Beeldenstormers hebben gelijk: beeld Jan Pieterszoon Coen moet weg

In het spoor van de moord op George Floyd door een politieagent in Minneapolis, vinden er wereldwijd ‘Black Lives Matter’ protesten plaats. De beeldenstorm in ons land sluit hierbij aan. Acties van fanatici, of hebben ze een punt dat we liever niet onder ogen zien? Beelden van dubieuze nationale helden horen in museum thuis, niet op straat.

Volgens de beeldenstormers tonen de beelden van ‘helden’ in de publieke ruimte aan dat de onderdrukking van ‘gekleurde’ mensen door witte koloniale machthebbers indertijd nog altijd niet serieus genomen wordt. De Nederlandse media bijvoorbeeld bagatelliseren de bezwaren van de beeldenstormers. We zouden met overgevoelige mensen te maken hebben die overdrijven, of zich in hun ‘slachtoffermentaliteit wentelen’.

Klinkklare onzin

In het publieke debat in ons land hierover komt de ene na de andere witte man voorbij – premier Rutte, (collega-)historici Piet Emmer en Herman Pleij – die de wandaden weliswaar erkent, maar tegelijkertijd pleit voor een ‘redelijke’ tussenoplossing. Plaats bij zulke beelden – zoals bij dat van Jan Pieterzoon Coen in Hoorn - een tekst waarmee de verschillende kanten van de geschiedenis belicht worden. Want, zo luidt steevast het argument: we moeten onze geschiedenis niet uitwissen of wegpoetsen.[1]

Maar wat gebeurt hier eigenlijk? Witte mannen zeggen tegen degenen die eisen dat we problematische kanten van onze geschiedenis erkennen, dat we onze geschiedenis niet moeten wegpoetsen. Alsof standbeelden neergehaald dreigen te worden door mensen die een zwarte vlek op hun eigen blazoen proberen te verdoezelen.

Afgezien van de brutaliteit van het argument, is het ook nog eens klinkklare onzin. Hoezo komt het verwijderen van een standbeeld uit de openbare ruimte neer op het wegpoetsen van geschiedenis? Je kunt het beeld met tekst en uitleg in een museum plaatsen en op de oorspronkelijke plaats van het standbeeld een ander monument plaatsen waarin je de geschiedenis eerlijk belicht – van uitwissen hoeft geen sprake te zijn.

Zet standbeeld van vroegere ‘helden’ in museum

Verhuis je een standbeeld naar een museum, dan krijgt het een andere functie. Op pleinen werden en worden standbeelden van mensen neergezet als eerbetoon, en als voorbeeld voor anderen. De uitdrukking ‘iemand op een voetstuk plaatsen’ spreekt boekdelen. Ze zijn nooit bedoeld als bronnen van evenwichtige informatie over onze geschiedenis.

Standbeelden van helden verheerlijken mensen en ’s lands nationale verleden; ze vertegenwoordigen mythes en een vleiend zelfportret.[2] Het idee dat het weghalen van een standbeeld educatie over de geschiedenis in de weg zou zitten, is absurd. Wanneer we iemand niet langer voorbeeldig vinden, is het standbeeld zijn functie kwijt. Dat is dus een goed moment om het op een andere plek, zoals een museum, neer te zetten, waar het een andere, echt educatieve functie kan vervullen.[3]

De beeldenstormers hebben gelijk: beelden van mensen als J.P. Coen in Nederland en Leopold II in België – die de onderdrukking van anderen personifiëren – moeten gewoon weg. Waarom zouden we voor eeuwig vast moeten zitten aan beelden die men bijvoorbeeld in de 19e eeuw wenste neer te zetten? Vanwaar de angst voor het uitwissen van de geschiedenis? Mogelijk voelt men zich aangevallen, en daardoor onmachtig om anderen het gelijk te geven dat ze – in alle redelijkheid – hebben.[4]

Misschien ook komt de defensieve reactie voort uit het geschiedenisonderwijs. In veel landen zijn nationale mythes generaties lang doorgegeven. Wie herinnert zich niet premier Balkenendes trotse ‘VOC-mentaliteit’? Iemand kan zo’n term alleen maar gebruiken als hij niet echt heeft meegekregen wat de VOC eigenlijk was. Het toont nog maar eens het belang van een open en kritische blik op ‘onze’ geschiedenis.[5]

Andere ondeugdelijke tegenwerpingen

We bespreken ten slotte nog enkele mogelijke tegenwerpingen, om te laten zien dat deze ook niet deugen:

1.'Maar het is toch gewoon zo dat mensen als Coen Nederland groot hebben gemaakt?' Inderdaad heeft Nederland zijn huidige welvaart te danken aan het kolonialisme, dus aan mensen als Coen. Maar dit is eerder reden tot schaamte en reden om standbeelden van deze ‘helden’ weg te halen uit de openbare ruimte. Vooral als we ons realiseren dat het kolonialisme gerechtvaardigd werd door een geloof in de eigen culturele en raciale superioriteit – een mentaliteit die nog springlevend is, en niet alleen bij extreemrechts.

2. 'Als we eenmaal beginnen standbeelden weg te halen, raken we in een eindeloze discussie verzeild over welke standbeelden er allemaal weg zouden moeten.' Dat zou best kunnen, maar dat hoort nu eenmaal bij alle ethische vraagstukken. Op basis van duidelijke morele principes moeten we soms moeilijke beslissingen nemen en de ene schade afwegen tegen de andere. Hierbij moeten we ons steeds afvragen: hebben we al het bewijs eerlijk meegewogen? Zijn sommige argumenten beter dan andere? Zijn er morele waarheden die de specifieke cultuur overstijgen, bijvoorbeeld dat onderdrukking van mensen op grond van huidskleur, cultuur, religie, of gender verwerpelijk is? Wat de standbeelden betreft: laten we de duidelijke gevallen vast verwijderen, dan hoeven we het daar in ieder geval niet meer over te hebben.

Elite die zelf niet geleden heeft, eist nuance

3. 'Het ontbreekt de activisten aan nuance, ze zien alles zwart-wit.'  Natuurlijk is het bekladden of vernielen van een standbeeld geen garantie dat je het gelijk aan je zijde hebt. Maar je kunt deze vanzelfsprekende waarheid niet gebruiken om de protesten als doorgeslagen fanatisme terzijde te schuiven. De nuance is namelijk het voorrecht van een elite die niet eeuwenlang heeft aangekeken tegen de verheerlijking van een tijdperk waarin haar voorouders werden onderdrukt en uitgebuit. En precies aan die verheerlijking dragen alle standbeelden van helden uit de 17e eeuw bij; ze staan er echt niet alleen maar vanwege de persoonlijke kwaliteiten van het gerepresenteerde individu.[6]

4. 'We moeten niet met de morele opvattingen van nu oordelen over daden van toen.' Dit moreel relativistische argument raakt kant noch wal. Het veelgehoorde idee dat men slavernij vroeger heel gewoon of normaal vond bijvoorbeeld, miskent volledig dat er bij de slachtoffers ervan geen enkele twijfel bestond over het onrecht dat hen werd aangedaan. Het negeert bovendien dat er ook aan de kant van de koloniale macht altijd dissidenten waren, die zich niet lieten verblinden door commerciële en politieke belangen.

Belang van een moreel vocabulaire

Dat machthebbers toen hun ogen graag gesloten hielden voor het leed van anderen mag geen reden voor ons zijn om dat nu nog steeds te doen.[7] Het is een betreurenswaardig feit dat mensen zich goed kunnen afsluiten voor onrecht dat ze anderen aandoen en dit weten te rechtvaardigen voor zichzelf, maar dat betekent nog niet dat de normen en waarden gewoon heel anders waren.[8]

Het is kortom van groot belang om een moreel vocabulaire te hanteren. We moeten historisch goed geïnformeerd zijn en mensen en hun daden historisch contextualiseren. Maar dat is heel iets anders dan klakkeloos het verhaal accepteren dat historici vertellen – die hebben immers ook maar al te vaak een elitair standpunt vertegenwoordigd en doen dat mogelijk nog steeds.

Morele vooruitgang boeken we alleen als we kritisch durven oordelen over onze tradities, en niet als we alles wegzetten met een gezapig ‘daar dacht men toen anders over.’

Anders Schinkel is universitair hoofddocent Onderwijsfilosofie aan de Faculteit der Gedrags- en Bewegingswetenschappen van de Vrije Universiteit. Michael Merry is hoogleraar Onderwijsfilosofie aan de Faculteit der Maatschappij- en Gedragswetenschappen van de Universiteit van Amsterdam.

 

Noten:

[1] Vreemd genoeg vindt Arie Wilschut (De Volkskrant, 15-06-2020) historici ‘opvallend afwezig’ in het debat.

[2] Een mooi voorbeeld van hoe dit nog steeds doorwerkt is Bert Wagendorps opmerking dat Nederland ‘geen natie van standbeelden’ is, ‘een positief gevolg van onze egalitaire samenleving’ (De Volkskrant, 12-06-2020).

[3] Natuurlijk gebeurt ook dit niet vanzelf; alles hangt af van hoe het museum omgaat met het verleden dat ze tonen – en dat hangt weer af van de historische kennis van de staf en politieke factoren als de achtergrond en invloed van de sponsoren van het museum. Een voorbeeld van sterk historisch bewustzijn in dit verband is het moedige besluit van het Mauritshuis in 2017 om de buste van Johan Maurits (1606-1679) uit de foyer van het museum te verwijderen. Dit beeld stond dus al in een museum, maar fungeerde gezien de plek vooral als eerbetoon – iets wat de museumdirectie niet meer passend vond. Het museum toont nog wel portretten van Maurits, met uitgebreide informatie; en besteedt in tentoonstellingen en onderzoek uitgebreid aandacht aan Maurits’ rol in de Nederlandse slavernijgeschiedenis.

[4] In Nederland hebben ruilverkaveling, infrastructuur en nieuwbouw in de afgelopen tientallen jaren grote delen van het Nederlandse landschap onherkenbaar veranderd en daarmee heel veel geschiedenis letterlijk met de grond gelijk gemaakt. Maar wanneer zie je naar aanleiding hiervan intellectuelen op tv om hun zorgen te uiten over het uitwissen van de geschiedenis? Dus wat schuilt er achter die air van redelijkheid waarmee de beeldenstormers impliciet als extremisten worden weggezet? Goede argumenten zijn het in ieder geval niet.

[5] Enkele jaren geleden toonde Marc van Berkel bijvoorbeeld nog aan dat het Nederlandse geschiedenisonderwijs over de ‘politionele acties’ in Nederlands-Indië/Indonesië nog sterk tekortschiet (zie Welk verhaal telt? De oorlogen in Nederlands-Indië/Indonesië 1942-1949 in het geschiedenisonderwijs, Nationaal Comité 4 en 5 mei, Amsterdam 2017). Het controversiële van deze term wordt inmiddels wel duidelijk gemaakt in de schoolboeken, maar aandacht voor Nederlandse excessen is er niet, de vraag naar de (politieke) verantwoordelijkheid voor het geweld wordt niet gesteld, en het Indonesische perspectief is helemaal afwezig – de geschiedenis wordt vanuit een Nederlands of westers perspectief beschreven.

[6] Wagendorp (De Volkskrant, 12-06-2020) noemt het omvertrekken van een standbeeld ‘bijna altijd een versimpeling’ en zoekt dus zelf ook de moral high ground van de nuance; maar als er iets een ‘versimpeling’ van de historische werkelijkheid is, is het zo’n standbeeld zelf wel. Laten we dat vooral niet uit het oog verliezen.

[7] Dick Harrison, auteur van De geschiedenis van de slavernij. Van Mesopotamië tot moderne mensenhandel (2019) zei in een interview: “Als je een ander mens zijn vrijheid wilt ontnemen, moet je hem verafschuwen, én die afschuw rechtvaardigen en institutionaliseren. (…) Alleen als je op zo’n manier een psychologische barrière opricht tussen jou en de ander, kan slavernij bestaan.” (NRC Handelsblad, 19-10-2019).

[8] Dat iets ‘normaal’ gevonden wordt, kan heel verschillende dingen betekenen: dat niemand er enig bezwaar in ziet, maar ook simpelweg dat het een feitelijk geaccepteerd verschijnsel is, ondanks dat het moeilijk te rijmen valt met algemeen geaccepteerde morele waarden. De bio-industrie is een goed hedendaags voorbeeld van het laatste; het blijft in stand, niet omdat mensen het werkelijk moreel onproblematisch vinden wat daar gebeurt, maar omdat ze hun ogen ervoor sluiten en erg goed zijn in het ‘omgaan’ met cognitieve dissonantie.

 

Foto: Tony Webster (Flickr Creative Commons)

Dit artikel is 4016 keer bekeken.

Reacties op dit artikel (6)

  1. Jan Pieterszoon weg? Vervang hem ter plaatse door een standbeeld van Poncke Princen (1925-2002). Of zet beider beelden naast elkaar. De 2e optie lijkt mij objectief = wetenschappelijk de beste.

  2. Je behoort gewoon , om welke reden dan ook, van andermans spullen af te blijven. Vandalisme

  3. In deze context intrigeert het gebruik van de zinsnede ‘andermans spullen’ me. Dat impliceert dat de zogenaamde beeldenstormers niet als (mede)eigenaren van deze publieke beelden in de openbare ruimte worden beschouwd. Wie of wat is dan wel de eigenaar van deze beelden?

  4. Als we dan toch doorgaan met deze gekte dan moeten er ook straatnamen veranderen. De kerk heeft ook veel schade aangericht in Afrika (missionarissen) en andere landen. Laten we daarna achter het geloof aangaan….laten we zorgen dat het einde zoek raakt …

  5. “Wie of wat is dan wel de eigenaar van deze beelden?”
    De beeldenstormers zijn -als de beelden publiek bezit zijn- natuurlijk ook mede-eigenaren.
    Dat geeft ze echter niet het recht om ze omver te trekken, want dat is inderdaad vandalisme.
    Ze zijn immers ook van mij en ik wil ze laten staan. En velen met mij.

    De schrijvers van dit stuk promoten volgens mij echter niet dat de beelden door een horde doorgeslagen fanaten van hun sokkel getrokken zouden moeten worden, maar dat ze verwijderd worden na een democratisch proces.

    Laten we zien wat dat proces brengt en niet overhaast beginnen met verwijderen.
    Er zijn wellicht ook andere mogelijkheden.

  6. in dit artikel wordt bij punt 4 de essentie duidelijk gemaakt: Het veelgehoorde idee dat men slavernij vroeger heel gewoon of normaal vond bijvoorbeeld, miskent volledig dat er bij de slachtoffers ervan geen enkele twijfel bestond over het onrecht dat hen werd aangedaan. Het negeert bovendien dat er ook aan de kant van de koloniale macht altijd dissidenten waren, die zich niet lieten verblinden door commerciële en politieke belangen.
    Het gaat om zwarte mensen die tegen hun wil gevangen werden genomen, die uit hun familieverband werden gerukt ( ontnemen groepsidentiteit, ), die eigendom werden van een ander ( persoonlijke identiteit / zelfbeschikking ) . Vrouwen werden hun seksuele identiteit werd ontnomen
    tegen hun wil moesten ze sex hebben met de plantage eigenaar. ( verkrachting ) . Arbeid verrichten onder dwang.

Reageer

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *