COLUMN Waarom de markt voor geneesmiddelen pervers is

Discussies over geneesmiddelen verlopen vaak moeizaam. De industrie claimt dat er miljarden nodig zijn om geneesmiddelen te ontwikkelen en dat het ook vaak misgaat. Het toelatingsproces is uitermate stroef, zodat ook veel tijd en middelen verloren gaan aan procedurele en juridische zaken. Aan de andere kant is er de betaler die klaagt over hoge prijzen en de toegang voor effectieve medicijnen die daardoor in gevaar komt. Wie heeft er gelijk? Allebei.

Een discussie als deze kent geen winnaars, maar wel verliezers: de patiënten die geen toegang krijgen, de belastingbetaler die teveel betaalt en vertegenwoordigers van de industrie die op feestjes een zwart balkje voor hun ogen moeten monteren. De reden dat deze discussie vastloopt, is dat het systeem compleet pervers is, en wel om verschillende

1. De financiering staat haaks op economische logica

Farmaceuten die kunnen aantonen dat ze een nieuw effectief en veilig medicijn hebben ontwikkeld, kunnen via de patentwetgeving en de markttoelating een tijdelijk monopolie bemachtigen. De patentwet is bedacht om uitvinders te beschermen voor het kopiëren van hun idee. Het gevaar voor misbruik van de monopoliepositie is vaak wel aanwezig maar beperkt. Veel patenten vinden plaats in technologische omgevingen waar de ontwikkelingen razendsnel gaan en consumenten doorgaans kunnen besluiten iets niet te kopen als het te duur is. Bij geneesmiddelen, waar er een publiek belang is van een brede toegang, is het economisch onlogisch om onderzoek en ontwikkeling te financieren door middel van hoge prijzen. Als toegang belangrijk is, moeten prijzen laag zijn en moet de industrie op een andere manier gecompenseerd worden voor de hoge investeringen.

2. De financiering druist in tegen onderhandelingstheorie

Welk systeem men ook hanteert, op een bepaald moment is er sprake van onderhandelingen over de waarde die gecreëerd wordt omdat farmaceuten geneesmiddelen ontwikkelen die het leven van patiënten verbeteren. De onderhandelingstheorie leert ons dat een evenwichtige verdeling van die waarde kan ontstaan als beide partijen een zogeheten ‘outside option’ hebben, oftewel een geloofwaardige dreiging om de onderhandelingen te laten mislukken als de tegenpartij te ver gaat. Fabrikanten hebben die optie vaak wel, de overheid als betaler zelden. Ga het electoraat maar eens uitleggen dat je kwetsbare patiënten het recht ontzegt op toegang tot effectieve medicijnen.

3. Het systeem zorgt voor enorme verspilling

Nieuwe geneesmiddelen creëren enorme welvaartswinsten. De industrie zet risicovol kapitaal in. Bij succes zijn patiënten beter af. Het is win-win, want de fabrikanten maken mooie winsten en patiënten hebben een betere gezondheid. Tot zover het goede nieuws. Door het patentsysteem hebben fabrikanten echter een enorme prikkel om veel middelen in te zetten op zogeheten ‘zero sum games’. Anders dan bij win-win ontstaan bij zero sum games geen welvaartswinst. Het is net als bij sport: Als Feyenoord wint, dan verliest Ajax of omgekeerd. Omdat na toelating een tijdelijk monopolie ontstaat, is er fabrikanten veel aan gelegen dit monopolie zo goed mogelijk te benutten. Dat levert geen win-win op maar verspilling, onder meer door te lobbyen, door patenten op te rekken, op te knippen, voorschrijvers te beïnvloeden, generieke concurrenten op te kopen of rechtszaken te voeren. Er wordt geen patiënt beter van deze verspillingen en er gaan gigantische bedragen aan op. Eén indicator voor die verspilling is dat er meer geld wordt uitgegeven aan marketing dan aan onderzoek. Een andere indicator is dat de meerderheid van de ‘innovaties’ in medische zin helemaal geen innovatie zijn maar puur op de markt gebracht worden om strategische redenen.

4. Een groot deel van de wereldbevolking moet het doen zonder noodzakelijke medicijnen

De WHO meet wat de mondiale toegang is van medicijnen. In ontwikkelingslanden heeft slechts een derde van de bevolking toegang tot noodzakelijke medicijnen. Zelfs in een relatief rijk land als Griekenland, hebben patiënten vaak geen of beperkte toegang tot dure medicijnen. In veel rijkere landen moeten patiënten fors bijbetalen, in de duurste landen niet zelden duizenden euro’s per jaar. Als toegang tot medicijnen gezien wordt als een publiek belang, dan faalt het systeem mondiaal op dramatische manier. Dat is niet alleen beschamend voor de landen waar dat gebeurt maar draagt ook bij aan mondiale risico’s, zoals we gezien hebben bij aids, antibiotica en pandemieën.

5. Het systeem lokt uit tot het ontwikkelen van onnuttige geneesmiddelen

Beursgenoteerde bedrijven zijn primair geïnteresseerd in het creëren van waarde voor hun aandeelhouders. Dat hoeft niet op gespannen voet te staan met publieke belangen. Als díe geneesmiddelen worden ontwikkeld die het meest toevoegen aan de kwaliteit van leven, dan gaan de belangen zelfs hand in hand. Helaas is dat niet geval. Weliswaar is de betalingsbereidheid van landen groter naarmate er meer gezondheidswinst geboekt wordt, maar die relatie is nogal zwak. Door die zwakke relatie worden er veel geneesmiddelen op de markt gezet die nauwelijks therapeutische meerwaarde hebben.

