COLUMN ‘Keuzevrijheid’ in een tijd ‘zonder alternatieven’: terug naar nieuwe oude vragen

Beleid van nu staat bol van neurowetenschappen en psychologie. Nationale overheden, lokale organisaties, werkers in de sociale sector bezigen steeds vaker termen uit het repertoire van de nudge: een pakket aan ideeën dat mensen wil helpen de beste keuzes te maken door gebruik te maken van inzichten uit de gedragswetenschappen.

In de Miljoenennota 2018 is een hele paragraaf hierover opgenomen. Zo zegt het kabinet: ‘Mensen nemen beslissingen vaak niet alleen op basis van rationele overwegingen, maar ze worden beïnvloed door allerlei sociale en psychologische factoren.’

Als sociaal wetenschapper zakt daar je broek van af. Of eigenlijk is dat nog nauwelijks het geval omdat we er al zo aan zijn gewend dat het ‘innovatief’ is om mensen te beschouwen als meer dan calculerende wezens.

Veel belangrijker is: we verliezen cruciale vragen uit het oog, vragen die een ongelofelijke urgentie hebben. Van de opwarming van de planeet tot racisme tot uitbuiting op de arbeidsmarkt: we komen niet ver genoeg met de perspectieven die nu zo domineren. We stellen vaak niet de goede vragen.

Ik gaf studenten sociologie een voorbeeld uit de Miljoenennota. Daar staat namelijk: ‘Een voorbeeld van de toepassing van de inzichten uit gedragswetenschappen is te zien bij de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO). DUO gebruikt gedragsinzichten om studenten te helpen bewust te lenen, zonder dat de keuzevrijheid wordt ingeperkt. Voorheen hadden studenten die wilden lenen de optie om met een druk op de knop te kiezen voor «maximaal lenen». In 2014 verwijderde DUO de optie «maximaal lenen» uit het keuzemenu en moesten studenten zelf aangeven hoeveel ze wilden lenen. (...) hierdoor halveerde het aandeel nieuwe studenten dat koos voor maximaal lenen.’

De studenten analyseerden de tekst en spraken over de logica van deze ‘keuze-architectuur’, zoals dat in de nudge-literatuur heet. Ik vroeg ze: wat is nu het sociale probleem hier? Ze spraken over het probleem dat studenten veel lenen, over dat studenten gemakzuchtig voor de ‘maximale’ optie gaan. Over keuzes en individuen. Echter: dat er een leenstelsel is ingevoerd tijdens hun studietijd dat maakt dat ze moeten lenen en geen beurs meer krijgen, daar begon niemand over. Geen van mijn studenten zag meteen de politieke achtergrond en hun eigen collectieve belang. Toen we dergelijke vragen wel stelden, zakte de moed ze in de schoenen. De vragen leken niet reëel.

Deze jonge mensen kozen voor een studie sociologie in wat Jan Willem Duyvendak wel ‘onsociologische tijden’ heeft genoemd. Ze willen de politieke machtsvragen wel stellen. Maar ze maken ook deel uit van wat Ananya Roy de Post-Welfare generatie noemt: een generatie die geboren werd na Thatcher’s ‘There is no such thing as society’ en ‘There is no alternative’, na Kok en het afschudden van de ideologische veren, een tijd van afbraak van collectieve zekerheden waarvoor hard gestreden was. Ze geloven in sociaal ondernemerschap en eigen verantwoordelijkheid terwijl ze gespannen zijn over hoe ze volgend jaar op de arbeidsmarkt hun eigen broek moeten ophouden als ze hun schuld moeten afbetalen. Ze geloven in keuzevrijheid, maar ook in ‘geen alternatief’.

Minister Wouter Koolmees is een stuk ouder (hij werd geboren in 1977), maar hij kan toch ook wel ‘post-welfare’ genoemd worden. Aan hem de taak om de ‘flexibilisering’ van de arbeidsmarkt te managen. Deze zomer verscheen van hem een in dat licht interessant opinieartikel in het Financieel Dagblad. Daarin citeerde hij Zygmunt Bauman. Dat mag een verrassing heten, want dat is een socioloog en nog een die heel kritisch over bureaucratie en moderniteit geschreven heeft ook. Koolmees verwijst naar Bauman’s concept van de vloeibare samenleving en zegt daarover: ‘Nederland moet leren omgaan met constante afweging tussen vrijheid en zekerheid. Een vloeibare samenleving waarin je alles kunt kiezen, maar niets kunt vasthouden. Het is een heden- en toekomstbeeld van (...) Bauman, waar sommigen van gruwen en anderen van smullen: je bent vrij, maar je staat er ook alleen voor.”

Die tegenstelling tussen vrijheid en zekerheid is van Koolmees zelf. Dat onzekerheid voor sommigen heerlijk is en iedereen alles kan kiezen verzint hij erbij. Voor Bauman was vloeibaarheid geen keuze of ‘afweging’, maar een verontrustende analyse. Koolmees mobiliseert hier een sociologisch werk om het vervolgens in een perspectief te passen over ‘keuzes’. Zo zegt hij: ‘Ik heb geen glazen bol en weet niet hoe de toekomst exact gaat uitpakken. Veel belangrijker vind ik de vraag hoe je je voorbereidt op een toekomst waarvan je alleen de contouren weet.’ Hij zegt eigenlijk: ik bied geen alternatief, u mag kiezen hoe u zich voorbereidt.

Uit Koolmees’ visieloze visie zijn een paar dingen te leren. Ten eerste zegt de aanwezigheid van sociologie in het publieke debat (op deze website besproken door bijvoorbeeld Van Ostaaijen, Engbersen en Duyvendak) op zichzelf blijkbaar weinig, want hier wordt een kritisch socioloog gemobiliseerd in een verhaal waarin alle cruciale vragen over macht buiten beeld blijven. Ten tweede zie ik een urgentie voor het stellen van die oude nieuwe vragen. Het zijn nieuwe vragen omdat ze nu nauwelijks worden gesteld, het zijn oude vragen omdat ze in de sociale wetenschappen volstrekt klassiek zijn: over de mogelijkheden tot collectieve actie, over het organiseren van zekerheid om zodoende vrijheid te maximaliseren, over de machtsverhoudingen tussen arbeid en kapitaal die in het ‘flex’-verhaal van Koolmees zo scheef gaan.

Beginnen aan een loopbaan met een studieschuld is geen gevolg van een keuzemenu van de DUO waar een andere ‘keuze-architectuur’ is gemaakt, maar van het politieke besluit om de studiebeurs af te schaffen.

Een ‘veranderende arbeidsmarkt’ is geen natuurverschijnsel of een afspraak tussen werkgevers en werknemers. Het is een machtsverhouding. Een machtsverhouding waarin Koolmees duidelijk partij gekozen heeft.

Marguerite van den Berg is universitair hoofddocent sociologie aan de Universiteit van Amsterdam. Ze werkt nu aan onderzoek over precair werk in Nederland.

Dit artikel is 681 keer bekeken.

Reacties op dit artikel (2)

  1. De sociologie is helemaal niet (of in ieder geval onvoldoende) aanwezig in het publieke debat. Als er een sociaal wetenschapper wordt opgevoerd in nieuwsrubrieken is dat vaak een (sociaal) psycholoog. Blijkbaar zijn zij er veel beter in geslaagd een positie in het debat te verwerven dan sociologen. Dat komt volgens mij doordat ook de sociologie er tot op heden onvoldoende in slaagt verklaringen te geven (of te communiceren) voor ‘gele hesjes’, de aantrekkingskracht van populisten, de enorme stijging van het aantal zp-ers, de toegenomen armoede onder werkende mensen, het verdwijnen van de middenklasse et cetera. (btw ik ben van huis geen socioloog maar andragoog).

  2. “Een ‘veranderende arbeidsmarkt’ is [] een machtsverhouding”: als het betere inzicht van zo’n lapidaire formulering moet komen, kan dit soort sociologen beter eerst terug naar de tekentafel.

Reageer

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *