COLUMN Wat wij van werken vinden

Mijn betere helft (goede baan, voltijds) wil graag rond haar pensioengerechtigde leeftijd stoppen met werken om andere nuttige dingen met haar leven te doen. Ikzelf wil graag werken tot mijn dood, als mijn gezondheid dat toelaat en mij nog zinnig werk gegund wordt.

Mijn echtgenote en ik behoren tot hetzelfde ‘cohort’ (opleiding, salaris, leeftijd). Onze algemene attitude ten opzichte van werk lijkt ook sterk op elkaar. Maar onze uiteindelijke voorkeuren blijken toch sterk uiteen te lopen.

Vast werk, logisch, wie wil het niet

Dit persoonlijke verhaal wordt gespiegeld in de rest van het land. Wat wij van werk vinden, is op zijn best paradoxaal en verandert ook sterk door de tijd. De queeste naar de waarde van werk is een project van hoogleraar arbeidsmarkt Paul de Beer, waarover ik hier rapporteer.

Neem de vakbonden. Zij strijden thans om het hardst om de vaste baan te redden van het doorgeslagen flexdenken. Vraag iemand op straat hoe logisch dit is en hij of zij zal snel beamen dat de vakbonden goed bezig zijn. Vast werk, logisch, wie wil het niet. Detail, dezelfde vakbonden streden een eeuw geleden om het hardst tegen de vaste baan, want dan zouden we allemaal loonslaven worden.

Het is curieus dat een essentieel fenomeen als werk zo slecht begrepen wordt. Is werk wat economen met een spuuglelijk woord een ‘disnut’ noemen (meer vrije tijd is beter) of maakt werk juist gelukkig?

Het doet er toe wat we als land vinden

Voorkeuren doen er toe, instituties ook. Om terug te komen op flex: deze trend wordt vaak toegedicht aan globalisering of robotisering. Maar dat klopt niet, want andere Europese landen laten een heel ander beeld zien, terwijl ze aan dezelfde trends onderhevig zijn. Kennelijk doet het er toe wat we als land collectief vinden en hoe we onze samenleving hebben ingericht in de loop der tijd.

Als voorbeeld kan dienen het deeltijdwerk van Nederlandse vrouwen (en in mindere mate mannen). Al jaren wordt hier onderzoek naar gedaan, maar het blijft een mysterie waarom Nederlandse vrouwen massaal in deeltijd werken. Willen ze het zelf? Worden ze door de omgeving of de cultuur ‘gedwongen’? Zijn werkgevers er zo aan gewend dat het padafhankelijk is geworden? Of worden vrouwen door instituties geprikkeld in deeltijd te werken?

Heleens Mees vond onze vrouwen maar lui

Het meest waarschijnlijke correcte antwoord op deze vragen is: ‘allemaal’. Onze attitude ten opzichte van werk is een complex cultureel, sociaal en institutioneel amalgaam, wat zich niet met snedige oneliners laat vatten.

Zo vond Heleen Mees dat onze vrouwen maar lui waren. En een niet nader bij naam te noemen (demoniseren!) verwarde man die per ongeluk in de Tweede Kamer is beland, meende:  ‘Ik weet wel dat vrouwen het over het algemeen minder excelleren in een heleboel beroepen en minder ambitie hebben. Vaak ook meer interesse hebben in gewoon meer familieachtige dingen enzo. ‘ Enzo! Snel vergeten die oneliners van nepintellectuelen. Zij weten het ook niet.

Internationale vergelijkingen gaan mank

Mensen met een arbeidshandicap willen we aan een baan helpen. Uitkeringsgerechtigden ook. Maar mensen die voor een basisinkomen zijn, benadrukken juist het feit dat we dan minder kunnen werken en ons anderszins nuttig kunnen maken. Nederland staat aan de top met de hoogste arbeidsparticipatie maar heeft de grootste uitzendbranche van de wereld en ook de meeste mensen die vrijwilligerswerk doen. Ja wat vinden we nou?

Onze attitude ten opzichte van werk is zo complex dat internationale vergelijkingen per definitie mank gaan. Pogingen om Europa te classificeren in termen van welvaartsarrangementen, zoals die van de beroemde socioloog Esping Andersen, zijn heroïsch, maar overtuigen niet. Alleen al omdat Nederland stiekem bij de “Nordic countries” is ingedeeld, waar het om veel redenen niet thuis hoort. Ook het werk van Paul de Beer zelf op dit vlak raakt verstrikt in ongerijmde verschillen tussen landen.

Vrouwen in deeltijd: misschien wel een indicator van onze welvaart

Mijn werkhypothese (pun intended) luidt als volgt. De hele discussie over de waarde van werk is zinloos als niet de kwaliteit van werk en werkzaamheden wordt meegenomen. Het is leuk door te werken na je 67e maar alleen als het werk is waar je plezier aan beleeft en dat fysiek niet te uitputtend is. Vraag dat maar aan een stukadoor. Vrouwen kunnen in Nederland deeltijd werken, omdat er genoeg kwalitatief interessante banen in deeltijd zijn, ook op hoger niveau. Mensen zoals mijn echtgenote kunnen op een bepaald moment stoppen met werken omdat er genoeg financiële middelen over zijn en de kwaliteit van leven ook zonder werk hoog kan zijn in die situatie.

Instituties die over werk gaan (minimumloon, CAO’s, pensioenen) zijn deels reflecties van collectieve voorkeuren maar deels gericht op maatschappelijke waardes (zo moeten er voldoende mensen aan de slag zijn om de belastingen op te brengen). Hoe welvarender een land wordt, hoe meer instituties gebouwd worden die de voorkeuren van een land over werk weerspiegelen in plaats van een maatschappelijke noodzaak.

Als je het zo beschouwt, is de persistente trend in Nederland dat vrouwen in deeltijd werken misschien wel een scherpe indicator van onze welvaart. We doen het. Omdat het kan.

Marcel Canoy is distinguished lecturer Erasmus School of Accounting and Assurance, en columnist voor www.socialevraagstukken.nl.

Foto: FaceMePLS (Flickr Creative Commons)

Reacties op dit artikel (3)

  1. helemaal mee eens. Maar een opmerking: lang, lang geleden woonde ik in Frankrijk. Zoon(tje) ging naar lagere school. Van half negen tot half zes. Plus warme middagmaaltijd. Dit alles bijna gratis. Vrouwen konden dus de hele dag werken. Op platte land was dit ook erg nuttig. Bij terugkomst in Nederland geconfronteerd met schooltijden tot ca 2/3 uur ’s middags. Dit betekende halve dagen werken. Opvang was niet te betalen. En wilde ik eerlijk gezegd ook niet. Heb me altijd afgevraagd waarom dit niet anders kon. Overigens is het in Frankrijk inmiddels ook wel veranderd, dacht ik.. Tja.

  2. De volledige werkgelegenheid mythe wordt niet eens genoemd. Mees kan part time werkende vrouwen lui noemen, maar het valt niet mee om een fulltime baan te vinden!

  3. Ja! Ook dat. Maar nou komt het. Die Überconservatieve mannen van mijn leeftijd die economisch onafhankelijke vrouwen als een aantasting beschouwen van hun masculiniteit en alles uit de kast halen om je af te waarderen tot een in de prak gereden ‘occasion’ door met een horde bizons over je heen te denderen. Het grote verlangen van de mannen van mijn generatie naar de klassieke huisvrouw die poetsje, kookje en wasje doet. En ze hebben niets aan de handjes. Wat is dat voor een curieuze gang van zaken?

Reageer

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *