Systeem- en leefwereld: hoe de kloof te dichten

Een curieus verschijnsel: een aanzienlijk deel van de maatschappelijke en ambtelijke sector gaat aan de haal met een filosofisch concept, namelijk het onderscheid tussen systeemwereld en leefwereld. Jos van der Lans en anderen doen er goed aan minder over die kloof te praten.

De classificatie in systeemwereld en leefwereld, gepopulariseerd door de Duitse filosoof Jürgen Habermas (1987) in de jaren ‘80, heeft haar weg gevonden naar lokale beleidsplannen en pamfletten om de verhouding tussen burgers, overheid en professionals te duiden en opnieuw in te richten. Cultuurpsycholoog Jos van der Lans is een van de wegbereiders. Peel en Maas is een voorbeeld van een gemeente die een lans breekt voor de terminologie in de lokale context (Schmitz 2013; Schmitz et al. 2009).

Op zich is filosofische bespiegeling op de dagelijkse praktijk nastrevenswaardig. Er zijn echter drie problemen met de classificatie en de manier waarop die gebruikt wordt. Ten eerste wordt hij op verschillende manieren gebruikt, wat leidt tot verwarring: wat is nu eigenlijk het probleem? Ten tweede klopt de opdeling in twee werelden niet helemaal. Ten derde bestaat het gevaar van een selffulfilling prophecy: het idee dat we ons gaan gedragen alsof de tweedeling wel zou bestaan.

Habermas betoogt het tegenovergestelde van Van der Lans

Onder de titel Loslaten, vertrouwen, verbinden doet Jos van der Lans (2011) verslag van een serie workshops over het thema Binding. Hij beschrijft onder andere een sessie die uitmondt in een flap-over met twee rijtjes woorden erop. Aan de ene kant staan zaken die met de overheid en professionele instellingen verband houden, en aan de andere kant zaken die met burgers verband houden. Voor Van der Lans is dit het onderscheid tussen systeem- en leefwereld. Hij omschrijft onderscheid dit als volgt:

‘De systeemwereld is alles wat mensen ontwikkeld hebben aan instellingen en structuren op gebieden als economie, politiek, onderwijs, wetenschap, overheid, gezondheidszorg, verzorgingsstaat enz. enz. Dus een buitengewoon ongelijksoortige verzameling van systemen en subsystemen. De leefwereld is het ervaringsdomein, waarin mensen met elkaar omgaan in en buiten de systemen’ (van der Lans 2010: 46)

Dit komt nog redelijk overeen met hoe Habermas (1987) de twee werelden beschreef. Van der Lans wijkt echter af van diens ideeën als het gaat om de verhouding tussen die twee werelden. Van der Lans betoogt ‘dat die twee sferen uit elkaar drijven, geen betekenisvolle overlap meer vertonen en elkaar dwars zitten’ (2011: 56). De systeemwereld is volgens hem ‘losgezongen’ van de leefwereld (2011: 75). Hoewel Habermas het eens zou zijn dat de sferen vanuit een andere logica opereren is het probleem dat hij signaleert nagenoeg het tegenovergestelde. Habermas spreekt over een ‘kolonisatie van de leefwereld’. De gemeente Peel en Maas neemt die analyse over (Schmitz 2013; Schmitz et al. 2009).

Het is nogal iets anders: een systeemwereld die is ‘losgezongen’ van de leefwereld of een systeemwereld die de leefwereld ‘koloniseert’. Kort door de bocht gezegd suggereert het eerste dat ambtenaren en professionals niet meer met burgers kunnen praten doordat ze uit andere werelden komen. Het tweede suggereert dat burgers net zo gaan praten als ambtenaren en professionals, als gevolg van de kolonisatie.

Beide implicaties zijn vermoedelijk onwenselijk. Maar ze leiden wel tot verschillende ‘oplossingen’. Van der Lans suggereert dat professionals zich juist weer moeten gaan manifesteren in de leefwereld van burgers, manifesteren zonder te koloniseren zou je kunnen zeggen. Hij noemt dit een ‘modern paternalisme’ (Kuypers en van der Lans 1994; Van der Lans et al. 2003). De wijkteams, waarover nu veel wordt gesproken, ziet hij als een voorbeeld hiervan (Hilhorst en Van der Lans 2015). Peel en Maas begint, in de geest van Habermas, andersom, en gaat uit van zelfsturende gemeenschappen, waarop professionals hooguit kunnen aanhaken.

Waarom denken we in tweedelingen?

Van der Lans geeft meteen toe dat een tweedeling van werelden een kunstmatig onderscheid is. Toch zou het verhelderend zijn, omdat het zou laten zien dat de sferen uit elkaar drijven. Dat is een cirkelredenering. Van der Lans zegt in feite: als we uitgaan van dit onderscheid zien we dat het onderscheid er is en groter wordt. Zijn punt is vermoedelijk dat een dergelijke schematische weergave van de werkelijkheid ons kan helpen om bepaalde grote lijnen te begrijpen. Op zich is dat een valide argument. Het is een bepaalde manier om door conceptualisering orde aan te brengen in de chaos. In die zin is het onderscheid van Habermas zeker verhelderend.

Hoe zijn we ertoe gekomen om zo in tweedelingen te denken? De Franse filosoof en antropoloog Bruno Latour zou waarschijnlijk opmerken dat dit een manier van denken is die typisch past in de moderne tijd. Die begon grofweg in de 16e eeuw. Men is het er niet over eens of we nu nog steeds in dit tijdperk leven, of dat we inmiddels ‘postmodern’ zijn. Wel is men het erover eens dat classificatie, of het maken van onderscheid typisch een onderdeel van het moderne denken is. Het meest extreme voorbeeld is dat van het onderscheid tussen de onderzoeker en zijn object van onderzoek. De onderzoeker wordt voorgesteld als iemand die als het ware over een kloof naar de wereld kijkt, zonder er zelf iets mee te maken te hebben. Het onderscheid tussen systeemwereld en leefwereld is ook zo’n kloof. En die kloof is zo breed dat er aan weerszijden een verschillende logica is ontstaan. Op de flap-over van Van der Lans uit die kloof zich in de witte ruimte tussen de twee rijtjes woorden.

Een consequentie van het moderne denken is dat we daarmee in de inrichting van de samenleving daadwerkelijk dit soort kloven aanbrengen – denk ook aan rolpatronen, en de scheiding tussen het westen en de rest van de wereld – om vervolgens te verzinnen hoe we die kunnen overbruggen. De onderzoeker krijgt methoden en technieken aangereikt om toch iets te kunnen zeggen over objecten aan de andere kant van de kloof. En Van der Lans is erop uit te onderzoeken hoe we die kloof tussen systeem- en leefwereld kunnen dichten. Het ironische is volgens Latour dat we die kloven zelf gemaakt hebben, al doen we heel erg alsof die van nature bestaan. Een titel van een van zijn boeken is dan ook: ‘We zijn nooit modern geweest’ (Latour 1993). We doen maar alsof; we denken niet van nature op de manier die ik hierboven als ‘modern’ beschreef. Modern zijn is een constructie, die we ook weer uit elkaar zouden kunnen halen.

In plaats van algemene dichotomieën: praktijken beschrijven

Wat zou er gebeuren als we er niet bij voorbaat van uit zouden gaan dat professionals en ambtenaren zich in een andere wereld begeven dan de rest van het land? Hoe zouden we dan moeten onderzoeken hoe die zich tot elkaar verhouden? Latour zou zeggen dat we om te beginnen moeten ophouden te denken in algemene, vage termen als ‘systemen’, ‘waarden’ en ‘bureaucratie’. Laten we eens heel praktisch beschrijven hoe ambtenaren, professionals en burgers zich tot elkaar verhouden. Waar spreken ze elkaar? Zijn er plekken waar ze regelmatig samenkomen? Wat voor afspraken maken ze, en hoe leggen ze die vast? Op die manier te kijken hoe dit soort actoren onderling netwerken vormen, of juist netwerkvorming afhouden, is onderdeel van wat Latour met een aantal andere denkers actor-network theory heeft genoemd (zie bijv. Latour 2005). Ongetwijfeld kom je dan ook voorbeelden tegen van professionals die burgers in een bepaald stramien proberen te duwen, of overlegmomenten waarop mensen inderdaad verschillende talen spreken. Maar dan is de insteek om precies te beschrijven waaraan dat nu ligt, in plaats van in algemene dichotomieën te vervallen.

De tweedeling gedicht: ophouden er zoveel over te praten

Stel dat Habermas en Van der Lans allebei gelijk hebben. Stel dat professionele instellingen en de overheid inderdaad volgens een andere logica opereren dan burgers. Of ze nu ‘losgezongen’ zijn van elkaar, of dat de een de ander ‘koloniseert’, we vinden zo’n taalverschil niet wenselijk. Stel nou verder nog eens dat óók Latour gelijk heeft, en dat dat verschil in logica en taal het gevolg is van een kloof die we zelf gemaakt hebben. Als dat het geval is, is het praten in termen van kloven een selffulfilling prophecy. Als we de kloof die we hebben gemaakt zouden willen dichten, dan zou een goed begin zijn om op te houden er zoveel over te praten.

Wouter Mensink is onderzoeker bij het Sociaal en Cultureel Planbureau

 

Habermas, J. (1987). The theory of communicative action, volume 2: the critique of functionalist reason. In: Polity, Cambridge, UK.
Hilhorst, P. en J. Van der Lans (2015). Nabij is beter. Essays over de beloften van de 3 decentralisaties. Den Haag: Kwaliteitsinstituut Nederlandse Gemeenten.
Kuypers, P. en J. van der Lans (1994). Naar een modern paternalisme: over de noodzaak van sociaal beleid: pamflet: De Balie. (Herdruk uit: Not in File).
Lans, J., van der (2010). Eropaf! De nieuwe start van het sociaal werk. Amsterdam: Augustus.
Lans, J., van der (2011). Loslaten, vertrouwen, verbinden. Over burgers & binding. Verslag van een startconferentie en 8 workshops. Amsterdam: Stichting DOEN.
Lans, J., van der, N. Medema en M. Räkers (2003). Bemoeien werkt. Naar een pragmatisch paternalisme in de sociale sector. Amsterdam: Uitgeverij De Balie.
Latour, B. (1993). We have never been modern: Harvard Univ Pr.
Latour, B. (2005). Reassembling the social: an introduction to actor-network-theory: Oxford University Press, USA.
Schmitz, G. (2013). Praten met elkaar en met de overheid. Essay over de communicatieve route naar vitale gemeenschappen. Peel en Maas: Gemeente Peel en Maas.
Schmitz, G., W. Van der Coelen, K. Ahaus, A. Hersevoort en A. Van de Wetering (2009). De ontwikkeling van een zelfsturende en vitale gemeenschap. Het brondocument. Helden: Gemeente Peel en Maas.

Dit artikel is 10830 keer bekeken.

Reacties op dit artikel (10)

  1. Wat me elke weer bevreemd is in deze hele discussie is dat ambtenaren en professionals ook burgers zijn en dat we dat met die tweedeling lijken te vergeten. Als ambtenaar of professional gaan staan in je identiteit als burger is ook een manier om de kloof te overbruggen. Dat is een bewuste keuze, maar een heel praktische… op die manier kan je je verbinden met die andere burgers. We maken als burgers met elkaar die systemen uit de systeemwereld en deels vragen we er ook om en dan verworden de systemen en vinden we weer nieuwe systemen uit. Volgens mij is dat gewoon hoe het leven en de maatschappij in elkaar zit, een voortdurend proces. Als je de kunst van het schakelen tussen je verschillende identiteiten (burger, professional, ambtenaar, mantelzorger van een zieke partner, etc) bewust blijft toepassen, dan werk je aan verbinding.

  2. Veel dank Wouter…Het werd hoog tijd dit gepraat over systeem- en leefwereld te analyseren. Ik hoop dat de onterechte en onproductieve polarisatie daarmee ook vermindert…

  3. SCP-onderzoeker Wouter Mensink heeft een mooie bijdrage geschreven over het gebruik van de begrippen systeem- en leefwereld, waarin mijn geschriften een hoofdrol vervullen. Hij vraagt zich af of het onderscheid niet contra-productief is gaan werken. Omdat we de werkelijkheid met deze twee begrippen ‘vastzetten’ gaan we de werkelijkheid als een soort selffulfilling prohecy ook als zodanig waarnemen en ons handelen daarmee in overeenstemming brengen. Dat is een intelligente kritiek, die tot nadenken stemt.

    Maar dan komt Mensink met de volgende remedie:

    ‘..om te beginnen moeten we ophouden te denken in algemene vage termen als ‘systemen’, ‘waarden’ en ‘bureaucratie’. Laten we eens heel praktisch beschrijven hoe ambtenaren, professionals en burgers zich tot elkaar verhouden. Waar spreken ze elkaar? Zijn er plekken waar ze elkaar regelmatig tegenkomen? Wat voor afspraken maken ze en hoe leggen ze die vast? Op die manier te kijken hoe dit soort actoren onderling netwerken vormen of juist netwerkvorming afhouden, is onderdeel van wat Latour met een aantal andere denkers actor-network theory heeft genoemd. Ongetwijfeld kom je dan ook voorbeelden tegen van professionals die burgers in een bepaald stramien proberen te duwen of overlegmomenten waarop mensen inderdaad verschillende talen spreken. Maar dan is de insteek om precies te beschrijven waar dat aan ligt, in plaats van in algemene dichotomieën te vervallen.’
    Ik zal de eerste zijn die zal erkennen dat begrippen als leef- en systeemwereld, bureaucratie abstracties zijn die de werkelijkheid onrecht aan doen. Het zijn interpreterende hulpmiddelen die – Mensink wijst daar terecht op – een eigen leven gaan leiden. Maar het omgekeerde: de werkelijkheid beschrijven zonder begripsmatige duidingen en abstracties is heden ten dage misschien nog wel een grotere illusie. Het riekt naar wat ik voor het gemak maar even als een naief soort empirisme betitel: het idee dat je de werkelijkheid zou kunnen beschrijven en dat van daaruit een soort natuurlijk begrip zou opkomen. Want elke vorm van begrijpen is een vorm van ordenen, van interpreteren en voor je het weet rollen er dan weer abstracties uit je toetsenbord. Dan ordenen we de wereld bijvoorbeeld ineens in netwerken.
    Zeker, veel gebruikte begrippen en abstracties moeten, zeker in mode- en trendgevoelig Nederland, waar het napapegaaien tot hogere beleidskunst is verheven, kritisch tegen het licht worden gehouden. Maar je ontmaskert ze niet door ze weg te gummen, maar door zorgvuldig en precies te analyseren, waarom ze kennelijk voor grote groepen mensen tot de verbeelding spreken. En door er – als je meent dat ze de werkelijkheid geweld aan doen – nieuwe begrippen tegenover te stellen.

  4. Het is toch mogelijk om geen dichotomie, geen wederzijdse uitsluiting, geen classificatie, te maken, en toch gewoon *verschil* te blijven maken? We mogen toch een verschil maken en tegelijk de mogelijkheid open houden dat de onderscheiden ideeën zowel in aanleg (vooraf) als in gedrag (achteraf) gemeenschappelijke elementen hebben?

    Als elk verschil dichotomie wordt, is alle taal dodelijk, omdat inderdaad elke dichotomie een self-fulfilling prophecy is. De beschreven tegenstelling tussen categorieën en praktijken is overigens even self-fulfilling. Als we slechts denken in dichotomieën, hoor ik niet bij ons ;-).

    Als ik een onderscheid zou maken tussen systeemwereld en leefwereld, dan zou ik de menselijke factor voorlopig buiten haakjes halen; antropocentrisme lijkt me voor het onderscheid om te beginnen overbodig. Bovendien helpt het de tegen de verleiding om het gemaakte onderscheid te kwantificeren, in groepen mensen die van de weeromstuit weer tegenover elkaar komen te staan. Antropocentrisme werkt dichotomie in de hand, omdat de afscheiding van de mens uit zijn wereld zelf een dichotomie is.

    Vervolgens zou ik systeemwereld zien als een bijzondere uithoek van leefwereld. Niet losgezongen dus, geen kloof, maar deel. Systemen leven ook, zij het wellicht op hun eigen beperkte, misschien wel zeer beperkte manier.

    Als ik dan het onderscheid zou verbijzonderen naar een menselijke verschijningsvorm, dan kan ik me voorstellen dat het aandeel van systeemwereld in leefwereld groeit. De term “kolonisatie” is daarvoor dan niet helemaal raak, omdat een kolonisator van *buiten* gedacht wordt te komen, terwijl hier de kolonisator onherroepelijk van *binnen* komt.

    Ook een dienende, instrumentele verhouding tussen systeem- en leefwereld is onhoudbaar, want die verhouding vooronderstelt een dichotomie die er niet is. Een professional is mens; de professional is niet uit een mens weg te snijden zonder de professional of de mens te vernietigen, of allebei.

    Misschien dat een vleugje Foucault geen kwaad kan.

  5. Jos van der Lans schreef een mooie reactie op mijn stuk. Elders (www.woutermensink.nl) schreef ik de volgende reactie, die volgens mij ook ingaat op een aantal van de punten die Paul Oude Luttinghuis terecht aansnijdt.

    Ik ben het grotendeels hem eens met het antwoord van Jos van der Lans, en vind zijn ‘oplossing’ eigenlijk beter dan de mijne.

    Van der Lans erkent dat het onderscheid een hulpmiddel is dat een eigen leven is gaan leiden. Hij voegt toe:

    ‘Maar het omgekeerde: de werkelijkheid beschrijven zonder begripsmatige duidingen en abstracties is heden ten dage misschien nog wel een grotere illusie. Het riekt naar wat ik voor het gemak maar even als een naïef soort empirisme betitel: het idee dat je de werkelijkheid zou kunnen beschrijven en dat van daaruit een soort natuurlijk begrip zou opkomen’.

    Ik ben het met hem eens dat empirisme wat naïef kan zijn. Zoals ik mijn bijdrage ook zei is het illusie te denken dat je als onderzoeker als het ware over een kloof naar de werkelijkheid kijkt. Je staat er middenin. Je moet de werkelijkheid altijd een handje te helpen om zich aan je te tonen. Zelfs als je wilt onderzoeken of water zout bevat moet je ingrijpen, bijvoorbeeld door het te verhitten. Zo verdamp je het water en hou je zout over. Je verandert door het onderzoek dus de werkelijkheid, in dit geval door zout en water te scheiden.

    Toch kun je denk ik verder komen met beschrijvingen dan Van der Lans suggereert. De filosoof Bruno Latour, die ik aanhaal in mijn bijdrage, zegt, bewust polemisch: als je na een beschrijving nog altijd een verklaring nodig hebt, dan was het een slechte beschrijving. Misschien is dat te kort door de bocht. Wel moet je ervoor waken om niet een verklaring aan de werkelijkheid ‘op te leggen’. Van der Lans lijkt die bezorgdheid te delen, waar hij zegt dat je nieuwe begrippen moet zoeken als je oude begrippen de werkelijkheid geweld aan doen. Je kunt nog meer doen dan dat: in je beschrijving kun je ook de ingrepen meenemen die je als onderzoeker doet. Wat dat betreft kunnen we nog veel van antropologen leren.

    Een belangrijke vraag is dan wat voor soort begrippen je gaat gebruiken. Van der Lans suggereert dat het begrip ‘netwerk’ waarmee Latour komt aanzetten in feite ook een abstracties is, net zoals ‘systeemwereld’ en ‘leefwereld’. Dat is zeker waar. In zekere zin zijn alle begrippen abstracties. Van der Lans zegt zelf al dat sommige begrippen de werkelijkheid geweld aandoen, maar de Sloveense filosoof Slavoj Žižek gaat zelfs een stap verder. Hij noemt taal überhaupt ‘gewelddadig’, omdat een enkel woord altijd een sterke versimpeling is van hetgeen waarnaar het verwijst (een appel is echt niet perfect rond). We kunnen dan alleen maar proberen om begrippen te zoeken die zo min mogelijk ingrijpen in wat we bestuderen. Vaak kunnen we heel goed uit de voeten met de begrippen die de mensen die we onderzoeken zelf gebruiken.

    In mijn bijdrage stelde ik voor om de begrippen ‘systeemwereld’ en ‘leefwereld’ maar niet meer te gebruiken, omdat ze alleen maar de nadruk vestigen op de kloof tussen ambtenaren, professionals en burgers. Door een kloof steeds maar te benadrukken loop je het risico dat hij alsmaar breder wordt. Maar Van der Lans stelt terecht dat het ook geen oplossing is om er dan maar niet meer over te praten. Of we de kloof nu zelf gemaakt hebben of niet, hij bestaat in zekere zin. Als je een kuil graaft en je wilt dat mensen er niet invallen, dan kun je er maar beter een hek omheen zetten. Erg duurzaam is die oplossing echter niet. Van der Lans heeft een mooiere suggestie. Hij zegt:

    ‘je ontmaskerd [begrippen en abstracties] niet door ze weg te gummen, maar door zorgvuldig en precies te analyseren, waarom ze kennelijk voor grote groepen mensen tot de verbeelding spreken’.

    Daarmee kom je in de buurt van wat ook wel een ideeëngeschiedenis heet. Ik sluit me hier graag bij aan: laten we goed analyseren hoe we ertoe gekomen zijn te denken dat er een kloof bestaat tussen burgers en overheid. Daarvoor zouden we wel eens ver terug de tijd in moeten gaan, tot het begin van wat we de ‘moderne tijd’ zijn gaan noemen. Als we er eenmaal uit zijn, dan kunnen we onze begrippen misschien ombuigen tot andere, die minder ingrijpend zijn.

  6. Beste Wouter,

    Ik vind het interessant dat je Latour lijkt in te zetten om Habermas te bekritiseren. Mijns inziens gaat Latour juist door op het werk van Habermas (en andere kritische denkers) door te laten zien hoe het systeem wetenschap de leefwereld heeft gekoloniseerd. Zo houdt hij zich bezig met het onderscheid tussen wetenschap (natuur, feiten) en politiek (de mens, moraal) om te laten zien dat de output van het systeem ‘wetenschap’ nog betekenis moet krijgen in de leefwereld alvorens we iets met die kennis kunnen doen. Latour bekritiseert hiermee allerminst het denken in onderscheidingen, maar alleen het naturaliseren van o.a. het onderscheid tussen subject en object (zie ook Politics of Nature, 2004).

    Latour wijst ons dus op de nadelige gevolgen van bepaalde onderscheidingen in het moderne denken. Die brengen namelijk aan het licht dat het moderne project gedoemd is te mislukken omdat die specifieke onderscheidingen ons (subjecten) vervreemden van de substantie (natuur/objecten) waar wij kennis van proberen te nemen en een betere wereld mee proberen te bouwen. Dat creëert de kloof tussen geest en materie die ons noodzaakt om een magische ‘salto mortale’ te maken als wij willen spreken over de waarheid en betekenis van onze kennis. Het is de vraag of hij ook in dit geval zou spreken van een onwenselijke dichotomie.

    Volgens Latour zijn onderscheidingen in taal inderdaad allerminst fictief en juist productief: ze stellen je in staat je op de wereld te oriënteren en daarin te handelen. Je moet je dan inderdaad goed bewust zijn van de werking van de begrippen die je hanteert en de scheidingen die zij helpen aanbrengen.
    Maar onderscheidingen in taal leiden niet automatisch tot een scheiding in de werkelijkheid. Ook dat is een ‘salto mortale’ van taal/denken naar werkelijkheid (wat laat zien hoe modern het postmodernisme eigenlijk is). Latour wijst juist op het werk dat plaatsvindt tussen een onderscheiding in taal en een scheiding in de werkelijkheid (de netwerken die wij bouwen tussen mens en natuur / denken en werkelijkheid). Begrippen beïnvloeden slechts je handelen. Hij wijst dus zeker niet op een selffulfilling prophecy! Ophouden met praten over systemen en leefwereld zorgt niet automatisch tot een harmonisering van overheid en samenleving (zoals je in je reactie op Jos van der Lans toegeeft).

    De eerste vraag die Latour zich zou stellen is: wat brengt de scheiding tussen systeem en leefwereld teweeg? En is dat wenselijk? Latouriaans onderzoek zou dan aan het licht kunnen brengen dat de rationaliteiten van de systemen bepaalde doelen dienen die de leefwereld waardevol acht. Zoals de manier waarop de bureaucratische logica cliëntelisme en willekeur voorkomt (zoals Weber beweert). Maar dat dit wellicht ook nadelige gevolgen heeft in de vorm van een gapend gat tussen systeem en leefwereld die leidt tot spraakverwarring en vervreemding. Het zou dan niet wenselijk zijn de scheiding zomaar op te heffen, maar verbindingen aan te leggen die uitwisseling faciliteren en het grensverkeer juist goed controleren.
    Geen ideeëngeschiedenis, maar functioneringsverslag.

    De volgende vraag is dan: of en hoe de begrippen van Habermas ons in staat stellen om het werk te verrichten dat nodig is om de kloof tussen samenleving en overheid op een wenselijke manier te overbruggen. Wat kunnen we daarin bereiken door te spreken over gescheiden werelden die een verschillende logica kennen? Of door te spreken over een leefwereld die gekoloniseerd wordt door een koele en bureaucratische rationaliteit? Verhindert het begrippenapparaat van Habermas ons om ‘bridging ties’ te bouwen die de interactie tussen de netwerken van de overheid en de netwerken van de samenleving wel op een goede manier laten verlopen?
    Het antwoord op die vragen hangt af van wat die onderscheidingen in de werkelijkheid helpen teweeg te brengen, maar ook hoe toehoorders daardoor verleid worden zich op een bepaalde manier op de werkelijkheid te oriënteren en haar betekenis te geven.

    Met de begrippen van Habermas kun je mensen, die daar reeds vertrouwd mee zijn, bijvoorbeeld gemakkelijk wijzen op de problemen in het grensverkeer tussen systeem en leefwereld (ook binnen overheid en samenleving), én tegelijkertijd laten zien dat de scheiding daartussen wenselijk is.
    Wellicht worden die problemen bijvoorbeeld veroorzaakt omdat de leefwereld van ambtenaren dermate gekoloniseerd is dat zij geen afstand meer kunnen nemen van ‘de verticale regels’ en de bedoelingen daarachter niet meer kunnen zien. Dan helpt denken in termen van een scheiding tussen systeem en leefwereld ambtenaren (en ook politici en professionals) wellicht om enige afstand te nemen van het systeem, zichzelf te zien als bruggen tussen verschillende werelden en weer vanuit de communicatieve rationaliteit het gesprek aan te gaan over hoe de systemen de leefwereld kunnen en moeten dienen.
    (Zie ook mijn blog op: http://binno.nl/weblog/houdt-systeem-leefwereld-vooral-gescheiden/ )

    Laten we, kortom, niet voorbij schieten aan de zaken die Habermas (en ook Latour) aan de orde stelt. Pas daarna, en vooral ook samen met ‘de praktijk’, op zoek gaan naar nieuwe dichotomieën die een andere productieve samenwerking tussen ambtenaar, politicus, professional en burger verder helpen vormgeven (zie ook hier Politics of Nature wanneer Latour een andere inrichting van ‘het collectief’ bespreekt). Zodat dit een samenwerking kan worden waarin het voor ieder duidelijk is wat de plaats van de doel-middelen rationaliteit en de communicatieve rationaliteit in het geheel is. Wellicht helpen de begrippen systeem en leefwereld dan juist de scheiding tussen overheid, maatschappelijke instellingen en samenleving te beslechten en toch van elk hun waardevolle bijdrage te kunnen behouden.

Reageer

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *