Waarom is een uitkering hebben toch zo erfelijk?

Een kind dat opgroeit met van een uitkering afhankelijke ouders is later vaak hetzelfde lot beschoren. Hoe valt dit te verklaren?

‘De uitslag van mijn toets luidde ondubbelzinnig: vwo, maar de onderwijzeres was niet onder de indruk. “Het is een typisch mavo-klantje”, zei ze tegen mijn ouders. (…) Hbs of gymnasium was voor meisjes met onze achtergrond geen passende keuze.’

 Zo beschrijft  Suzanna Jansen in Het Pauperparadijs een cruciaal moment in haar jeugd. Haar ouders sturen haar uiteindelijk toch naar een brugklas voor havo en vwo, waarmee ze zich ‘voor het eerst onttrokken aan de wet van de dubbeltjes en de kwartjes’.

Als je voor een dubbeltje geboren wordt, heb je ook tegenwoordig nog minder kansen. Mensen die als kind ouders met een uitkering hadden, ontvangen als volwassene vaker een uitkering. Dit blijkt uit ons recente onderzoek op basis van gegevens van het CBS. De resultaten zijn onlangs gepubliceerd in Social Science Research.

Van alle kinderen geboren in 1980 tot en met 1982 ontvangt 19 procent in 2010-2011 een uitkering. De kans daarop is echter aanzienlijk groter wanneer vader, moeder of beide ouders in 1999 of 2000 een werkloosheids-, arbeidsongeschiktheids- of bijstandsuitkering ontvingen. Er zijn meerdere oorzaken te bedenken voor deze samenhang. Wij ontrafelden welke mechanismes het belangrijkst zijn.

De appel valt niet ver van de boom

Aan de ene kant zullen ouders en kinderen op elkaar lijken in kenmerken die de kans op een baan of een uitkering beïnvloeden. Bijvoorbeeld als het gaat om (erfelijke) gezondheid, intelligentie, of persoonlijkheid. Ook wonen ouders en kinderen vaak in dezelfde regio en hebben ze dezelfde etnische herkomst. Door bijvoorbeeld regionale verschillen in het aanbod van banen, arbeidsmarktdiscriminatie van bepaalde etnische groepen, of door (erfelijke) eigenschappen kunnen zowel ouder als kind een grotere kans hebben om een uitkering te ontvangen.

In zulke gevallen is geen sprake van een zogeheten ‘causaal verband’: uitkeringsontvangst van de ouders is niet de oorzaak van de uitkeringsontvangst van de kinderen. Er spelen gedeelde onderliggende factoren waardoor zowel ouder als kind in een uitkering terechtkomen, zoals een gebrek aan banen in de regio of erfelijke beperkingen. Onze studie leert allereerst dat de samenhang voor een belangrijk deel moet worden toegeschreven aan het simpele gegeven dat ouders en kinderen op elkaar lijken.

Aan de andere kant kunnen kinderen in een uitkering terechtkomen omdat hun ouders een uitkering hadden. Kinderen gaan zich mogelijk anders gedragen of krijgen minder kansen vanwege het feit dat hun ouders een uitkering ontvangen.

Of dit effect zich voordoet is een belangrijke vraag voor beleidsmakers. Zo ja, dan betekent het dat talenten van kinderen van uitkeringsontvangers niet optimaal benut worden en dat investeringen om ouders uit een uitkering te helpen extra rendabel kunnen zijn omdat ook hun kinderen profiteren. Ons onderzoek laat zien dat er een beperkt maar statistisch significant causaal effect is: uitkeringsontvangst van de ouders op zichzelf vergroot de kans dat hun kinderen een uitkering ontvangen.

Een lager opleidingsniveau

Dit oorzakelijke verband kan op tenminste drie manieren tot stand komen. Ten eerste is het mogelijk dat opgroeien in een uitkeringsgezin leidt tot een lager opleidingsniveau. Leraren hebben mogelijk minder hoge verwachtingen van kinderen van ouders met een uitkering, waardoor ze bijvoorbeeld een lager schooladvies krijgen.

Ook zien kinderen wellicht bij hun ouders niet dat investeren in een opleiding leidt tot een succesvolle arbeidscarrière of een leuke baan. Waarom zou je je best doen op school, of zelfs doorstuderen en een studieschuld opbouwen, als je verwacht dat je toch in een uitkering terechtkomt? Hierdoor bereiken kinderen mogelijk niet het onderwijsniveau waartoe zij in staat zouden zijn. Als zij eenmaal volwassen zijn, verkleint dit hun kansen op de arbeidsmarkt, en wordt het risico op uitkeringsontvangst daadwerkelijk groter.

Ons onderzoek laat zien dat de beperkte oorzakelijke invloed deels via de scholingsroute verloopt. Uitkeringsontvangst van ouders leidt tot een minder hoog opleidingsniveau van het kind, en dat vergroot de kans op een uitkering in de volgende generatie.

Voorbeeld doet volgen

Een tweede oorzakelijke route is dat ouders met een uitkeringsverleden wellicht praktische informatie geven over hoe en waar je een uitkering aanvraagt, en het zodoende gemakkelijker en aantrekkelijker maken voor hun kinderen om dat ook te doen.

In dat geval verwacht je vooral een oorzakelijk verband als ouders recent een uitkering ontvingen, en in het bijzonder als het om hetzelfde type uitkering gaat. Die ouders hebben immers de meest up-to-date informatie over het aanvragen van deze uitkering. Het onderzoek vindt echter geen aanwijzingen dat het kunnen verstrekken van praktische informatie een belangrijke rol speelt in de overdracht van uitkeringsontvangst.

Ten derde kan het oorzakelijke verband toegeschreven worden aan rolmodellen en sociale normen. Kinderen die opgroeien in een uitkeringsgezin kennen mogelijk minder werkende mensen, waardoor het minder vanzelfsprekend is om te werken en meer geaccepteerd om een uitkering te ontvangen.

Dit konden we niet direct onderzoeken. Maar omdat er, na uitsluiting van bovengenoemde mechanismes, een onverklaard causaal effect van het hebben van ouders met een uitkering overblijft, vermoeden we dat ook deze route een rol speelt.

Maatregelen werken door in volgende generaties

Begrijpen waarom mensen die als kind ouders met een uitkering hadden als volwassene zelf vaker een uitkering ontvangen, is van belang voor beleidsmakers. Als kinderen minder kansen krijgen of zich anders gedragen omdat hun ouders een uitkering ontvingen, wordt hun talent onderbenut. Maatregelen zoals trainingen of baanbemiddeling die de uitkeringsontvangst van ouders terugdringen zijn dan niet alleen van belang voor de arbeidsmarktpositie van ouders, maar zullen ook doorwerken in de volgende generatie(s).

De erfelijkheid van uitkeringsontvangst blijkt echter voornamelijk voort te komen uit het simpele gegeven dat ouders en kinderen op elkaar lijken: ze delen bijvoorbeeld een slechte gezondheid of migratie-achtergrond of wonen in een regio met slechte baanvooruitzichten waardoor beide generaties minder kans hebben op de arbeidsmarkt. Uitkeringsontvangst van ouders is dus niet het voornaamste probleem.

Het is wel belangrijk om ervoor te zorgen dat kinderen van uitkeringsafhankelijke ouders daarvan zo min mogelijk nadeel ondervinden tijdens hun schoolloopbaan en arbeidsmarktcarrière. Een samenleving waarin juist deze kinderen meer in contact komen met werkende rolmodellen kan daaraan bijdragen.

Zinvoller: achterstanden rechtstreeks aanpakken

Omdat de oorzakelijke component volgens ons onderzoek beperkt is, lijkt het echter zinvoller arbeidsmarktachterstanden van kinderen die, net als hun ouders, minder kansen hebben vanwege bijvoorbeeld een migratie-achtergrond rechtstreeks aan te pakken, dan om uitkeringsontvangst van ouders terug te dringen in de hoop dat men daardoor het toekomstperspectief van hun nazaten substantieel verbetert.

Daarbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan maatregelen die arbeidsmarktdiscriminatie van mensen met een migratieachtergrond tegengaan, maatregelen die mensen met gezondheidsproblemen aan het werk helpen, of maatregelen die het eenvoudiger maken om te verhuizen wanneer er in je woonregio weinig baankansen zijn.

Sanne Boschman is postdoconderzoeker sociologie aan de Universiteit Utrecht, Ineke Maas is hoogleraar sociologie verbonden aan de Universiteit Utrecht en Vrije Universiteit, Marcus Kristiansen is promovendus sociologie aan de Universiteit Utrecht, Cok Vrooman is hoogleraar sociale zekerheid en participatie aan de Universiteit Utrecht en chief scientific strategist bij het Sociaal en Cultureel Planbureau.

Gezamenlijk werken zij aan het Utrechtse project ‘Van Netwerk naar Werk?’, gefinancierd door Instituut Gak. Hierin onderzoeken zij het effect van sociale contacten zoals familie, vrienden en buren op arbeidsmarktuitkomsten en uitkeringsafhankelijkheid.

Dit artikel is gebaseerd op Boschman, S., Maas, I., Kristiansen, M. H., & Vrooman, J. C. (2019). The reproduction of benefit receipt: Disentangling the intergenerational transmission. Social Science Research, 80, 51–65.

 

Foto: brunomes (Flickr Creative Commons)

Dit artikel is 10483 keer bekeken.

Reacties op dit artikel (4)

  1. Beste vrienden,

    Zelf zijn wij al geruime tijd aan het lobieen voor de formele- en financieele inbedding van nader onderzoek rond het thema “De toepassing van ervaringsdeskundigheid bij de bestrijding van intergenerationele armoede en sociale uitsluiting”. Meer informatie op verzoek beschikbaar, daar waar een compleet onderzoeksvoorstel gereed ligt.

    Stuur dus een emailtje naar kooskoopal9@gmail.com

  2. Hoewel we als samenleving enorm geloven in meritocratie, succes als gevolg van eigen verdiensten en kwaliteiten, blijkt in de praktijk keer op keer hoezeer netwerk, kennis en beeldvorming doorslaggevend zijn. Om echt inzicht te krijgen in mechanismes die kansen belemmeren, moeten we daarom niet alleen kijken naar eigenschappen van de doelgroep zelf, maar ook naar vooroordelen in de directe omgeving en in de samenleving als geheel.
    Er zijn verschillende mechanismen die zorgen voor intergenerationele kwetsbaarheid, zo schreef ik in mijn column uit 2015 https://www.socialevraagstukken.nl/column/hoezo-zijn-uitkeringen-erfelijk/
    Daarnaast moeten we blijven kijken naar factoren als psychische kwetsbaarheid en (en/of) een laag IQ als erfelijke factor. Niet als oorzaak voor de uitkering, maar als enorm obstakel om in deze samenleving mee te kunnen en mogen draaien. Dat is een direct gevolg van beleidskeuzes.

  3. Ben benieuwd wat je vindt als je ‘uitkeringskinderen’ die bij een hockeyclub zitten (als die bestaan) een jaar of 15-20 te monitort (en dit afzet tegen niet-hockeyclub-uitkeringskinderen).

  4. Ik filosofeer over gedragsverandering aan de hand van de modellen van de speltheorie en de verzamelingenleer. Ik filosofeer uit de losse pols over het bovenstaande artikel.

    In hechte, kleine groepen, hebben mensen een voordeel om te investeren in vertrouwensgedrag (het uitdragen en in de praktijk brengen van deugden) . Hoe meer je investeert in het zaaien van vertrouwen, hoe groter de kans is dat dat vertrouwen wederzijds is. Hoe sterker hechte groepen in de samenleving verloren gaan, hoe minder zin het heeft om in vertrouwensgedrag te investeren. De kans dat je je investering ooit nog terug zal zien is bitter klein.

    De fragmentatie van de samenleving heeft ook nog eens het gevolg dat mensen steeds minder in sterk gemêleerde groepen leven. In een primitieve stam zal een sterk iemand de zwakkere helpen; dat vergroot namelijk de veiligheid en de stabiliteit van die stam. Een uitkering hebben is in zo’n soort verband geen kwestie van erfelijkheid. De omstandigheden, de omgevingsfactoren domineren. Ook iemand met erfelijke geestelijke beperkingen kan ervaring opdoen en zo zinvol voor de stam zijn. (En anders, als de veiligheid van de stam door iemand met ernstige geestelijke of lichamelijke beperkingen, wordt bedreigd, volgt de dood).

    In de huidige gefragmenteerde samenleving ligt dat fundamenteel anders. Het onderscheid tussen hoog- en laag opgeleid neemt sterk toe, het verschil tussen hoog en laag inkomen ook. De gemêleerdheid van vroeger verdwijnt meer en meer. Hoogopgeleid en hoog inkomen zitten in hun bubbel en zullen vrijwel niet meer spontaan investeren in laagopgeleid en laag inkomen. Alleen als daar voldoende voordelen tegenover staan zal dat plaatsvinden. Het benoemen van discriminatie, het aanpraten van een schuldgevoel, zal in mijn ogen nooit tot herstel van kansen leiden. Het is een negatief correctiemechanisme.

    Alleen een positief correctiemechanisme is daartoe in staat. Dat mechanisme is ‘Inclusief Denken’ zoals ik dat hier al vaker heb bepleit.

Reageer

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *