Nederlands, maar ook Vlaams migratiebeleid, moet voorbij wij-en-zij

De analyse van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid van een steeds gevarieerdere migratie is ook relevant voor Vlaanderen, vindt de Vlaamse socioloog Dirk Geldof. De telkens grotere diversiteit plaatst Nederland en Vlaanderen voor de opgave om bestaand beleid te herijken. En herijking waarin ook de stem van migrant moet doorklinken.

Vlak voor de jaarwisseling publiceerde de Nederlandse Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) het rapport ‘Samenleven in verscheidenheid. Beleid voor de migratiesamenleving. Rode draad in het rapport is dat Nederland een dynamische migratiesamenleving is geworden.

Volgens de WRR is de migratie niet alleen structureel van aard, maar vertoont het ook steeds meer variatie. Migranten komen uit een groter aantal landen dan voorheen gaan ook vaker weer terug naar hun land van herkomst. De vraag voor politiek en samenleving is hoe, met welk beleid de toenemende migratie en diversiteit kan worden opgevangen. Die zoektocht is boeiend voor Nederland, maar ook voor Vlaanderen.

Overheid weer aan zet

De Raad spreekt zich uit voor een migratiebeleid dat sterker probeert in te spelen op de veranderde aard van de migratie, zowel voor als na de aankomst van de nieuwkomers. Veel aandacht moet uitgaan naar de kunst van het samenleven. Samenleven is volgens de onderzoekers complexer en lastiger, als mensen sterker van elkaar verschillen, korter blijven en vaker verhuizen. Het maakt het ontwikkelen van een ‘publieke familiariteit’ in een buurt of wijk minder gemakkelijk.

De voorbije jaren lag de verantwoordelijkheid voor integratie vooral bij migranten en nieuwkomers, in Nederland nog sterker dan in Vlaanderen. In haar pleidooi om meer aandacht te geven aan sociale samenhang, bepleit de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid weer een actieve overheidsrol en een meer verbindend beleidsdiscours.

Versterking opbouwwerk nieuwe stijl

Om de interactie tussen bevolkingsgroepen te versterken, is versterking van sociale en culturele infrastructuur nodig. En dat vereist op zijn beurt de inzet van opbouwwerk nieuwe stijl, met buurtwerkers, buurtverbinders, kwartiermakers en wijkcoaches. In de publieke sectoren is het leren omgaan met verscheidenheid crucialer dan ooit. Onderwijs, gezondheidszorg, politiewerk en hulpverlening betekenen anno 2021 immers werken in een context van superdiversiteit en verschil.

De Raad pleit met name voor een duidelijke handhaving van de basisregels van het samenleven. Het gaat om het naleven van de regels van de rechtstaat, economische en sociale participatie en de ruimte voor alle inwoners om uiting te geven aan hun individuele en collectieve identiteiten.

Debatten over nationale identiteit zelden succesvol

Debatten over nationale identiteit zijn daarbij zelden succesvol: ze zijn een splijtzwam en geen bron van verbondenheid. Het stimuleren van lokale of stedelijke identiteitsvorming werkt wel verbindend. Het is een manier om in te zetten op verbindende verhalen en instituties, en voorbij te gaan aan het polariserende en verdelende wij-zij-discours.

De taal is een van de meest typerende nationale instituties, al onderschatten de auteurs de groei van de meertaligheid in de grote steden. Taal, maar ook de gezamenlijke vormgeving van de fysieke omgeving werkt verbindend. Hier speelt opnieuw het lokale. Telkens opnieuw bepleit de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid meer ruimte voor lokale variatie: laat steden en gemeenten beter inspelen op de lokale context en dynamiek.

Controversiële thema’s

Het rapport schuwt de moeilijke en controversiële thema’s niet. Dat geldt zeker voor de laatste aanbeveling: onderzoeken hoe migratiebeleid dienstbaarder kan worden gemaakt aan sociale samenhang en arbeidsdeelname.

Een voorbeeld maakt het concreet: waar bedrijven de voordelen plukken van laagbetaalde en tijdelijke arbeidsmigratie, moet de lokale samenleving vaak voor de kosten van opvang opdraaien. De vrijwel totale afhankelijkheid van de vleesverwerkende industrie, tuinbouw en bouw van goedkope en tijdelijke buitenlandse arbeidskrachten, zet de sociale samenhang en de lokale huisvestingsmarkt onder druk. In die sectoren de hyper-flexibele arbeid terugdringen, kan een rem zetten op tijdelijke arbeidsmigratie, en de sociale samenhang ten goede komen.

Met haar roep om strengere eisen voor gezinsvormende migratie verkent de Raad de grenzen van het Europees recht en het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens. Ook haar pleidooi om bij asielmigratie sterker te sturen via hervestiging en rekening te houden met het ‘incorporatievermogen’ van de samenleving is omstreden. Ten slotte kan haar betoog voor een ‘beleidsmatig richtgetal’ voor het aantal op te vangen vluchtelingen, zoals in Duitsland, worden gelezen worden als een openheid tegenover vluchtelingen of als een aanzet om de opvangcapaciteit te beperken.

Het rapport blijft vaak het verhaal van ‘wij’ over ‘zij’

De Raad probeert zo objectief mogelijk de veranderingen in de samenleving te analyseren. In die analyse klinkt de stem van de gevestigde Nederlander onbedoeld sterker door dan die van de Nederlanders met een migratieachtergrond. Op en tussen de lijnen blijft het rapport vaak een dominant verhaal van ‘wij’ over ‘zij.’

De dynamiek en conflicten in een superdiverse samenleving blijven onderbelicht, zeker vanuit het standpunt van de landgenoten met migratieachtergrond. Misschien zijn hier meer diverse onderzoeksteams nuttig en nodig?

Pleidooi voor actievere overheid is trendbreuk

Het WRR-rapport leert ons dat het zinvol is om beleid te voeren op basis van wetenschappelijke kennis en onderzoek, het zorgt voor nuance in tijden van polarisatie rond diversiteit. Inhoudelijk is vooral de aangekondigde paradigmawissel opvallend.

De diversiteit van de samenleving vraagt om herijking van beleid. Een beleid dat uitgaat van de realiteit dat Nederland een structurele immigratiesamenleving is geworden, in toenemende mate gekenmerkt door enorme verscheidenheid. Hetzelfde geldt voor Vlaanderen.

De voorgestelde beleidsopties uit het rapport veronderstellen een actievere overheid. Dat is een trendbreuk met het recente verleden, waarin het accent vooral lag op de eigen verantwoordelijkheid en zelfredzaamheid van migranten.

Stof voor Nederlandse en Vlaamse beleidsmakers

Met substantiële bezuinigingen op actief arbeidsmarktbeleid, inburgeringsbeleid en sociaal werk in Nederland zijn cruciale instrumenten afgebouwd om aan sociale samenhang te werken. Een grotere rol voor de overheid, nationaal, regionaal en lokaal is daarom, opnieuw, nodig en wenselijk.

Niet alleen de Nederlandse overheid moet veel sterker inzetten op interculturele, of divers-sensitieve competenties in onderwijs en zorg. Ook voor de Vlaamse autoriteiten is dat een must. Evident is dat de stem van nieuwe Nederlander of Vlaming daarin niet langer mag ontbreken.

Het WRR-rapport biedt Nederlandse en Vlaamse beleidsmakers stof om over na te denken. Als is het maar omdat hen te laten zien dat de samenleving vaak sneller verandert dan hun hun manier van denken en het daaruit voorvloeiende beleid.

Dirk Geldof is socioloog en auteur van 'Superdiversiteit. Hoe migratie onze samenleving verandert'. Dit artikel is een ingekorte versie van zijn op sociaal.net verschenen artikel ‘Migratie en superdiversiteit: het beleid hinkt achterop’.

 

Foto: Bas Bogers (Straatfotografie.com)

Dit artikel is 941 keer bekeken.

Reacties op dit artikel (1)

  1. Dag,

    ‘[…]De Raad probeert zo objectief mogelijk de veranderingen in de samenleving te analyseren. In die analyse klinkt de stem van de gevestigde Nederlander onbedoeld sterker door dan die van de Nederlanders met een migratieachtergrond. Op en tussen de lijnen blijft het rapport vaak een dominant verhaal van ‘wij’ over ‘zij.’[…]’

    Ter aanvulling: Dominantie van de wij/zij-verhouding speelt in talloze geledingen van onze samenleving. Hierdoor is de kloof tussen de mens – de burger – en wetenschap, filosofie, beleid, wet, recht – en menige welwillende professional – nog niet overbrugd, waardoor vereniging en hereniging onmogelijk en buitengesloten blijven.

    Laten we ons als individu ten diepste bezinnen op wat ons het allermeest fundamenteel ontbreekt in onze levenshouding, en op de basis van onze persoonlijke, dus individuele bevindingen en uitkomsten, naar diepste eer en geweten handelen, elke seconde van ons bestaan.

    Theorie moet nu wordt geleefd, dóórleefd, door elk van ons. Wij staan voor de opgaaf al onze gevoelens toe te laten en deze te leren toetsen aan ons persoonlijke, innerlijke, allerhoogste ideaal.
    Alleen dán naderen wij allesomvattende harmonie, als vanzelf.

Reageer

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *