Hulpverlenen of handhaven – dilemma voor wijkteamwerker

‘Nabij en integraal is beter’ luidt de slogan van de decentralisaties in het sociale domein. Volgens een recent rapport van Movisie gaat het over het algemeen goed met het realiseren van integraliteit in nabije wijkteams, maar blijft de integratie van de Participatiewet achter [i]. Maar professionals hebben daar goede redenen voor, zo blijkt.

Een van de grote belemmeringen voor achterblijvende integratie zou zijn dat nog niet alle professionals hiervan de meerwaarde inzien. Het is jammer dat Movisie zich niet heeft afgevraagd wáárom professionals die meerwaarde niet inzien. Uit ons onderzoek De Belofte van Nabijheid komt naar voren dat wijkteammedewerkers daar aannemelijke redenen voor kunnen hebben. Volgens hen vraagt het opnemen van de uitvoering van de Participatiewet in het wijkteam twee botsende rollen van wijkteamwerkers: die van hulpverlener en handhaver. Dit beïnvloedt volgens hen hun professionaliteit, veroorzaakt lastige dilemma’s en roept de vraag op of de bewoners hier echt beter van worden.

Grote ambities voor het wijkteam

Hoewel het niet verplicht was, kozen veel gemeentes bij de decentralisaties voor het oprichten van wijkteams [ii]. De vorm en taken van de wijkteams verschillen onderling, maar de algemene trend is dat zij integraal, generalistisch en nabij willen werken. Een van de zes gemeenten uit ons onderzoek besloot om wijkteammedewerkers zowel langdurige zorg, jeugdzorg als participatie integraal en nabij te laten uitvoeren. Men zag in alle drie decentralisaties dezelfde onderliggende begrippen terugkomen: ‘eigen kracht, samenkracht en participatie’. Dit ging gefaseerd. Het wijkteam begon met een ondersteunende functie: als inwoners hulp nodig hadden, konden zij het wijkteam vragen. Geleidelijk is het wijkteam daarna ook eerstelijns jeugdzorg, schuldhulpverlening, de Wmo-indicatiestellingen en de Participatiewet gaan uitvoeren.

Dat laatste is bijzonder, want hoewel ongeveer 37 procent[iii] van de wijkteams een deel van de Participatiewet uitvoert (zie kader), zijn in deze onderzochte gemeente alle taken van de Participatiewet bij de wijkteams ondergebracht. De loketten bij de gemeente werden gesloten en de wijkteamwerkers zijn nu – voor alle bijstandsgerechtigden – contactpersoon op het gebied van participatie. Zij zoeken bijstandsgerechtigden thuis op en moeten hen activeren richting werk.

Om welke taken uit de Participatiewet gaat het en hoe vaak worden deze bij het wijkteam ondergebracht?

Eind 2015 is in 37 procent van de sociale (wijk)teams (van gemeenten die meewerkten aan het Movisie-onderzoek) een medewerker van de dienst Werk en Inkomen werkzaam (Arum & Schoorl, 2016). (Geciteerd uit het rapport van Movisie).

Bij die 37% ging het om de uitvoer van de volgende taken:

Schuldhulpverlening                                       75%

Participatiebevordering                                  62%

Toeleiden naar ondersteuning                      56%

Inkomensvoorziening                                     56%

Re-integratie/arbeidsbemiddeling               35%

(Tabel is afkomstig uit: ‘Werk en inkomen in integrale aanpakken: een verkenning van theorie en praktijk’ van Movisie (2017), p.10)

Voordelen van uitvoering van de Participatiewet door het wijkteam

De gemeente in kwestie gaat ervan uit dat werkloosheid vaak samenhangt met andere problemen en dat het wijkteam deze problemen daarom het beste in samenhang kan oppakken. Een deel van de betrokken wijkteamwerkers ziet net als de gemeente voordelen in het overnemen van de participatietaken. Volgens hen is het prettiger voor bewoners als ze niet naar de sociale dienst hoeven, maar thuis bezoek krijgen van iemand van het wijkteam.

‘Mensen moeten dan een instantie inlopen, grote deur, een bureau en dan moeten ze bij een ambtenaar komen. Dat is nogal wat. En dan heb ik het over de mensen die daar gevoelig voor zijn. En nu kom je bij mensen thuis: “Hé Piet hoe is het nou?” “Ja, nou, rotdag gehad dit en dat.” “Nou, bakje koffie en dan praten we even bij.”’

Door mensen thuis te bezoeken zien de werkers ook meer: zo leren ze mensen – en de situatie waarin zij verkeren – beter kennen, en ze denken daardoor beter hulp te kunnen verlenen en beter de gevolgen van een eventuele maatregel te kunnen inschatten. Ook brengen de huisbezoeken hulpvragen aan het licht, die anders verborgen zouden blijven.

‘Je komt zo’n gezin binnen en je ziet een grote chaos qua huishouden. Kinderen zijn totaal ontremd, dat ik denk “Ho hier is meer aan de hand”. En dan krijg je in denk ik 98 procent van de gevallen een levensverhaal waar je van achterover slaat. En je ziet dat mensen daar heel erg in vastlopen. Ze komen in principe alleen maar voor schulden of participatie, maar meestal zit er veel meer achter. En het mooie is, achter de voordeur, met al die gebieden, kunnen we iets qua ondersteuning.’

Ook een lastige opdracht

Hoewel sommige wijkteamwerkers vinden dat zij bewoners met de uitvoering van de Participatiewet beter kunnen ondersteunen, leidt dit volgens andere wijkteamwerkers juist tot spanningen in de uitoefening van hun werk. Deze laatsten wijzen bijvoorbeeld op de benadering van bewoners, die volgens hen anders is als het om participatie gaat.

Waar bij ondersteuningsvragen rond de zorg de bewoner meestal het initiatief voor het contact neemt, is dat bij participatie andersom. Hier is de gemeente de initiatiefnemer; die stuurt de bewoner een brief dat deze moet participeren en dat er daarom iemand van het wijkteam op huisbezoek komt. Een deel van de wijkteamwerkers vindt daarnaast het verplichtende karakter van de participatieopdracht lastig te combineren met ondersteuning bij andere problemen. Deze wijkteammedewerker legt uit waar volgens hem het probleem zit:

‘Kijk, wat ik kan doen vanuit mijn functie is mensen proberen te motiveren tot, maar ik kan ze niet oppakken en zeggen: “Nu ga jij daarheen.” Daar heb ik niks voor. Het enige middel wat ik heb is indirect, ik kan zeggen: “Ik merk dat u niet gemotiveerd bent, nu moet ik dat toch terug melden aan de gemeente.” En daarmee loop ik het gevaar dat er een vertrouwenscrisis ontstaat tussen mij en de bewoner. Dat vind ik het lastige aan deze positie. Want als mevrouw of meneer vervolgens weer bij ons komt voor een ander probleem, dan komen ze toch weer bij mij uit. […] Ik kan me voorstellen dat een bewoner dan zegt: “Ja die medewerker gaat hier tegen de gemeente liggen zeggen dat ik mijn best niet doe, die hoeft er bij mij niet meer in te komen.” Tja dan wordt het lastig.’

Een andere medewerker wijst nog op een ander aspect van wat hij het ‘twee petten’-dilemma noemt:

‘Dat is natuurlijk ook een issue hè, je weet dat je bij mensen komt die het heel erg zwaar hebben, die in de bijstand zitten en naar de voedselbank gaan. Je weet gewoon dat ze erbij werken om schoenen voor hun kind te kunnen kopen. Maar in principe mogen ze niet werken als ze in de bijstand zitten. Dan zit je daar eigenlijk vanuit een ondersteunende rol voor dat gezin, maar anderzijds moet ik ook weer die pet op zetten van: “Hé, je mag niet werken bij jouw uitkering tenzij je het opgeeft.” Maar dat doen ze meestal niet.’

De wijkteamwerkers in deze gemeente moeten er nu dus op toezien dat mensen zich aan de wet houden: dat ze naar vermogen werken, werk zoeken en participeren en niet frauderen met hun uitkering. Doordat zij bij de mensen thuiskomen, zien zij veel.

Vanuit het gemeentelijke oogpunt van rechtshandhaving is dat een voordeel, maar tegelijkertijd rijzen vragen. Is het voor bewoners wel duidelijk wie ze in huis krijgen: weten ze tegen wie ze wat kunnen vertellen? En hoe staan wijkteamwerkers hierin: vinden ze goede hulp (waar vaak een vertrouwensband voor nodig is) aan bewoners belangrijker of de rechtshandhaving?

Hoe zo’n dilemma ontstaat aan de keukentafel

Hoe zo’n dilemma kan ontstaan, bleek bij een van onze observaties van een keukentafelgesprek. We bezochten iemand die als gevolg van een zware hartaanval wil bespreken welke uitkering ze kan krijgen en wat ze nog voor werk zou kunnen doen. Hier is duidelijk het informele karakter te zien dat bij huisbezoeken kan ontstaan, dat de wijkteamwerkers eerder een voordeel noemden. Maar de keerzijde is er ook:

'De bewoner gaat koffie zetten en vraagt of we appelkruimel willen. “Lekker!” roept de wijkteamwerker enthousiast. De bewoner vertelt dat ze van haar laatste spaargeld de keuken laat verbouwen. De wijkteamwerker zegt bezorgd dat de gemeente wel eens moeilijk kan gaan doen, mocht ze in de bijstand komen: je mag niet zomaar vlak daarvoor al je spaargeld opmaken. De bewoner wuift dit weg en gaat koffie zetten. Als ze terugkomt vraagt de wijkteamwerker: “Om hoeveel geld gaat het eigenlijk, als ik vragen mag?”. “4000 en ik laat het natuurlijk zwart doen”, zegt ze en loopt weer naar de keuken. De wijkteamwerker zegt tegen mij: “Tja officieel moet ik dit natuurlijk melden hé. Officieel moet ik hier iets mee (kijkt moeilijk). Maar gelukkig heeft ze nog geen bijstand en is het van haar eigen spaargeld.”’

Na het huisbezoek kwam de wijkteamwerker nog op deze kwestie terug. Ze zei dat ze zich in een lastige dubbelrol geduwd voelde: vertrouwensband, maar ook signaleringsfunctie, die de vertrouwensband mogelijk kan beschadigen.

‘Andere wijkteamwerkers vinden het ook héél lastig dat dit officieel moet en doen het vaak ook niet. Bovendien gaat het er hier niet om dat ze zwart werkt, maar dat ze zwart laat verbouwen en dat doet iedereen toch? Ambtenaren doen het toch ook vaak op deze manier? Ik kan dat zelf ook wel zo doen. Dus ja hoe eerlijk is het om die bewoner dan aan te geven? Bovendien, de Panama Papers zijn ook niet eerlijk. Officieel staat de wet dat toe, maar hoe eerlijk is dat? Daar komen de rijke mensen ook gewoon mee weg, dus waarom zouden we hier dan moeilijk over moeten doen?’

Het dilemma is duidelijk. De wijkteamwerker komt bij de bewoner thuis voor ondersteuning en ziet daar iets waar ze officieel een melding van zou moeten maken. Juist doordat de professional in de vertrouwde huiselijke sfeer komt, ontstaat dit dilemma. Op kantoor vertellen bewoners dit soort informatie waarschijnlijk minder snel en komt de vertrouwensband met de hulpverlener minder in de knel.

Hoe om te gaan met deze dilemma’s?

Hoe de wijkteamwerkers reageren op de nieuwe taken uit de Participatiewet die verplichtingen voor bewoners meebrengen, verschilt onderling sterk. Volgens sommigen verandert er niets wezenlijks in hun werk. Zij proberen bewoners hetzelfde te behandelen als voorheen en de relatie gelijkwaardig te houden door het niet over een verplichting te hebben. Omdat het verplichtende karakter niet strookt met hun werkwijze, benoemen ze deze liever niet.

‘Dus dan ga ik wel bij mensen langs en dan hebben we een gesprek over het stukje werk. Maar dan doen we niet meer zoals vroeger: dat mensen moeten gaan laten zien wat ze allemaal gedaan hebben om werk te vinden. Ik ga dan kijken naar mensen van “Oké, hoe kun jij weer aan de slag? Hoe kun jij uiteindelijk weer voor jezelf zorgen?” En dat vóelt voor mensen anders, maar uiteindelijk wil je natuurlijk wel dat ze weer aan de slag gaan. […] Als ik denk dat het goed is dat ze een keer uit huis iets gaan doen – en die persoon vindt dat die daar nog niet aan toe is – dan ga je daar samen over in gesprek van “wanneer ben je daar dan wel aan toe?” en “hoe zie jij dat'?”, en “wat is voor jou wel haalbaar?” en “wat zijn dan mijn verwachtingen daarin?” en “hoe kunnen we die dan samen, tot iets van ons maken, in plaats van iets van mij?”. Of “iets van jou eigenlijk.” Dat het liefste.’

Deze wijkteamwerkers proberen zo de gelijkwaardigheid in stand te houden. Maar ook al noemen ze de verplichting niet expliciet, deze is er wel degelijk. De vraag is of het professioneel verantwoord is om dit niet openlijk te zeggen. Weten bewoners dan nog wel wie ze tegenover zich hebben en wat ze wel en niet kunnen zeggen en mogen verwachten van de sociaal werker?

Andere wijkteamwerkers vinden dat er wel iets wezenlijks is veranderd door de nieuwe taken van de Participatiewet; ze proberen de spanning die dit volgens hen met zich meebrengt op te lossen door te proberen de bewoners ervan te overtuigen dat het verplichtende karakter uiteindelijk juist in hun eigen belang is. Hierbij is het elke keer de vraag of dat lukt en of zij de vertrouwensband met cliënten kunnen behouden.

Weer andere wijkteamwerkers zijn er tegen om de uitvoering van de Participatiewet volledig over te nemen. Zij staan wel positief tegenover ondersteuning bij participatie, maar vinden dat het verplichtende karakter te veel botst met hun functie als hulpverlener. Zij vinden daarom dat taken, die met handhaven te maken hebben, beter bij de gemeente kunnen blijven.

‘We krijgen allerlei gemeentelijke taken erbij, niet alleen die van de Participatiewet. De bedoeling is dat we het op onze eigen manier gaan doen. Maar wat is dat dan? Uiteindelijk zitten er wel degelijk wettelijke kaders aan vast en dan doen we het toch op een ambtenaar manier. […] Zo word ik steeds meer een gemeenteambtenaar en dat was niet bekend toen ik met deze functie begon. Daar ben ik ook niet voor opgeleid.’

De wijkteamwerker die hier aan het woord is geeft het vooralsnog niet door aan de gemeente als een bewoner te weinig participeert of naar werk zoekt of als ze vermoedens over zwart werken heeft, terwijl ze dat van de gemeente wel moet doen. Hoewel ze hier tot nu toe niets over te horen heeft gekregen, zit ze er wel mee. Ze doet namelijk niet wat de gemeente van haar vraagt en dat brengt haar in een onzekere en onveilige positie. Bovendien is ze zich ervan bewust dat haar handelwijze tot een willekeurige behandeling van burgers leidt. De laatste tijd denkt ze er steeds vaker over om een andere baan te zoeken.

De betreffende gemeente benadrukt dat wijkteammedewerkers ‘open en transparant’ moeten communiceren met bewoners die zij ondersteunen ‘bij het vergroten van zelfredzaamheid’. ‘Als huishoudens de wet overtreden zal dit consequenties hebben, aangezien het niet bijdraagt aan de zelfredzaamheid van huishoudens.’ Daarom moeten wijkteammedewerkers hun ‘vermoedens van onrechtmatigheden’ met de bewoner in kwestie bespreken en uitleggen dat het opnieuw niet nakomen van afspraken tot maatregelen kan leiden zoals terugvordering of een boete.

Ze moeten hun vermoedens ook doorgeven aan de gemeentelijke afdeling die over het toekennen van de bijstandsuitkering gaat. Als zij dit niet doen werken zij niet aan de vergroting van zelfredzaamheid, want als de gemeente op een later moment toch ontdekt dat er sprake is van overtredingen zal dit leiden tot sancties die de (financiële) zelfredzaamheid van de bewoner in kwestie ondermijnen. De wijkteammedewerker heeft hier dan onbedoeld een rol bij gespeeld.[iv]

Luister naar sociale professionals

Het is de vraag of het de wijkteamwerkers zal lukken om de vertrouwensband met bewoners te behouden en tegelijkertijd te voldoen aan de eisen die het uitvoeren van de Participatiewet aan hen stelt. Wij zeggen hier niet dat het onderbrengen van de Participatiewet in het wijkteam per definitie een slecht idee is. Maar we pleiten er wel voor om de problemen waar professionals in hun werk op stuiten serieus te nemen en hen niet neer te zetten als mensen die nog overtuigd moeten worden, zoals Movisie doet.

Het is bijvoorbeeld zinvol om onderscheid te maken tussen de verschillende taken die bij de Participatiewet horen en wat deze vragen van professionals. Interessant is in dit opzicht ook of de beroepscode van sociaal werkers of de beroepsorganisatie van dienst kunnen zijn bij het verhelderen van de dilemma’s.

Tot slot is het zinvol om te onderzoeken hoe de bewoners ‘de twee petten’ van de sociaal werkers ervaren – niet alleen bij de uitvoering van de participatiewet maar ook bij de justitiële jeugdzorg. Wat dit doet met hun vertrouwen in de sociaal werkers en wat zijn de mogelijke gevolgen daarvan?

Tania Huijben heeft haar bachelorscriptie geschreven over dit onderwerp, onder begeleiding van Loes Verplanke, onderzoekster bij ‘De belofte van nabijheid’.

In het onderzoeksproject ‘De belofte van nabijheid’ doen zij samen met Jan Willem Duyvendak, Evelien Tonkens, Femmianne Bredewold en Thomas Kampen onderzoek naar de decentralisatie van participatie, langdurige zorg en jeugdzorg. Beurtelings doen zij hiervan de komende tijd op deze site verslag in de serie 'De belofte van nabijheid'.

Het project is een samenwerking tussen de Universiteit van Amsterdam en de Universiteit voor Humanistiek. 

Noten:

[i] Panhuijzen, B.; Verweij, S.; Van Houten, M.; Xanten, H. (2017). Werk en inkomen in integrale aanpakken: een verkenning van theorie en praktijk. Utrecht: Movisie.

[ii] “Uit de peiling ‘Sociale (wijk)teams in vogelvlucht’ in 2014 bleek dat 69% van de gemeenten al met één of meerdere sociale (wijk)teams werkt. Aanvullend was 17% van de gemeenten bezig met de ontwikkeling van deze teams. In veel van deze gemeenten zijn nu teams van start gegaan. Eind 2015 geeft maar liefst 87% van de deelnemende 234 gemeenten aan één of meerdere sociale (wijk)teams te hebben”. Geciteerd uit: Arum, S. van & Schoorl, R. (2016). Sociale (wijk)teams in beeld. Stand van zaken na de decentralisaties (najaar 2015). Utrecht: Movisie. (p.11)

[iii] In Movisie-publicatie Sociale (wijk)teams in beeld. Stand van zaken na de decentralisaties (najaar 2015) (blz. 24) staat dat het in 2015 gedaald was naar 37%. Cijfers over 2016 zijn nog niet beschikbaar bij Movisie.

[iv]  Uit verslag raadscommissie Economie en Mobiliteit van de gemeente in kwestie over de notitie ‘Handhaving Sociaal Domein’ 9-2-2016.

Foto: Stephen D (Flickr Creative Commons)

Dit artikel is 3097 keer bekeken.

Reacties op dit artikel (3)

  1. De Beroepsvereniging van Professionals in Sociaal Werk (BPSW) is daar duidelijk over: de beroepscode moet burgers garanderen dat hun privacy wordt gerespecteerd en dat hun persoonlijke levenssfeer wordt beschermd. Het beroepsgeheim van sociaal werkers geeft hun uitdrukkelijk mee om niet als sociaal rechercheur op te gaan treden bij de cliënten. Gemeenten die dat eisen zijn beslist op de verkeerde weg. Van een vertrouwelijk contact kan dan geen sprake meer zijn. Bovendien verzamelt de sociaal werker dan informatie die niet alleen voor de hulpverlening maar ook voor andere doelen gebruikt wordt, dat is niet toegestaan volgens de Wet Bescherming Persoonsgegevens. Hopelijk zullen sociaal werkers zich niet alleen lijdelijk verzetten, maar zich ook uit gaan spreken in hun gemeente. Zie ook mijn artikel in Journal of Social Interventions https://www.journalsi.org/articles/abstract/10.18352/jsi.542/

  2. In MGV van maart 1982 verscheen mijn artikel met de titel: ‘Wijkagent; probleemagent ?’.
    Het schetst hetzelfde dilemma waar onze samenleving nog steeds geen oplossing voor heeft: Wat te doen als én hulpverlening én (rechtsorde)handhaving moeten plaatsvinden.
    Mijn advies is met deze professionals te overleggen en te leren hoe deze dat inmiddels al een dikke dertig jaar doen.

  3. Helemaal eens met Josien Hofs hierboven. ‘Hulpverlenen of handhaven’ mag voor sociaal werkers die zich houden aan hun beroepscode nooit een dilemma zijn. ‘Handhaven’ namens of voor een overheid is immers geen opdracht die overeenkomt met de ethische richtlijnen van de beroepscode. Sterker: als je als werker die opdracht krijgt – bijvoorbeeld melden van fraude – dient elke sociaal werker te toetsen of dit in overeenstemming is met de eigen beroepsstandaard, inclusief beroepscode. En aan de hand van de beroepscode zal deze werker nooit kunnen verantwoorden dat hij/zij buiten de wil van hun cliënten fraude melden (tenzij er een acute levensbedreigende situatie zou bestaan).
    Een sociaal werker, kortom, handelt in een vertrouwensrelatie altijd in het verlengde van diens cliënt en niet als verlengstuk van een opsporingsambtenaar.
    ‘Zwijgplicht of meldplicht’ is eigenlijk het in de praktijk soms ervaren dilemma. Maar na moreel beraad en analyse met de beroepscode in de hand blijkt er geen dilemma meer te zijn: zwijgplicht weegt zwaarder.

Reageer

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *