Ongelijkheid in informele hulp: vrouwen voelen zich zwaarder belast dan mannen

De vrees bestaat dat onder de druk van de participatiesamenleving de ongelijkheid tussen groepen die informele hulp geven, toeneemt. Bepaalde groepen lijden onder een cumulatie van negatieve effecten. Vrouwen bijvoorbeeld. Zij voelen vaker dan mannen aan dat er hulp nodig is en als ze hulp geven voelen zij zich daardoor zwaarder belast.

Heel veel Nederlanders zijn mantelzorger. Zij geven hulp aan hun naasten met gezondheidsproblemen, onbetaald en niet in het kader van een beroep. De sociale ongelijkheid onder hen is groot. Er zijn verschillen in aantallen tussen groepen, in noodzaak om te helpen, in opvattingen over mantelzorg en in beschikbare hulpbronnen en barrières. Ook de ervaren gevolgen van het geven van deze informele hulp verschillen nogal.

Miljoenen mensen geven informele hulp

Vrouwen geven vaker hulp dan mannen, 35-64-jarigen geven relatief vaak hulp en migranten relatief weinig. De groei van het aandeel helpers is het grootst bij 65-plussers. In absolute aantallen gaat het om 2,5 miljoen vrouwen en 1,8 miljoen mannen die informele hulp geven. Mannen helpen vaker bij administratie of vervoer. Vrouwen helpen bij het regelen en coördineren van voorzieningen, bezoek aan een arts, persoonlijke verzorging of emotionele steun. Vrouwen zijn vaker mantelzorgers van ouders, schoonouders en hun eigen kinderen. Mannen bieden naar verhouding vaak hulp aan hun partner.

Verschillen in ervaren belasting van de zorgtaak

Een op de tien van deze mantelzorgers geeft aan zwaar belast te zijn door de hulptaak. Vrouwen voelen zich zwaarder belast dan mannen. Dit verschil hangt niet samen met de intensiteit en complexiteit van taken of met het hebben van kinderen of een betaalde baan, maar waarschijnlijk wel met de seksespecifieke verwachtingen over activiteiten en rollen van mensen. Zo weten we dat vrouwen meer aan ‘emotion work’ doen in hun vrije tijd, wat wil zeggen dat zij, meer dan mannen, op wensen en het welzijn van anderen gericht zijn. Dit maakt hen vermoedelijk gevoelsmatig minder vrij en zou een verklaring kunnen zijn voor hun hogere (mentale) belasting.

Ook 35-44-jarigen ondervinden dikwijls een hoge belasting en scholieren met een ziek gezinslid oordelen ongunstiger over hun psychisch welbevinden dan leeftijdsgenoten. Mantelzorgers met een migrantenachtergrond lijken vaak intensief en langdurig te helpen en ook zwaar belast te zijn. Dit kan voortkomen uit hoge verwachtingen die zij hebben over de hulp die zij aan hun ouders moeten geven. Niet-westerse migranten zouden minder vaak professionele steun en mantelzorgondersteuning ontvangen.

Meer risico op problemen op werk en school

Werkenden met een mantelzorgtaak lopen meer risico om gezondheidsproblemen te ontwikkelen. Zij melden zich vaker ziek op het werk, gaan minder werken of stoppen met werken vanwege de mantelzorgtaak. Vrouwen en mannen hebben hier in gelijke mate mee te maken. Jonge mantelzorgers ervaren problemen bij het volgen van hun opleiding en spijbelen bijvoorbeeld meer uren dan andere scholieren.

Vrouwen kennen vaker een hulpbehoevende

Een verklaring voor sociale verschillen in het geven van informele hulp ligt op de eerste plaats in de noodzaak om te helpen of het kennen van iemand die hulp nodig heeft. Vrouwen kennen vaker een hulpbehoevende dan mannen. Ze zeggen ook vaker dat ze aanvoelen of iemand hulp nodig heeft. Vrouwen hebben bovendien grotere en meer gemengde netwerken waardoor ze meer verzoeken om hulp krijgen.

Maar ook leeftijd speelt een rol: 45-64-jarigen kennen vaker dan gemiddeld een hulpbehoevende. Dit komt simpelweg vooral doordat zij oude ouders hebben. In vergelijking met autochtonen hebben niet-westerse migranten minder vaak iemand in hun sociale netwerk die regelmatig hulp nodig heeft. Dit hangt ook deels samen met leeftijd: niet-westerse migranten zijn gemiddeld jonger dan autochtonen en hebben daardoor ook minder vaak een partner of ouder op leeftijd.

Migranten voelen zich meer verplicht om voor hun verwanten te zorgen

Een tweede verklaring waarom sommige groepen vaker hulp geven dan anderen hangt samen met hun opvattingen over mantelzorg. Zo weten we van ouderen dat een gevoel van nodig zijn en een plichtsgevoel leiden tot meer kans op informele hulp geven; van vrouwen dat ze zich vaker aangesproken voelen om te helpen; en van migranten dat ze zich meer dan autochtonen verplicht voelen om voor hun verwanten te zorgen. Mantelzorgende migranten ervaren meer omgevingsdruk, dat wil zeggen druk van de familie en gemeenschap.

Opvattingen komen ook tot uitdrukking in verwachtingen van burgers over de verantwoordelijkheid van de familie en de overheid. Vooral vrouwen vinden dat de hulp voor zieke ouderen een taak voor de familie is, een meerderheid van de bevolking ziet dit echter als een opgave van de overheid.

Sommige mensen ondervinden meer barrières om hulp te geven

Een derde verklaring voor verschillen tussen groepen is dat sommigen minder hulpbronnen hebben of meer barrières ondervinden om hulp te geven dan anderen. Dat gaat vaak over de tijd die mensen beschikbaar hebben: mensen met veel werkuren verlenen minder vaak informele hulp dan anderen. Ook lichamelijke of psychische gezondheid, geografische afstand tussen gever en hulpontvanger, geld en competenties kunnen barrières vormen voor het geven van hulp.

Vele handen maken licht werk

Om ervoor te zorgen dat de sociale ongelijkheid in de informele hulp kleiner wordt zouden allereerst de mantelzorgers en hun hulpbehoevenden tijdig hulp moeten inroepen. Bijvoorbeeld door zelf actiever op zoek te gaan in hun sociale netwerken naar mensen met wie zij de hulp kunnen delen. Deze ‘omstanders’ zouden actief hulp kunnen aanbieden. Zo maken vele handen licht werk en ondervinden mensen mogelijk ook minder negatieve ervaringen. Delen van de zorg werkt verlichtend.

Werkgevers kunnen bijdragen met verlofregelingen, maar ook met het bespreekbaar maken van een zorgtaak, begrip tonen en flexibele werktijden bieden als de mantelzorgsituatie daarom vraagt. In het onderwijs zou men jonge mantelzorgers eerder moeten signaleren en hen een luisterend oor bieden naast meer flexibiliteit in roosters, tentamens en opdrachten.

Overheden en zorgorganisaties kunnen proactiever zijn

Gemeenten zijn belangrijk voor de ondersteuning van mantelzorgers. Toch komt deze ondersteuning in veel gevallen pas in beeld als mensen al overbelast zijn. Gemeenten moeten mensen daarom meer proactief benaderen over de ondersteuningsmogelijkheden. De rijksoverheid kan bijdragen met  maatregelen om de combinatie van mantelzorg en betaald werk te vergemakkelijken, zoals zorgverlof. Tot slot vindt een derde van de mantelzorgers dat de thuiszorg of de wijkverpleegkundige meer oog zou moeten hebben voor hoe het met hem of haar zelf gaat. Ook op dit punt is nog veel winst te behalen.

Alice de Boer werkt bij het Sociaal en Cultureel Planbureau. Dit artikel is gebaseerd op haar gisteren uitgesproken oratie ‘Wie maakt het verschil? Sociale ongelijkheid in condities en consequenties van informele hulp’ ter aanvaarding van de leerstoel Sociale ongelijkheid en informele hulp aan de Vrije Universiteit Amsterdam. 

Foto: Stephen Train (Flickr Creative Commons)