Wanneer men de industrie confronteert met deze onverkwikkelijke lijst, komt men doorgaans aanzetten met: (i) de sector doet toch zulke prachtige dingen voor de mensheid, waarom gaat het daar nooit over; (ii) medicijnen vormen maar een kleine fractie van het hele zorgbudget; (iii) andere onderdelen van de zorg worden niet aan dezelfde strenge eisen onderworpen.

Waar of niet, deze argumenten zijn afleidingmanoeuvres of - zo u wilt - uitingen van een industrie die nog altijd in de ontkenningsfase zit. Tegelijk is de industrie niet de eerste partij die we hier op moeten aanspreken. Zij is immers niet degene die dit systeem heeft bedacht. Het is aan de politiek om de regels te veranderen.

Er zijn alternatieven mogelijk

En dat kan best. De Bill en Melinda Gates Foundation liet zien dat publiek-private samenwerkingen kunnen leiden tot goedkope pillen voor malaria. Publiek-private samenwerkingen zijn geen panacee, maar de aanpak scoort opvallend genoeg beter op alle vijf bovenstaande domeinen en verdient dus navolging.

Een ander plan is om de onderhandeling met de industrie te vervroegen naar een moment dat er nog generieke concurrentie mogelijk is voor de productie. Dat is economisch logischer, beter voor de onderhandeling, minder verspillend en beter voor de toegang.

Beide alternatieven hoeven niet slecht te zijn voor de industrie, omdat de prikkels om nieuwe geneesmiddelen te ontwikkelen volledig overeind blijven en er prima marges gemaakt kunnen worden.

De meeste mensen die in de industrie werken zijn dat gaan doen omdat ze een bijdrage willen leveren aan de verbetering van gezondheid in de wereld. Onacceptabel dat we opgescheept zitten met een systeem dat dit verlangen zo frustreert. Het moet anders. Het kan ook anders.

Marcel Canoy is distinguished lecturer Erasmus School of Accounting and Assurance, en columnist voor www.socialevraagstukken.nl.

Reacties op dit artikel (1)

  1. Wat verontrusting over continu toenemende uitgaven voor medische zorg veroorzaakt, is haar (wijze) van financiering. Massa’s in Europa zijn sociaal verzekerd tegen de kosten die ziekten en ongevallen met zich meebrengen. ‘Sociaal verzekerd’ = per definitie verzekerd tegen te lage premies; de regering past met geheven belastingen bij. Dit leidt tot buitensporige vraag naar medicamenten en diensten van medici. Desocialisering van de premieheffing zou daar een einde aan maken, maar dat vinden mensen in het Westen persoonlijk te duur, te riskant. Een vrije markt voor ziektekostenverzekering betekent niet zonder meer toenemende concurrentie van verzekeringsmaatschappijen waardoor tegen lagere premies alle mensen totaal verzekerd = geholpen zouden zijn. Daar, in Europees Westen, willen mensen én doorbetaald verlof genieten, voor zwangerschap, tevens een goed bekendstaande homeopathische dokter raadplegen zo vaak zij dat zelf nodig oordelen. En ook nog een auto bezitten, om met vacantie te kúnnen gaan; want met de trein ben je zo gebonden. En ze wensen dat allemaal of eisen dat zelfs op hoge toon omdat ze denken dat gezondheidszorg gratis is en bovendien hun recht. Goed, dat gezondheidszorg geld kost is, weten ze eigenlijk ook wel, maar zo voelt zij aan en daar handelen zij naar. En als de regering geld tekort komt, volstaat het dat zij een paar straaljagers minder aanschaft. Het is allemaal zo simpel dat als het er niet van komt, je begint te geloven aan boosaardige krachten. In andere woorden, de schelle stemmen van mening dat de economie geen factor is, of zou mogen zijn wanneer het om bepaalde menselijke behoeften gaat, laten zich meer dan ooit horen. En ze het zwijgen opleggen is geen licht werk. Het is slecht voor je gezondheid. Je moet sociaal zijn en wat heeft dat met de economie te maken?

    Een gouvernement dat een milliard Euros meer per annum aan gezondheidszorg besteedt, zal behalve aan zieke mensen een weldaad bewijzen ook een aantal mensen langer laten leven – vraag niet hoe – en daarmede de gemiddelde nationale levensverwachting doen stijgen. Iedereen vindt dat mooi en ook internationaal staat het fraai. Het komt namelijk in de wereldstatistieken. ‘Een goede regering daar’, zullen de mensen in het buitenland goedkeurend mompelen bij het lezen van die tabellen, ‘zo moesten ze het hier ook doen’. En veel Nederlanders zijn als ze dat van hun eigen land horen, gevleid. Dan zeggen ze glimmend van trots: ‘Wij zijn geen derde wereldland.’ Of dezelfde buitenlandse mensen gaan maar liever meteen naar dat (ons) land toe om er zich voorgoed te vestigen, wat vanuit hun standpunt gedacht wel zo handig is. Zelf in eigen land iets opbouwen, duurt te lang. Je bent ruimschoots dood voordat je de vruchten van je persoonlijke inspanning kunt oogsten. En dan is het ook nog de vraag of het ooit wel van zo’n afpluk zal komen.

Reageer

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *