Voor restauratie van de verzorgingsstaat is het veel te vroeg

Het kritische onderzoek van De verhuizing van de verzorgingsstaat noopt niet tot heroverweging van de decentralisaties. Integendeel, betogen Wim Dekker en Elize Lam, als mensen geen netwerk blijken te hebben dan noopt dat juist tot professionele actie, tot werken aan herstel van relaties.

Het jaarboek van het Tijdschrift voor Sociale Vraagstukken leest niet alleen prettig, het schudt ook stevig aan de fundamenten van de lokale verzorgingsstaat. Tonkens en collega-onderzoekers zetten het debat over de verhuizing van WMO, Jeugdwet en Participatiewet naar de gemeente op scherp.

Wanneer je meegaat in hun betoog vraag je je verbijsterd af: ‘Hoe hebben wij zo naïef kunnen zijn?’ Debat kunnen wij wel gebruiken, juist ook vanuit het sociaal werk.[1] Uit die hoek kwam tot nu toe hooguit kritiek in de marge van het beleid.[2] Maar de manier waarop de auteurs hun theoretisch kader gebruiken om hun data te interpreteren roept ook tegenspraak op.

Van civiele naar huiselijke logica

In hun theoretisch kader typeren de onderzoekers het huidige beleid als een verschuiving van de civiele naar de huiselijke logica, ‘en daarmee van rechten naar voorzieningen en gunsten’.[3] In plaats van bureaucratische waarden als gelijkheid, keuzevrijheid en kwaliteit door professionele distantie, passend bij de civiele logica en een verzorgingsstaat, draait het nu om persoonlijke verhoudingen en gelijkwaardigheid.

Die huiselijke logica sluit ongelijke behandeling niet uit, en gaat meer uit van afhankelijkheid en verantwoordelijkheid voor anderen. Professionals hebben aan te sluiten op de zelfredzaamheid en het informele netwerk van de hulpvrager.

Auteurs zien anti-professionalisme

Dit ‘huiselijke vertoog’ in het beleid vinden Tonkens en collega-onderzoekers ‘een aanslag op de professionaliteit van mensen die betaald zorg en hulp verlenen’.[4] Het versterken van het informele netwerk rondom een hulpvrager zou een benadering zijn passend bij al langer bestaand ‘anti-professionalisme’ in de sociale sector.[5]

De auteurs prefereren het bestendigen van professionele inzet en maken zich zorgen dat deskundigheid op het spel staat. Professionaliteit impliceert ‘specialistische kennis (die) superieur is aan andere soorten kennis, omdat die gebaseerd is op diepgaande kennis, vanuit wetenschappelijke inzichten’.[6]

Dat is van een andere kwaliteit dan ervaringskennis van een hulpvrager of diens naasten, die de huiselijke logica kenmerkt. Om deskundigheid te kunnen garanderen, is juist afstand nodig om een situatie kritisch en deskundig te kunnen bekijken.[7] Door distantie als waarde op te voeren nemen de onderzoekers radicaal afstand van de lokale verzorgingsstaat waarin juist nabijheid als waarde centraal staat.

Volgens de onderzoekers leidt het beleid tot oneigenlijke morele druk

De kritisch theoretische invalshoek is sterk voelbaar in de uitkomsten van het onderzoek.[8] Door deze bril wordt gekeken naar de data. In dat kader noemen we enkele observaties.

Professionals oefenen volgens de auteurs druk uit op hulpvragers om over hun vraagverlegenheid in het eigen netwerk heen te stappen (onvrijheid), appelleren bij naasten op het nemen van meer zorgverantwoordelijkheid terwijl men aangeeft dit niet te willen en staan met het accent op informele hulp losmakingsprocessen van knellende afhankelijkheidsrelaties in de weg.

Bovendien geven hulpvragers aan liever professionele hulp te krijgen dan informele en blijken familie en naasten er niet te zijn of uitgeput door alles wat ze al doen, of door eigen problemen. Slechts drie van de 66 keukentafelgesprekken resulteerden in grotere betrokkenheid van sociale contacten.

Kortom, het nieuwe beleid leidt aldus de onderzoekers alleen maar tot oneigenlijke morele druk op hulpvrager en netwerk, terwijl burgers zelf vragen om herstel van de bureaucratische en civiele logica. De nabij gekomen overheid maakt zijn beloften niet waar.

Tonkens cs geven daarnaast meerdere keren aan dat het huidige beleid ontluisterend is voor de hulpvragers. De professional op zoek naar het sociale netwerk dwingt tot zelfonthullingen waar niemand op zit te wachten: ‘Ik heb geen mens’.

Ontneemt de lofzang op de civiele logica niet het zicht op de schaduwzijde?

Eerlijk gezegd moesten wij bij het lezen van de uitkomsten soms even denken aan het Thomas-theorema: ‘If men define situations as real, they are real in their consequences’, of aan Trudy Dehue die stelt dat wetenschappelijk onderzoek de werkelijkheid eerder construeert dan ontdekt.[9]

Wij sluiten niet uit dat de data ook anders gelezen kunnen worden of in een ander perspectief geplaatst kunnen worden. Om met het laatste te beginnen, ontneemt de lofrede op de civiele logica niet het zicht op de keerzijden daarvan? Bureaucraten vragen je toch evenzeer het hemd van je lijf om te checken of je recht op hulp hebt? Dat is evenzeer beschamend. Juist door die afstandelijke professionele blik.

Werken aan zelfredzaamheid is een pijler van het sociaal werk

Er valt ons nog iets anders op. Tonkens cs suggereren dat het werken aan zelfredzaamheid en het aansluiten bij het netwerk een opdracht van de overheid is en niet uit het sociaal werk zelf voortkomt. Daarmee gaan ze voorbij aan het feit dat empowerment juist een fundamentele pijler is van het sociaal werk.[10] Zoals ook de systeembenadering, een netwerkbenadering avant la lettre, uit het sociaal werk voortkomt.

Niet voor niets ervaren sociaal werkers in het onderzoek geen inperking van hun inhoudelijke ruimte als ze investeren in zelfredzaamheid. Een professional die aansluiting zoekt bij de zelfredzaamheid van een hulpvrager en zijn naasten en bekenden kan juist energie vrij maken, hoop ontlokken. Heeft onderzoek naar empowerment dat inmiddels niet overtuigend aangetoond?[11]

Natuurlijk, het ondersteunen van zelfredzaamheid zet hulpvragers soms ook voor dilemma’s en kan schaamte oproepen. Maar waarom is dat alleen maar negatief?

Keukentafelgesprekken kennen juist te veel distantie

Hoe waardevol het onderzoek ook is, het maakt in onze ogen nog niet inzichtelijk dat een professional die aansluit op zelfredzaamheid en informele steun de emoties van een hulpvrager manipuleert, zoals de auteurs schrijven. En dus overtuigt het ons ook niet dat daardoor meer distantie, specialisme en bureaucratie nodig is. Het onderzoek legt onvolkomenheden in de dialoog van het keukentafelgesprek bloot, maar daarmee zijn de premissen van die dialoog nog niet weerlegd.[12]

Wij zien eerder nog teveel sporen van distantie en bureaucratie, ook in eigen onderzoek bijvoorbeeld met zinsneden als: ‘dit moet ik van de lokale beleidsambtenaar ook nog vragen’ of ‘wie van het netwerk kan wat doen’. Te weinig is er de overtuiging dat samenwerken met naasten fundamenteel bijdraagt aan het welzijn van mensen en om dialoog vraagt.[13]

Ontbreken van het netwerk vraagt om actie professional

Tonkens cs stellen regelmatig vast dat veel hulpvragers geen netwerk hebben. Dat is een argument om het beleidsdoel van meer informele hulp te bekritiseren. Wij draaien het graag om. Het aardige van dit beleid is nu juist dat het recht doet aan het relationele wezen van het mens-zijn. Maar dan moet het niet geïnstrumentaliseerd worden of gebruikt worden om te bezuinigen.

Het ontbreken van een netwerk zien wij als een symptoom van eenzaamheid, non-participatie en isolement. Dat vraagt actie. Onze zorg is juist dat professionals ‘geen netwerk’ aanvinken zonder in actie te komen of daar gedistantieerde professionele hulp tegenover stellen. Het vraagt juist uitgebreid zoekwerk en ingaan op gebrokenheid om te kunnen werken aan herstel van relaties.

Onderzoek benutten voor versterking decentralisatie

Het mag duidelijk zijn dat wij de opgezette bril van de onderzoekers niet alléén nuttig vinden, en dat wij niet meegaan in hun pleidooi voor een restauratie van de civiele logica in combinatie met een bureaucratische verzorgingsstaat. Na vier jaar transitie en beginnende transformatie lijkt ons dat wat overhaast.

Natuurlijk, the proof of the pudding is in the eating, maar de pudding staat nog op het fornuis. Bovendien is de onderzoeksgroep van zes gemeenten te klein om er zulke vergaande consequenties aan te verbinden.[14]Daarvoor is echt meer onderzoek nodig.

Vooralsnog stellen wij daarom voor om de kritische uitkomsten van het onderzoek te benutten voor een versterking van het transformatieproces, zodat de beloften van nabijheid ten volle realiteit worden.

Wim Dekker is politicoloog en associate lector Informele netwerken en laatmoderniteit aan de Christelijke Hogeschool Ede. Zijn lectorale rede (2017): Wanneer zorg thuis komt; dialogisch werken in de driehoek hulpvrager, informeel netwerk en professional

Elize Lam is socioloog, onderzoeker  en kenniskringlid van het associate lectoraat Informele netwerken en laatmoderniteit aan de Christelijke Hogeschool Ede en verbonden aan Steunkracht als zelfstandig onderzoeker, adviseur en auteur van Risicokind of evenwichtskunstenaar? Kind zijn ondanks een moeilijke thuissituatie. 

 

Noten:

[1] Zie ook Kim Putters in: https://www.socialevraagstukken.nl/vijf-jaar-participatiesamenleving-decentralisatie-beloofde-nabijheid-maar-bracht-tekorten/

[2] Bevindingen discoursanalyse in nog te publiceren proefschrift Wim Dekker naar oraties lectoren en hoogleraren sociaal werk: ‘Het sociaal werk stemde vooral in met de vooronderstellingen van het nieuwe beleid, vroeg zich af hoe dit uit te voeren en wilde duidelijk maken dat het er klaar voor was.’

[3] P19

[4] P239

[5] P 129/130

[6] P39

[7] P39

[8] Zie ook reactie Nico de Boer https://www.socialevraagstukken.nl/alarmisme-verzwakt-terechte-kritiek-op-transitie/

[9] http://www.humanistischealliantie.nl/nieuws/trudy-dehuewetenschap-maakt-de-werkelijkheid/ Zie voor lezing van Dehue: http://www.uvh.nl/uvh.nl/up/ZurhdhdJkB_Trudy_Dehue_voor_de_opening_van_het_academisch_jaar__UvH_1-9-2014.pdf

[10] Beroepscompetentieprofiel voor de sociaal werker. Sociaal werk versterkt. Februari 2018. Onder redactie van: Harry Hens (Movisie) en Desiree Weyburg (DESARTES )

[11] Zie bijvoorbeeld het werk van Tine Van Regenmortel, hoogleraar sociaal werk aan de KU Leuven

[12] Dekker, W. (2017) ‘Wanneer zorg thuiskomt’

[13] Zie ook: https://www.socialevraagstukken.nl/informele-steun-heeft-een-fundamentele-eigen-waarde-in-zorg-voor-jeugd/

[14] Zie ook reactie Nico de Boer die stelt dat de empirische onderbouwing te smal is voor de gestelde conclusies.

 

Foto: yoppy (Flickr Creative Commons)

 

Dit artikel is 1953 keer bekeken.

Reacties op dit artikel (4)

  1. Ik ben heel blij met jullie visie. Ik herken me sterk in jullie bevindingen.
    Ooit zei iemand tegen me: “We zien een fenomeen in de samenleving, maar noemen dat een probleem, want dan kunnen we dit onderzoeken en het vervolgens ook oplossen.” Ik moest hier aan denken toen ik over het onderzoek ‘De verhuizing van de verzorgingsstaat’ las. Want is het een probleem dat de rol van professionals verandert in de veranderende verzorgingsstaat? Of is het toch eerder een fenomeen? Wat als je de veranderingen in de verzorgingsstaat of de veranderende rol van professionals als een feit ziet? Dan voer je geen verzet of strijd tegen de veranderingen, maar in plaats daarvan accepteer je de veranderingen, zodat je er vervolgens met je (nieuwe) doen en laten doen op kunt antiperen.
    De veranderende verzorgingsstaat vraagt om een andere kijk op steun vanuit de samenleving en door de overheid, dat vraagt zeker ook een andere, nieuwe rol van relevante professionals. Geen verzet dus tegen de veranderende rol van professionals, maar een doorontwikkeling van die nieuwe rol. Volgens mij zou dat het daar vooral over moeten gaan.
    Ik schrik van de ‘nauwe’ blik van de onderzoekers. Het is een eenzijdige insteek, waarbij ik sterk het gevoel krijg dat het vooral een promotie is voor het bestaansrecht van de professionals. Maar volgens mij twijfelt niemand aan hun bestaansrecht. Ook ik niet. Ik wil ze graag inpassen in ons leven en laten aansluiten bij onze behoefte en bij dat wat we kunnen. Dat zij vooral goed naar mijn man en mij luisteren en aan ons – zoals Anke Siegers in haar boek voortreffelijk verwoordt – de vraag stellen: “Wat heeft u nodig zodat het goed met u gaat/blijft gaan?”. In onze veranderende verzorgingsstaat is dit dé essentiële vraag!
    Ik heb in het hele onderzoek niet kunnen lezen hoe zit het met professionals die ongevraagd dingen van mij overnemen, waardoor mijn man en ik juist afhankelijker worden van professionals of overheid? Wat ons vervolgens ook minder zelfredzaam maakt. En dus het probleem van on-zelfredzaamheid in stand blijft, c.q. gecreëerd wordt! Ik zou bijna zeggen: de cirkel is rond… maar juist die cirkel dient te worden onderbroken.

  2. Beste Wim en Elise,
    Ook ik ben het helemaal met jullie eens. Niet voor niets zijn een jaar of 10 geleden alle maatschappelijk werkers van mijn oude werkgever Stimenz geschoold in de methodiek van oplossingsgerichte hulpverlening. Omdat de oplossingen die mensen zelf bedenken vaak veel duurzamer zijn dan oplossingen die door professionals worden aangedragen. Omdat, als mensen leren hun probleem zelf – of met hulp van naasten – op te lossen, ze het een volgende keer zelf kunnen. Het vergroten van de afhankelijkheid van professionals leidt mijns inziens tot het verkleinen van het (zelf)vertrouwen van mensen in hun zelfoplossend vermogen!

  3. De ‘verzorgingsstaat’ kan niet gelijk worden gesteld aan de sociale hulpverlening. Zo betekent het bezuinigen op de ‘sociale zekerheid’ niet dat de autonomie van de gebruikers van sociale voorzieningen wordt vergroot. Integendeel. De sociale hulpverlening heeft sinds de jaren ’60 het bereiken van autonomie en zelfstandigheid van het cliënt systeem in haar vaandel.
    De ‘participatie samenleving’ is een retorische oplichtingstruc van de gevestigde politiek waar veel belanghebbenden en wetenschappers in trappen. Bovenstaand artikel is daar een typerend voorbeeld van.

Reageer

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *