RECENSIE Denken over sociaal werk – Sociaal werk en tegenmacht zijn nog lang geen synoniemen

In het Vlaams-Nederlandse boek Denken over sociaal werk zien de auteurs de politisering van sociaal werk. Maar dat is wishful thinking, stelt Jan van Eeden. Sociaal werkers verwijzen eerder naar de voedselbank dan dat ze politieke actie stimuleren.

Ik kreeg dit boek onder ogen vlak nadat ik de moed had opgevat John Rawls’ Theorie van rechtvaardigheid, een van de belangrijkste filosofische werken aller tijden, ter hand te nemen. Een moeilijk leesbaar boek, weken werk. Dit boek, Denken over sociaal werk, geeft op vlotte wijze het werk van een hele serie sociologen en filosofen weer, allemaal van belang voor de werkwijze van sociaal werkers. Van Hannah Arendt (uiteraard!) , Anthony Giddens tot Michel Foucault. Daarbij valt op dat de sociaal werker – al dan niet direct – door de auteurs wordt gewezen op  de noodzaak om positie te kiezen. Ikzelf veerde vooral op bij de rebelse Nancy Fraser.

Weg abstracties

Nancy Fraser1 stelt onomwonden: niks abstracties, gewoon onrechtvaardigheden opsporen en bestrijden! In plaats van rechtvaardigheid te reduceren tot individueel probleem, moet er gewerkt worden aan herverdeling, erkenning en vertegenwoordiging. Deze drie dimensies van onderdrukking zijn niet te scheiden. Haar leus luidt: Ik accepteer niet langer dingen die ik niet kan veranderen, ik verander dingen die ik niet kan accepteren. Hang die maar boven je bed, sociaal werker!

De vraag is natuurlijk hoe rechten kunnen worden gerealiseerd. Volgens Habermas door rationele communicatie. Fraser: zelfs al zit je aan tafel, dan nog wordt het vrije gesprek soms gedwarsboomd. En de Belgische politicologe Chantal Mouffe waarschuwt: consensus zit er niet in, daarvoor lopen belangen te veel uiteen. Je moet niet denken macht te kunnen elimineren, maar ermee dealen. Het is al heel wat dat we in vrijheid van mening kunnen verschillen...

Wie is de sociaal werker en waar staat die?

Daar zit vooral mijn kritiek.

Het is jammer dat de auteurs geen moeite doen om aan te geven wat er onder sociaal werk valt. Hun argument: de complexiteit van de sociale realiteit en van het sociaal werk. Maar het kan voor wetenschappers toch niet moeilijk zijn om aan te geven welke beroepen eronder vallen en hoeveel beoefenaren er daarvan zijn? Een snelle blik in het onderzoeksprogramma Arbeidsmarkt Zorg en Welzijn (AZW) laat voor Nederland zien dat er plusminus 50.000 personen werkzaam zijn in maatschappelijk werk, sociaal-pedagogische hulpverlening en sociaal-cultureel werk.2 Het merendeel daarvan verricht individueel gericht relationeel werk binnen instellingen.

Volgens de auteurs ervaren hulpverleners daarbij spanning tussen de opdracht van de instelling en het appèl van de cliënt. En ook dat, ondanks het risico van paternalisme, hulpverleners vol engagement aan structuren sleutelen. Daar geloof ik niks van.

Het engagement van de werker

In het hoofdstuk over democratie wordt betoogd dat sociaal werkers beginnen met interactie, dan praktisch handelen, collectieve verbanden stimuleren en uiteindelijk participatie, zelfs machtsdeling nastreven. Het is of je een oud handboek opbouwwerk zit te lezen. Maar opbouwwerk is in Nederland na het sloopwerk van Bram Peper3 en Hans Achterhuis4 een vroege dood gestorven door de decentralisatie met bijbehorende bezuinigingen. Het is daarom wat vreemd dat die werksoort van de auteurs van dit boek het verwijt van te hoge pretenties krijgt5, terwijl het overwegend relationele individuele sociaal werk in het geheel nauwelijks toekomt aan groepen die participeren of aan de macht deelnemen. Of heb ik wat gemist?

Want, laten we wel wezen: waar is de verontwaardiging onder welzijnswerkers over de enorme ongelijkheid die weer terug is bij de periode van rond 1900?  Het leed gaat weliswaar beter gekleed over straat, maar poverty in the midst of plenty is schrijnender dan toen de arbeidersklasse collectief weinig te verteren had. Voedselbanken zijn algemeen geaccepteerd. De revival van het charitatieve pannetje soep! Ik denk dat sociaal werkers, ook binnen sociale diensten, eerder verwijzen naar die voedselbank dan dat ze politieke actie stimuleren. Zo ver heeft veertig jaar neoliberale indoctrinatie ons gebracht.

Politisering

Ik durf te stellen dat de politisering – waarvan de auteurs zeggen dat die sinds kort binnen sociaal werk in zwang raakt – nauwelijks op gang is. Of je moet, zoals een van de auteurs, Stijn Oosterlynck, doet, het begrip politisering zo ruim opvatten dat deliberatie (burgerforums, inspraak), leefstijlverandering (zoals veganisme) en alternatieve institutionalisering (bijvoorbeeld energiecoöperaties) ook onder politisering vallen. Dat zijn interessante hobby’s van al reeds kansrijke groepen. Maar politisering? Oosterlynck weet dat vast ook wel, want hij concludeert aan het slot dat de oude manieren van aan politiek doen nog altijd belangrijk zijn.

Daar komt nog mijn kritiek bij dat het begrip ‘politisering’ in dit boek amper  inhoudelijk wordt ingevuld. Dat is een gemiste kans. Sinds het werk van twee epidemiologen – Wilkinson en Pickett – getiteld The spirit level6 is toch glashelder dat te grote ongelijkheid ziekmakend is en criminogeen werkt. En jonge, onorthodoxe economen als Piketty, Mazzucato en Kelton7 laten zien hoe ernstig de ongelijkheid is toegeslagen.

Aan het werk met een zekere kwaadheid

In feite zouden sociaal werkers elke dag aan het werk moeten gaan met een zekere kwaadheid dat hun cliënten zo worden gemaltraiteerd door het systeem. Sociaal advocaten doen dat wel. Rond de kinderopvangtoeslagen heb ik alleen hen zien optreden. Maar ja, zij werken voor een schijntje voor eigen rekening, zijn bijna wegbezuinigd en hebben geen bestuur dat met de subsidiënt vrienden moet blijven.

Het debat in ons land gaat inmiddels over macht en tegenmacht. Nee, sociaal werk en tegenmacht zijn nog lang geen synoniemen. De auteurs voelen dat wel aan. Aan het eind van dit onaffe boek wordt de beperkte speelruimte van de instellingen aan de kaak gesteld, zij het wat abstract.

Het boek manoeuvreert de sociaal werker geleidelijk in de richting van nieuwe politisering van welzijnswerk, een beetje zoals Foucault aangaf: allengs gelijk de spin. De auteurs hadden duidelijk richting en invulling kunnen geven aan de politieke rol van sociaal werk. Het lijkt nu nog sterk op wishful thinking.

Het is een boek dat veel belangrijke denkers enthousiast en inzichtelijk bespreekt. Inderdaad met liefde geschreven. Uitnodigend uitgegeven. Dat het ook nog eens fikse kritiek oproept, is nooit weg. Het verdient gepassioneerd weerwoord. Waarvan akte.

Jan van Eeden is socioloog en oud-wethouder Sociale Zaken.

Boek: Peter Raeymaeckers, Jeroen Gradener, Sylvie Van Dam, Sjoukje Botman, Kristel Driessens, Johan Boxstaens, Michel Tirions (red.), Denken over sociaal werk. Samenleving, rechtvaardigheid & praktijk. Leuven: Acco, 2021 – ISBN 9789464143638

 

Noten

1          Zie ook: Streng maar onrechtvaardig, jaarboek 2020 van het Tijdschrift voor Sociale Vraagstukken. Dit geeft een kijkje in de keuken van gemeentelijke sociale diensten en wat daarbij opvalt, is dat theorie nauwelijks een rol speelt, met gelukkig als enige uitzondering het denken van Nancy Fraser.

2          Bron: AZW-Statline 2021

3          Bram Peper, Vorming van welzijnsbeleid: evolutie en evaluatie van opbouwwerk. Proefschrift, 1972

4          Hans Achterhuis, De markt van welzijn en geluk. Baarn: Ambo, 1979

5          Zie p. 358. Jan Willem Duyvendak was van 1996 tot 2002 bijzonder hoogleraar voor de Gradus Hendriks-stichting die voor het opbouwwerk een bijzondere leerstoel runde aan de Erasmus Universiteit. Het Landelijk Centrum Opbouwwerk richtte die leerstoelstichting op om tegenwicht te bieden aan het opbouwwerk-onvriendelijke politieke klimaat. Ik mocht daarvan voorzitter zijn.

6          Richard Wilkinson & Kate Pickett , The spirit level. Penguin Books, 2010.

7          Thomas Piketty, Capitalisme et ideologie. Seuil, 2019; Mariana Mazzucato, The value of everything. Penguin, 2019; Mariana Mazzucato, Mission economy, Allen Lane, 2021; Stephany Kelton, The deficit myth. John Murray Press, 2021.
Deze economen zien hun vak als sociale wetenschap, in tegenstelling tot hun voorgangers, die deden of economie een natuurwetenschap is en daar een bijzondere status aan ontleenden. Toenadering vanuit de sociologie tot deze nieuwe, onorthodoxe economen lijkt mij dringend gewenst!

 

Foto: Nynke Vissia (Flickr Creative Commons)