Monique Kremer, bijzonder hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam en voorzitter van de Adviesraad Migratie:

‘Voor mij is het evident als onderzoeker altijd te proberen verschillende groepen mensen te spreken en te betrekken waarvan je het perspectief relevant acht. Op die manier maak je beleidsonderzoek zo inclusief mogelijk. Als het bijvoorbeeld de arbeidsmarkt betreft, dan is het belangrijk om mensen met een flexibel contract te spreken, maar ook om een breder scala aan stakeholders als werkgevers en werknemers te betrekken, door ieder van hen te interviewen. Dat is niet makkelijk, maar het is wel de meest simpele vorm om een bepaald onderwerp bij de kop te nemen, door de perspectieven van alle belanghebbende partijen te horen.
Dat neemt niet weg dat ik vind dat je als onderzoeker uiteindelijk altijd zelf de beslissing neemt over wat je opschrijft. Ik vind het belangrijk dat degene die de bevindingen uiteindelijk noteert daar zijn of haar eigen interpretatie aan geeft. Alleen zo kun je tot scherpe conclusies komen van wat je hebt gezien of gehoord. ‘Inclusief’ moet dus niet betekenen dat er in een onderzoek of advies van alles is meegenomen behalve een duidelijke visie, of een extra dimensie die door de wetenschappers in het onderzoek is neergelegd. Anders dreigt het gevaar dat het rapport niksig wordt, een vlakke compromistekst.’
‘Onderzoek moet worden gedaan door iemand die zich daarin uitvoerig heeft bekwaamd’
‘Bovendien is het belangrijk om zorgvuldige keuzes te maken in hoe en wanneer je de stemmen van de doelgroep meeneemt, of van mensen die dicht bij die doelgroep betrokken zijn. Bijvoorbeeld: het gegeven dat je als onderzoeker tot de onderzochte doelgroep behoort, impliceert niet automatisch dat je ook beter kunt bijdragen aan een onderzoek dan een onderzoeker die niet tot de doelgroep behoort. Dat maakte ik zelf mee toen we onderzoekers met een licht verstandelijke beperking uitnodigden om met ons een grootschalig onderzoek uit te voeren onder diezelfde doelgroep. Hoewel zij ons belangrijke lessen leerden in het denken over en benaderen van de doelgroep, bemoeilijkten en vertraagden zij het onderzoeksproces ook. Ze ondervonden bijvoorbeeld moeilijkheden om te komen opdagen, of om met de respondenten in gesprek te gaan.’
Onderzoek doen is een vak apart
‘Uit dit voorbeeld leerde ik twee dingen die wat mij betreft cruciaal zijn om mee te nemen in het uitvoeren van inclusief beleidsonderzoek.
Ten eerste: onderzoek doen is een vak apart. Het uitvoeren van gedegen onderzoek en de vaardigheden die daarbij komen kijken – observeren of uitvragen; analyses maken; conclusies trekken op basis van verzamelde data – vergen een leerproces van jaren. In mijn ogen is het daarom niet mogelijk om een ervaringsdeskundige in een of twee dagdelen klaar te stomen als volwaardig onderzoeker. Onderzoek moet wat mij betreft worden gedaan door iemand die zich daarin uitvoerig heeft bekwaamd. Dat betekent niet dat je daar geen sparringpartners bij kunt gebruiken; die kunnen een grote meerwaarde hebben. Maar de manier en het moment waarop je hen betrekt, vraagt om een zeer zorgvuldige afweging.
Ten tweede: er bestaan altijd grote verschillen binnen een doelgroep, ook al is deze grondig afgebakend. Het is vergelijkbaar met de gedachte: ‘Als ik mannen interview, moet ik een man meenemen’, of: ‘als ik vrouwen interview, neem ik een vrouw mee.’ Maar de verschillen tussen vrouwen onderling kunnen soms groter zijn dan de verschillen tussen mannen en vrouwen. Dat geldt dus net zo goed voor mensen met een licht verstandelijke beperking, mensen met een etnische achtergrond, of mensen met ervaringen in de geestelijke gezondheidszorg. Als je samen met hen onderzoek wilt doen, volstaat het dus niet om hen enkel te selecteren op basis van het feit dat zij tot de doelgroep behoren. Het effectief betrekken van onderzoekers die dicht op de huid van de onderzochte doelgroep zitten, vereist eigenlijk een onderzoeksproces op voorhand.’
‘Opgelegde inclusiviteit’
‘Inclusief beleidsonderzoek vraagt mede hierom vooral tijd. Tijd om met verschillende mensen te kunnen praten, om zorgvuldig te kunnen nadenken over de terminologie die je gebruikt in je onderzoeksresultaten en hoe je die vervolgens presenteert aan de buitenwereld. Maar wat ik zie, is dat beleidsonderzoekers enorm onder druk staan. Ze moeten altijd snel iets leveren. Bovendien: je kunt als onderzoeker bijna geen financiering meer krijgen als je niet standaard ervaringskennis meeneemt. Zo is er geen sprake meer van ‘oprechte inclusiviteit’ maar ‘opgelegde inclusiviteit’. Daarmee wordt inclusiviteit eerder een soort ‘mal’ waar al het beleidsonderzoek doorheen moet. Het is ook best denkbaar om goed onderzoek te doen zonder die standaard invalshoek. Het werkt alleen als onderzoekers zelf een intrinsieke motivatie hebben en zien dat kennis verwerven vanuit het veld van grote meerwaarde kan zijn voor de kwaliteit van beleidsonderzoek.’
‘Niet alleen onderzoekers zelf staan onder druk. Ook de reputatie van onderzoeksinstellingen staat op het spel’
‘Niet alleen onderzoekers zelf staan onder druk. Ook de reputatie van onderzoeksinstellingen – van gemeenten, onderzoeksbureaus maar ook universiteiten – staat op het spel. Ik las in een themanummer van Tijdschrift voor Sociale Vraagstukken over het fenomeen ‘onderzoeksmoeheid’. Ook ik herken dat de bereidheid van mensen om überhaupt met je te praten, is gedaald. Mensen zijn vaak alleen nog bereid om mee te doen als ze het gevoel hebben dat het onderzoek ergens toe leidt; wanneer het doel helder en tastbaar is. Logisch ook, want veel mensen – vooral diegenen die in een kwetsbare, gemarginaliseerde positie verkeren – willen weten of hun deelname ook echt iets aan hun situatie verbetert. In mijn ogen is het daarom essentieel om deelnemers aan een onderzoek niet alleen te zien als respondenten, maar vooral ook als medeontwerpers van een onderzoek.’
Mensen echt serieus nemen
‘Een inspirerend voorbeeld daarvan zag ik terug in een kwalitatief onderzoek naar een wijk in Amsterdam-Oost. Daarin werd gekeken in hoeverre de gebruikelijke onderzoeksindicatoren aansloten bij de beleving en ervaring van wijkbewoners in de praktijk. In de wijk, die in de statistiekboekjes al jaren ondergemiddeld scoorde, ontdekten de onderzoekers dat buurtbewoners veel meer voor elkaar deden dan in het periodieke wijkonderzoek werd uitgevraagd. Door daarop door te vragen en in gesprek te gaan over alternatieve indicatoren, deden zij recht aan het perspectief van deze bewoners, die zich al jaren niet herkenden in de uitkomsten van het wijkonderzoek. Alleen door mensen echt serieus te nemen, kun je hun vertrouwen herwinnen, en daarmee hun bereidheid om deel te nemen aan beleidsonderzoek.
Hoe je het ook meeneemt, je kunt als beleidsonderzoeker niet om het perspectief van betrokkenen uit het veld heen. Vervolgens is vooral de taal van belang waarmee je deze mensen aanduidt richting de buitenwereld. Je wilt zoveel mogelijk wegblijven van labels die stereotypes voeden; nog belangrijker vind ik dat onderzoekers niet extreem op hun woorden hoeven te letten en alles moeten kunnen publiceren wat uit hun onderzoek komt. Het is wat mij betreft tekenend dat taalgebruik in beleidsonderzoek rond etniciteit en migratie zo gevoelig ligt in onze samenleving.’
‘Ik pleit ervoor dat we in ons onderwijs veel meer aandacht besteden aan sociologische kennis’
‘Ik pleit er daarom voor dat we in ons onderwijs veel meer aandacht besteden aan sociologische kennis, aan hoe we met elkaar samenleven. Dat betekent dat we leerlingen op de middelbare school – bij vakken als maatschappijleer en geschiedenis – leren om over een term als ‘mensen met een migratieachtergrond’ met elkaar in gesprek te gaan: Waarom heet dat nu zo, en wie vallen daar eigenlijk onder? Is het eigenlijk wel verstandig om iedereen van wie (één van) de ouders in het buitenland geboren is, automatisch aan te duiden als iemand met een migratieachtergrond? Zeker wanneer die persoon zelf nog nooit in dat ‘land van herkomst’ is geweest?
Dit soort discussies zou vaker gevoerd moeten worden. Net zoals discussies over het gebruik van labels: Is het bijvoorbeeld verstandig om mensen ‘verward’ te noemen? Wat betekent dat eigenlijk? Wat doet zo’n label met mensen? Gaan ze zich er misschien ook naar gedragen als ze zo genoemd worden? Of is het label er puur om toegang tot zorg mogelijk te maken? In dat opzicht kan een label soms ook functioneel zijn. Met dergelijke overwegingen in ons achterhoofd kunnen we onderzoeksresultaten in een bredere context plaatsen. Meer sociologische kennis draagt dus bij aan een betere discussie en een beter begrip van inclusief beleidsonderzoek, en drijft onderzoekers misschien minder in het nauw.’
Hanneke Felten, projectleider en senior onderzoeker bij Movisie en bij Kennisplatform Inclusief Samenleven (KIS):

‘We komen deze vraag regelmatig tegen in onderzoek voor het KIS of voor Movisie wanneer we respondenten vragen naar hun afkomst. Bijvoorbeeld bij onze lhbtiqa+-monitor. Daarin staat de vraag centraal: kun je het ‘maken’ om een bepaalde vraag te stellen over iemands afkomst, zoals over hun huidskleur of seksuele voorkeur? Vroeger dachten veel mensen dat je dat niet kon doen, dan zouden mensen afhaken. Op het vlak van seksuele voorkeur is het tij gekeerd, maar nu wordt dezelfde discussie gevoerd over het uitvragen van huidskleur en afkomst.
Het is soms wel écht belangrijk om hiernaar te vragen. Zo kwam ik laatst een onderzoek op het spoor naar discriminatie in het onderwijs. Daar ontdekten ze dat een x percentage van de studenten zich gediscrimineerd gevoeld heeft, maar omdat hun achtergrond niet was uitgevraagd, konden we heel weinig met zo’n statistiek. Dat is natuurlijk vreemd. En vooral: onhandig.
Je onderzoeksvraag bepaalt volgens mij of het uitvragen van data naar herkomst relevant is. Wanneer je onderzoek doet naar racisme of discriminatie bijvoorbeeld, is dat relevant. Maar bij onderzoek naar allerlei andere thema’s, zoals afvalscheiding, inkomen of onderwijsprestaties, zijn zulke data vaak niet direct relevant.’
‘Is vragen naar herkomst en achtergrond van belang wanneer onderzoek niet primair gericht is op discriminatie?’
‘En toch wordt in die onderzoeken vaak wel gevraagd naar herkomstdata. Nu kan dat nuttig zijn wanneer je die data gebruikt om veranderingen in systemen en instituties door te voeren. Maar het wordt vaak gebruikt om de achterstand of het tekort van bepaalde groepen te benadrukken en vervolgens te achterhalen wat er ‘mis’ is met deze groepen. Die gedachtegang wordt door wetenschappers ook wel de deficit approach of ‘achterstandsbenadering’ genoemd en is problematisch, en wekt bij de groepen zelf ook weerstand op. De vraag over wat er mis is met de groep, leidt af van de vraag hoe het komt dat een bepaald systeem of bepaalde instituties zoals onderwijs, voor ongelijkheid zorgen.’
Migratieachtergrond
‘Bij een ministerie is een beslisboom gemaakt voor de onderzoeker, en daar vind ik wel iets voor te zeggen. Op die manier wordt een onderzoeker voor een heldere keuze geplaatst: is het hier van belang om uit te vragen naar herkomst en achtergrond, wanneer je onderzoek niet primair gericht is op discriminatie? Bij onderzoek gericht op afvalbeleid is dat duidelijk niet het geval, maar als je onderzoek doet naar onderwijsachterstanden wordt het al veel spannender: als je vraagt naar ‘migratieachtergrond’ dan is de vraag wat je met het antwoord op die vraag kunt.
Deze groep is natuurlijk onderling zo verschillend dat het eigenlijk weinig zegt. Het zegt bijvoorbeeld weinig over de talen die een kind thuis spreekt en over taalontwikkeling. De ene persoon met een migratieachtergrond spreekt bijvoorbeeld alleen Nederlands thuis, de ander bijvoorbeeld Turks en weer een ander een combinatie van Fries en Spaans.’
‘Witheid is een bedacht ‘sociaal construct’, maar wel één dat uitmondt in discriminatie’
‘De formulering ‘migratieachtergrond’ is zo breed dat je er in beleid vaak weinig mee kan om een probleem op te lossen. Het is dus ten eerste van groot belang dat onderzoekers zich afvragen wat ze precies te weten willen komen met het uitvragen naar herkomst, en welke mogelijkheden er met die uitkomsten ontstaan voor het maken van beleid. Als je bijvoorbeeld wilt weten welke talen een kind thuis spreekt met de ouders, dan is dát wat je moet vragen en dan vraag je niet naar migratieachtergrond.’
Tweederangsburger
‘Naast de vraag of je het überhaupt uitvraagt, doet de manier waarop je in gesprek gaat over herkomst ertoe. Uit het onderzoek Beleving van herkomstclassificaties onder Nederlandse inwoners: Een verkenning bleek dat mensen zich vooral gewoon als Nederlander erkend willen voelen, en niet als ‘derde-generatie-migrant’ of een dergelijke term. Daarom vragen wij in andere onderzoeken vaak: ‘Hoe zien anderen jou?’ en ‘Hoe zie jij jezelf?’
Racisme in Nederland betekent vaak dat er door mensen wordt gedacht in termen van ‘echte Nederlanders’ en ‘minder echte Nederlanders’, zo bleek uit ons KIS-onderzoek uit 2021. We hebben ontdekt dat mensen dat onderscheid doorgaans maken op basis van drie aspecten: huidskleur, naam en religie.
Er lijkt dus onder een deel van de Nederlanders een racistisch beeld te heersen dat een echte Nederlander altijd wit is, geen moslim is en geen Arabisch, Turks of anderszins ‘anders’ klinkende naam zou hebben. En iedereen die daaraan niet voldoet, wordt dan mogelijk gezien als niet een helemaal echte Nederlander en als zelfs een soort tweederangsburger die niet echt mag meepraten en meebeslissen in de samenleving omdat zij ‘slechts te gast’ zouden zijn.
Daarom is het ook zo pijnlijk dat geregeld aan moslims en mensen van kleur wordt gevraagd: ‘Waar kom je nou écht vandaan?’ en aan andere mensen vrijwel nooit. Maar hoe anderen jou beschouwen, kan fundamenteel verschillen van hoe jij jezelf beschouwt. Witheid is een door de samenleving zelfbedacht ‘sociaal construct’, maar wel één dat uitmondt in discriminatie.’
Echte Nederlander
‘Dat construct verschilt ook per samenleving. Een goed voorbeeld daarvan vond ik in het boek The end of bias van Jessica Nordell. Daarin omschrijft ze hoe ze als Amerikaanse student in Frankrijk een vriendengroep met én een vriendengroep zonder Arabische afkomst heeft opgebouwd. Pas wanneer haar ene vriendengroep Jessica vol ongeloof vraagt: ‘Ga jij ook met dát soort mensen om?’ ontdekt ze dat mensen met een Noord-Afrikaanse achtergrond in de Franse samenleving, in tegenstelling tot de Amerikaanse, tot de categorie ‘niet-wit’ behoren.
Om discriminatie en racisme in een samenleving te onderzoeken, is het dus van groot belang om te weten wat mensen verstaan onder het construct ‘wit’, en welke groepen ze daaronder scharen. Daarom vragen we in een onderzoek letterlijk uit: ‘Word jij doorgaans gezien als een echte Nederlander?’ Waarop antwoorden kunnen verschillen van ‘Ik word vrijwel altijd als Nederlander gezien’ tot ‘Mijn Nederlanderschap staat vaak ter discussie’.’
‘Mensen met een witte huidskleur en een Turks klinkende naam krijgen ook te maken met racisme’
‘Maar in die vraag zijn we ook nog zoekende, omdat het construct ‘wit’ naast huidskleur dus ook afhangt van naam en religie. Mensen met een witte huidskleur en een Turks klinkende naam krijgen net zo goed te maken met racisme.’
Alledaagse werkelijkheid
‘Zorgvuldigheid en inlevingsvermogen zijn daarnaast essentieel bij het nadenken over onze vragen. We leven in een maatschappij waarin discriminatie voor veel mensen een alledaagse werkelijkheid is. Als je daarnaar onderzoek gaat doen, hoor je enerzijds vaak dat mensen van kleur en mensen met een migratieachtergrond het als een fact of life beschouwen (het is toch gewoon zo), anderzijds is er ook verzet tegen racisme. Zo kan er dus ook weerstand ontstaan wanneer je respondenten bevraagt op hun afkomst, omdat ze verwachten dat dit erop gericht is om aan te tonen dat ze minder goed presteren vanwege hun afkomst. Daarom zal een deel weigeren om zo’n vragenlijst in te vullen, zeker als ze niet weten wat er gaat gebeuren met de uitkomst.
Zo’n onderzoek staat voor mensen niet op zichzelf. Het herinnert hen aan een hele bak aan pijnlijke ervaringen – ‘alledaags racisme’ noemde Philomena Essed dat in de jaren tachtig al. En uit stapels wetenschappelijke studies weten we dat discriminatie leidt tot aantoonbare fysieke en psychische gezondheidsschade, zoals hart- en vaatziekten – dat is dus geen kleine impact.’
Slechte reputatie
‘Ten slotte is het belangrijk om je als onderzoeker te realiseren: mensen weten dat het vragen naar afkomst in onderzoek gekoppeld kan zijn aan berichtgeving of beleid waarin dat gegeven misbruikt wordt, in plaats van als manier om hun positie in de samenleving te verbeteren. Denk aan de toeslagenaffaire of aan etnisch profileren bij de politie en de marechaussee.
Het zijn vaak overheidsinstellingen die door eerdere negatieve ervaringen een slechte reputatie hebben opgebouwd, waardoor veel mensen het vertrouwen hebben verloren dat deze organisaties iets aan discriminatie willen en kunnen veranderen. Wíe de vraag stelt, doet er dus ook toe. Mensen hebben meer vertrouwen in het nut van een onderzoek dat wordt uitgevoerd door een onafhankelijk onderzoeksbureau, in plaats van een overheidsinstelling of een commerciële partij. Vanuit Movisie of het KIS ondervinden we, denk ik, minder weerstand in het uitvragen naar afkomst, omdat mensen kunnen lezen dat ons onderzoek expliciet is gericht op het aanpakken van discriminatie en racisme.’
‘Vraag je af waaróm je naar afkomst vraagt, en met welk doel’
‘Bij beleidsonderzoek en praktijkgericht onderzoek vind ik het belangrijk dat het resultaat niet bijdraagt aan stigmatisering, en het juist mogelijkheden biedt om gelijkheid te bevorderen. Daarom zou mijn oproep zijn: vraag je af waaróm je naar afkomst vraagt, en met welk doel. Als je dat goed kunt verantwoorden en het is duidelijk dat het doel legitiem is, namelijk om gelijkheid tussen mensen te vergroten of discriminatie te verminderen, dan kun je dat doen. Maar als je dat doel niet precies kunt expliciteren, als het afhangt van de uitkomst van je onderzoek, is het belangrijk om voorzichtig en terughoudend te zijn.
Ik hoop dat het rapport van het Verwey-Jonker instituut en Movisie over de beleving van herkomstclassificaties onder Nederlandse inwoners wordt gelezen. Het is belangrijk dat mensen zich kunnen inleven in hoe pijnlijk het is om ingedeeld te worden in een categorie waarin je niet volledig wordt erkend als Nederlander.’
Meer lezen?Does, S.E. van der e.a. (2024). Beleving van herkomstclassificaties onder Nederlandse inwoners: Een verkenning Felten, H. & R. Broekroelofs (2022). Wat werkt bij het verminderen van discriminatie? Felten, H. (2025). Van doelgroepenbeleid naar beleid voor echte mensen. Wat werkt voor wie? Felten, H. e.a. (2025) Wat werkt tegen discriminatie onder het eigen personeel en ten aanzien van sollicitanten? KIS (2024). kis.nl/artikel/discriminatie-en-de-gevolgen-voor-welzijn-en-gezondheid KIS (2025). kis.nl/artikel/een-achterstandsbenadering-wat-het-en-hoe-herken-je-het |
Niels Heetvelt, Saskia Tjepkema en Willemijn de Jong van bureau Kessels & Smit / The Learning Company onderzoeken voor het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid hoe beleidsonderzoek kan bijdragen aan gelijke kansen, zonder daarbij onbedoeld te stigmatiseren of uit te sluiten. Daarmee wordt bijgedragen aan het versterken van het vakmanschap rond inclusief beleidsonderzoek.
Foto Monique Kremer: Joris van den Einden