaalbaar maken. Voor een goede publieke dienstverlening blijven professionals onmisbaar.

‘Kunnen we dat niet aan vrijwilligers overlaten?’ Nu er op publieke voorzieningen veel bezuinigd wordt, is de hoop dat vrijwilligers de ontstane gaten opvullen. Burgers kunnen en willen veel meer zelf doen, vinden voorstanders. Tegenstanders spreken van misbruik van vrijwilligerswerk en van verdringing van betaalde arbeid. De FNV voert er actie tegen.

Wie heeft gelijk? De afgelopen twee jaar hebben wij de verschuiving van betaald werk naar vrijwilligerswerk in zorg en welzijn van nabij onderzocht. Of er in strikt juridische zin sprake is van arbeidsverdringing is vaak moeilijk te bepalen: er verdwijnen ook veel banen en voorzieningen als er geen vrijwilligers zijn om de gaten op te vullen. De angst voor baanverlies onder resterende professionals belemmert wel goede samenwerking met vrijwilligers: ze worden immers hun concurrenten.

Vrijwilligers zijn niet hetzelfde als professionele krachten

Vrijwilligers speelden in zorg en welzijn overigens altijd al een belangrijke rol, lang voor de zogenaamde participatiesamenleving vorig jaar in de troonrede werd afgekondigd. Mits vrijwilligers dit zelf willen en er geen sprake is van verdringing, kan die rol groter worden. Ons onderzoek echter laat zien dat het volledig overhevelen van betaald werk naar vrijwilligers onhaalbaar en riskant is. Vrijwilligers haken af wanneer het vrijwilligerswerk te veel van hen eist. Zij willen geen structurele verantwoordelijkheid, soms omdat ze al betaald werk hebben en dus weinig tijd. Of omdat ze zich nog wel graag maatschappelijk willen inzetten, maar op een lichtere basis, zonder gemor als je eens twee maanden op vakantie wilt. Het streven naar een overname van voorheen professionele taken doet bovendien geen recht aan de eigenheid van vrijwilligerswerk. Vrijwilligerswerk is voor veel mensen een goede manier om contacten op te doen, ergens bij te horen en naar eigen overtuiging bij te dragen aan de samenleving; zonder het strakke keurslijf, de bureaucratie en de verantwoordelijkheid van betaald werk.

Veel vrijwilligers kunnen professionele taken ook niet overnemen. Ze missen de capaciteiten en ervaring voor zo’n grote verantwoordelijkheid: in een goed georganiseerd buurthuis kunnen ze prima koffie schenken of een bridgeclub draaiende houden, maar begrotingen, roosters en contracten opstellen en bemiddelen bij conflicten hebben ze nooit geleerd en leren ze ook niet in een handomdraai.
Wie denkt dat vrijwilligers het wel overnemen onderschat ook het belang van de organisatiecontext. Professionele krachten hebben niet alleen de nodige opleiding en ervaring, maar hun werk is ook ingebed in een organisatie die werknemers gericht verantwoordelijkheden, macht en gezag toekent. Vrijwilligers staan buiten of aan de rand van die structuur, dat is voor hen ook het aantrekkelijke. Maar daardoor zijn ze niet in de positie om anderen te corrigeren of conflicten te beslechten.

Onderlinge concurrentie en gemis aan autoriteit

Als in een speeltuin twee oudere kinderen een jonger kind pesten, kunnen betaalde speeltuinwerkers met gezag ingrijpen. Maar als vrijwilligers dit doen, krijgen zij de wind van voren van andere vrijwilligers, en vooral van (andere) ouders: wie ben jij om mijn kind terecht te wijzen? Daarom wijzen vrijwilligers dergelijke verantwoordelijkheid af: dat moeten professionals doen. Als die er niet meer zijn, voelen sommige groepen ouders en kinderen zich niet meer thuis en blijven weg. De speeltuin wordt vervolgens overheerst door een kleine groep die anderen, bedoeld of onbedoeld, buitensluit. Dit zagen we ook in buurthuizen, waar mensen van verschillende sociale klassen en etnische en religieuze achtergronden samen het gebouw moeten beheren en activiteiten organiseren. Vrijwilligers die anderen aanspreken op het niet nakomen van de afspraak om ruimtes na gebruik schoon achter te laten, krijgen eerder agressie over zich heen dan een excuus. Spanningen lopen op en alleen met interventie van professionals valt verdere escalatie te voorkomen.

Toch hoor je ook vaak over buurthuizen en bibliotheken die met succes door vrijwilligers zijn overgenomen, en over zorgcoöperaties die hun eigen zorg regelen. Bekend zijn bijvoorbeeld een Rotterdamse bibliotheek, het Utrechtse buurthuis De Nieuwe Jutter of zorgcoöperatie Hoogeloon in Brabant. Maar zulke initiatieven zijn niet ontstaan doordat beleidsmakers vrijwilligers vroegen om de zaak over te nemen. Het initiatief komt hier van vrijwilligers zelf, die elkaar al kennen en vertrouwen. Het is hún plan en zij voelen zich van meet af aan eigenaar, en laten anderen op hun voorwaarden toe. Dit kan goed gaan, maar het blijft kwetsbaar doordat het vaak van enkele charismatische initiatiefnemers en/of hoogopgeleide werkzoekenden of gepensioneerden afhangt. Vaak ook spelen ZZP-ers hier een grote rol, en is dus van ‘puur’ vrijwilligerswerk geen sprake. Dit zijn interessante ontwikkelingen, maar geen reden om te concluderen dat we dus veel zaken aan vrijwilligers kunnen over doen.

Voor goede publieke dienstverlening blijven professionals onmisbaar: voor de continuïteit, voor het regel- en coördinatiewerk, en voor het in goede banen leiden van spanningen en conflicten. Dus nee, het aan vrijwilligers overlaten is geen alternatief: vernieuwing moet gezocht worden in een beter samenspel tussen vrijwilligers en professionals.

Evelien Tonkens is hoogleraar aan de Universiteit voor Humanistiek in Utrecht, Loes Verplanke, Marianne van Bochove en Jan Willem Duyvendak zijn als onderzoekers resp. hoogleraar verbonden aan de Universiteit van Amsterdam.

 

Op dinsdag 9 september presenteren de onderzoekers hun onderzoek en gelijknamige boek tijdens een symposium in Pakhuis de Zwijger in Amsterdam. Dit onderzoek maakt deel uit van het onderzoeksprogramma van Platform31 en is uitgevoerd door de Universiteit van Amsterdam en de Universiteit voor Humanistiek i.s.m. de gemeenten Amsterdam, Den Haag, Utrecht en Zaanstad, zorginstelling Cordaan, woningcorporaties Eigen Haard en Ymere en de MOgroep.

Dit artikel verscheen afgelopen zaterdag ook in Trouw.

 

Dit artikel is 1071 keer bekeken.

Reacties op dit artikel (4)

  1. 2015 nadert met snelle streden en in toenemende mate verschijnen er alarmerende berichten over gemeenten en instellingen die gebukt gaan onder de tijdsdruk om de transities rond zorg+welzijn, jeugdzorg en participatie te managen. Massale ontslagen in de thuiszorg zijn geen nieuws meer en de nieuwste variant van de teloorgang van de verzorgingstaat wordt gevormd door zorginstellingen die zichzelf opheffen omdat zij geen garanties kunnen bieden om hun werk in de nabije toekomst naar behoren uit te voeren.
    Binnen dat sombere scenario voelt de overheid behoefte om een nieuw hoopvol perspectief te schetsen, waarin de zorgzame burger taken, die voorheen door professionals werden verricht, overneemt.
    Nu heb ik geen twijfels over de bereidheid van de mensen in mijn directe omgeving om daar waar nodig incidentele aandacht te geven aan een buurvrouw die dreigt te vereenzamen of tijdelijke haar eigen boodschappen niet kan doen.

    Informele zorg
    Die vormen van informele zorg zullen de komende jaren ongetwijfeld gaan groeien.
    Waar het echter gaat om dagelijkse zorg en continue aandacht voor de medemens die niet past binnen de categorie ‘zelfredzaamheid’ zie ik een heel ander verhaal.
    Dat verhaal komt er in het kort op neer dat het geloof in de kracht van het burgerinitiatief, als compensatie voor verdwijnende professionele kaders, tot het rijk der fabelen mag worden verwezen. Daarbij baseer ik mij mede op het onderzoek van twee studenten van de Universiteit van Utrecht die de afgelopen maanden intensief onderzoek deden naar het functioneren van burgerinitiatieven (BI’s) in Amersfoort. Aan dat onderzoek zal de website voor Amersfoortse burgerinitiatieven, Bewoners033.nl , de komende weken aandacht besteden.
    Van de tachtig BI’s die zij hebben geïnventariseerd en onderzocht blijken er slechts enkele zich met vallen en opstaan specifiek op het zorgterrein te begeven. En die sporadische initiatieven leiden een kwetsbaar bestaan, omdat goedwillende burgers nu eenmaal geen professionals zijn.

    Speelruimte voor de burger
    Een bittere constatering is dan ook dat de burger vooralsnog bestuurlijk speelruimte krijgt en neemt om in de eigen leefomgeving rond ‘softe’ thema’s als ontmoeting, energie, groenonderhoud en duurzaamheid ervaring op te doen met zelfwerkzaamheid, maar dat de verwachting dat BI’s de kaalslag in de professionele ondersteuning van marginale groepen ook maar enigszins kunnen compenseren als ideologische prietpraat moet worden afgedaan.
    Dat zijn scherpe woorden voor een columnist die een groot gedeelte van zijn dagelijkse vrijwillige arbeid besteed aan het ondersteunen en verbinden van BI’s.
    En ik hoop van ganser harte dat ik met deze column de plank geheel mis sla.
    Vooralsnog wil ik de overheidsmantra van de burger, die zoveel meer kan en moet betekenen voor de zorg en aandacht voor ‘niet zelfredzame medeburgers’ tot het rijk der fabelen verwijzen.
    Burgerinitiatieven kunnen de kaalslag die verbonden zij aan de uitvoering van de transities in het sociale domein nu eenmaal niet compenseren. Dus wordt het tijd voor een realistische analyse hoe we de schade de komende jaren zoveel mogelijk gaan beperken.

    Kerntaak
    Het wordt hoog tijd dat BI’s zich kritisch gaan bezinnen op hun kerntaak en de vraag wat zij daarbij aan overheidsfacilitering nodig hebben én afstand nemen van hooggespannen verwachtingen als zouden zij de gaten die vallen in de zorg kunnen dichten. Ook om te voorkomen dat zij worden misbruikt voor werk dat aan professionals is voorbehouden.

  2. De netwerksamenleving zorgt er vooral voor dat de overheid een andere rol krijgt, niet perse een kleinere. Het gaat om cocreatie: de juist inzet vanuit de (professionals van de) overheid om maatschappelijke meerwaarde te krijgen. Per situatie is die inzet anders, afhankelijk van de omstandigheden en de inbreng van andere partijen.

    Meer hierover in ‘Wij, de overheid’, gratis te downloaden op http://boek.ambtenaar20.nl

  3. Davied van Berlo behoort tot de gelovigen in “de nieuwe overheid” zoals die door de neo-liberalen wordt gewenst. In hun visie heeft de “alsmaar groeiende overheid” de burger de afgelopen decennia steeds meer in het defensief gedrongen, hen de mogelijkheid ontnomen om hun eigen leven vorm te geven en hen door de “alsmaar uitdijende verzorgingsstaat” daar ook niet toe geprikkeld. Daarom is het in hun visie goed dat de die verzorgingsstaat wordt terug gedrongen (verhullend taalgebruik voor flink afgebroken), waardoor burgers “weer lucht krijgen” en hun lot weer in eigen hand nemen.

    De afbraak van de invloed van de (verzorgings)staat biedt mensen eindelijk weer ruimte voor eigen initiatief dat zal leiden tot een door burgers gedragen “participatiesamenleving”. Ambtenaren moeten volgens van Berlo die maatschappelijke initiatieven slechts faciliteren en politiek en ambtenaren moeten niet (meer) willen sturen op politiek gewenste uitkomsten.

    Het is een gedachtengoed dat enerzijds voortkomt uit het libertaire anti-statelijke idee – dat door veel conservatieven wordt omarmt – dat de overheid geen oplossingen voor maatschappelijke problemen biedt, maar juist groei van “de vrije samenleving” belemmert en anderzijds uit een romantisch idee over de samenleving als “Gemeinschaft” die zonder (veel) inmenging van de overheid zelfregulerend in onderling hulpbetoon alle maatschappelijke problemen aan kan.

    Natuurlijk is deze schets een karikatuur van de verhullende teksten die dit Kabinet hanteert om de enerzijds terugtrekkende en anderzijds tot achter de voordeur willen controlerende overheid aan de burgers te verkopen. De afbraak van grote delen van de verzorgingsstaat (bv. in de ouderen- en gehandicaptenzorg, de jeugdzorg, het pensioensysteem, de arbeidsmarkt) past zeer goed in deze “ieder voor zich en God voor ons allen” ideologie.

    Dat de VVD deze ideologie omarmt is niet verbazend. Deze uitkomst past in de ontwikkeling van de VVD als liberale naar de VVD als conservatieve partij. Dat de PvdA dit doet verbijstert veel kiezers die de laatste keer op die partij hebben gestemd. Zoals een van mijn kennissen het verwoorde “De PvdA heeft er blijkbaar voor gekozen om zich volledig kapot te regeren”. Dat is misschien jammer voor die partij, maar een klap in het gezicht van hun kiezers.

    Deze ideologie zal ook leiden tot een scherper tegenstelling tussen arm en rijk. Voor de mensen met een behoorlijk inkomen of een besteedbaar vermogen maken deze veranderingen niet zoveel uit: zij kochten hun hulp en zorg altijd al in naast de steeds schraler wordende collectief gefinancierde zorg. De welvaarsstaat was ook niet primair voor hen bedoeld. Het zijn juist de mensen met veel minder inkomen die door dit beleid hard zullen worden getroffen. Daar worden de vangnetten grotendeels weg gehaald. De “participatiesamenleving” als Orwelliaans verhullende terminologie voor de nieuwe kille samenleving waarin niet de mens maar “de financiële markt” als anoniem en niet aanspreekbaar spook centraal staat.

    In 2015 zullen we aan den lijve mogen ondervinden hoe de drie decentralisaties en andere afbraakmaatregelen zullen leiden tot de geïdealiseerde “participatiesamenleving”. Dat zal niet het geval zijn, maar de partijen in Den Haag die dit beleid steunen zullen dan wijzen naar de gemeenten of de sociale partners en hun handen in onschuld wassen, terwijl gemeenten zullen wijzen naar de door het Rijk opgelegde bezuinigingen en ook hun handen in onschuld zullen wassen. De burger die klem zit betaalt uiteindelijk de rekening. Op naar de volgende verkiezingen.

  4. Zeer eens met de bovenstaande reacties.
    Het is een grote vergissing om te denken dat professionele zorg kan worden uitbesteed aan vrijwilligers. Vrijwilligerswerk kan heel nuttig zijn om de kwaliteit van leven van zorgafhankelijke mensen te verbeteren, maar veel meer dan dat zit er niet in. Zelf heb ik een vriendin met een verstandelijke beperking, wel zelfstandig wonend, die ook allerlei lichamelijke aandoeningen heeft. Er gaat ongelooflijk veel werk in zitten om iemand als zij een goed leven te geven en bij te sturen als het mis gaat. Ze werkt in een sociale werkplaats, heeft eenmaal per week een begeleidster over de vloer, hulp in de huishouding, dagelijks thuiszorg om te helpen met wassen.
    Maar dan zijn alleen nog maar de aspecten persoonlijke verzorging, huishoudelijke verzorging en dagbesteding gedekt. Zelf gezond koken krijgt ze niet voor elkaar, dus breng ik haar vijf keer per week avondeten. Dan helpen haar zussen, familie en ik haar nog bij allerlei andere zaken: hulp bij aankoop van kleding en andere zaken, begeleiding tijdens ziekenhuisbezoeken, verjaardagsfeesten organiseren, klussen in huis enzovoorts. Je hoeft mij niet te vertellen dat er zeer veel geld van de samenleving in mijn vriendin wordt gestopt, maar ik zie persoonlijk echt geen andere mogelijkheid om haar de nodige kwaliteit van leven te bieden. Haar zus heeft voor volgend jaar op het nippertje een plek in een woonvorm voor haar geregeld. We hopen er maar het beste van.

Reageer

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *