Staatssecretaris Van Rijn moet gewoon zeggen dat bezuinigen pijn doet

Als de overheid bezuinigt op de huishoudelijke hulp, dan moet zij niet doen alsof dat fijn is, omdat we dan allemaal meer voor elkaar gaan zorgen. Staatssecretaris Van Rijn kan zich beter wat betrokkener tonen en waar echt nodig toch bijspringen, betoogt Lilian Linders in een voorschot op het debat Iedereen zorgverlener! a.s  woensdag.

Dit decennium staat in het teken van forse structuurwijzigingen in en bezuinigingen op de verzorgingsstaat. Dat geldt zeker voor de huishoudelijke hulp, die het met 75 procent minder moet doen, totaal 1,2 miljard euro.  ‘Keukentafelgesprekken’ zijn daar sinds de WMO gemeengoed. Gemeenten en instellingen komen dan bij cliënten thuis om te kijken of iemand hulp nodig heeft bij het stofzuigen of ramen lappen. En vervolgens om samen te bekijken wat men toch zelf kan, en wat familie, buren of vrienden kunnen bijdragen.

Dit heet niet alleen noodzakelijk te zijn omdat er bezuinigd moet worden, maar ook omdat er een samenleving moet komen waarin zorg minder van de instituties komt. Een samenleving waarin we zorgzamer voor elkaar zijn, zo verwoordde staatssecretaris Van Rijn het eerder dit jaar nog bij Pauw en Witteman. Dit pleidooi voor het overhevelen van zorg of hulp – zoals huishoudelijke taken of de begeleiding van bijvoorbeeld ouderen of mensen met psychiatrische problematiek - wordt onderbouwd met termen als zelfredzaamheid, eigen kracht en burgerkracht.

In de samenleving wordt met bezorgdheid en ook grote verontwaardiging gereageerd op de aanstaande bezuinigingen. Mantelzorgers vrezen nog meer overbelasting , en hulpbehoevenden zouden ten onder gaan aan ‘Verelendung’ en dadelijk op niemand kunnen terugvallen. Of deze doemverhalen nu realistisch zijn of niet, helpen doen ze ook niet.

Zorgen we al voor elkaar?

Om te beginnen is met de hulpbereidheid in onze samenleving is eigenlijk niet zo veel mis. De cijfers van het SCP bijvoorbeeld laten ons al jaren zien dat Nederlanders, zeker in vergelijking met de ons omringende landen, veel voor elkaar klaarstaan, als mantelzorger bijvoorbeeld, of als vrijwillige zorger. Het blijkt ook dat er nog wel rek zit in informele zorg, omdat mensen vaak best iets (of wel meer dan ‘iets’) voor een ander willen doen, maar zich niet ongevraagd willen opdringen aan een ander.

De beeldvorming over de zorgzaamheid in onze samenleving is echter heel anders. Veel burgers menen dat die terugloopt en dat we vandaag de dag veel minder voor elkaar klaarstaan dan vroeger. Ik denk dat dit komt doordat veel vormen van informele zorg, zoals mantelzorg en burenhulp, zich afspelen in het private domein, bij mensen thuis of elders in de eigen omgeving. Door de individualisering van de samenleving is minder zichtbaar wat zich hier allemaal aan informele zorg voltrekt. Mevrouw Jansen op nummer 11 denkt dat ze de enige is die haar oudere buurvrouw dagelijks bezoekt om te kijken of alles wel goed gaat en bijvoorbeeld een pannetje soep brengt als ze griep heeft. Mevrouw Pieters op nummer 23 doet ook veel voor haar buren, maar denkt ook dat niemand anders dan zijzelf dit nog doet. Want ze kennen elkaar - ook al wonen ze in dezelfde straat - in elk geval niet goed genoeg om van elkaar te weten wat ze allemaal voor een ander doen. Zelf weet ik wel wat mijn broers en zussen voor mijn moeder doen, maar ik heb geen idee wat mijn neven en nichten wel of niet voor hun ouders doen.

Voor de beeldvorming intussen zijn zaken dominant die zich afspelen in het publieke domein. Daar komt bij dat in media en politiek de meeste aandacht nu eenmaal uitgaat naar wat niet goed gaat. En daarom ondergaat de publieke opinie meer invloed van het molesteren van scheids- of grensrechters, het pas drie maanden na overlijden aangetroffen lichaam van een man die in sociaal isolement leefde, een vermist Gronings echtpaar dat een boot te koop had, of  van het beroven of overvallen van kwetsbare ouderen. Dat is veel beeldbepalender dan al die mantelzorg die dag in dag uit door miljoenen Nederlanders gegeven wordt.

Hoe effectief is Van Rijn?

Dat roept de vraag op: hoe effectief is het pleidooi van Van Rijn voor een zorgzame samenleving als er al zo veel gezorgd en meegeleefd wordt? Degenen die al informele zorg verlenen, en zij die wel bereid maar ‘handelingsverlegen’ zijn, voelen zich niet aangesproken want zij zijn eigenlijk al zorgzaam. Op hulpbehoevenden komt de boodschap bedreigend over: kennelijk is er een tekort aan hulpbereidheid dus er zijn te weinig mensen om een beroep op te doen. En wie verwacht dat er een probleem is met de hulpbereidheid zal niet om hulp vragen aan de omgeving: hiermee krijgen de doemdenkers die Verelendung preken dus vanzelf gelijk.

Er is echter nog iets anders aan de hand met het pleidooi om terug te vallen op het sociale netwerk. Laten we ouderen als voorbeeld nemen: zij zijn relatief grote afnemers van huishoudelijke ondersteuning. Zij hebben de opbouw van de verzorgingsstaat meegemaakt en namen opgelucht afscheid van de sociale controle, het geroddel en de gevoelens van afhankelijkheid die horen bij het nodig hebben van hechte sociale netwerken. Met hulp van betaalde ondersteuning wonen ouderen nu langer zelfstandig en konden de bejaardentehuizen inkrimpen. Hierdoor voelen ze zich zelfredzamer en kon het ideaal van het zelfstandige individu verwezenlijkt worden. De beroepskracht wordt betaald voor het werk dat hij of zij doet, waardoor meneer of mevrouw niet het gevoel hoeft te hebben in het krijt te staan bij de hulpgever en ook niet bang hoeft te zijn dat hij of zij anderen te veel belast.

Als deze ouderen terug moeten vallen op kinderen, vrienden of buren worden ze in hun beleving juist afhankelijker en minder zelfredzaam. Door zelfredzaamheid te propageren èn op te roepen tot het doen van een beroep op het sociale netwerk om hulp of steun, ontvangen burgers dus een dubbele boodschap. In feite zegt de overheid: ‘Jullie denken wel dat jullie jezelf goed kunnen redden maar dat is niet zo, eigenlijk zijn jullie veel te afhankelijk van de verzorgingsstaat. Je bent namelijk pas echt zelfredzaam als je je eigen beurs trekt om je verzorging te regelen of je netwerk inschakelt. En dat laatste is ook nog eens veel beter voor iedereen, want dat is goed voor de saamhorigheid.’ Deze boodschap gaat lijnrecht in tegen hoe de huidige zelfredzame mensen dit zelf ervaren.

Weinigen zullen tegen een betrokken samenleving zijn of tegen eigen kracht. Maar willen gemeenten draagvlak vinden voor hun beleid, dan zullen zij er blijk van moeten geven dat zij zich kunnen verplaatsen in de perceptie van burgers en dat ook duidelijk zeggen. De boodschap dat er bezuinigd moet worden op bijvoorbeeld huishoudelijke hulp dient zonder omwegen gebracht te worden: ’We moeten bezuinigen en dat is vervelend voor u.’ Vervolgens moet informele hulp waar die niet vanzelfsprekend aanwezig is - maar wel nodig is – ondersteund en versterkt worden. Een overheid die zich niet betrokken toont, kan ook niet vragen om betrokken burgers.

Lilian Linders is associate lector bij Fontys Hogeschool. Linders neemt woensdagavond 13 maart deel aan het debat ‘Iedereen zorgverlener!’ in Arminius in Rotterdam, met wethouder Jantine Kriens van Rotterdam en zorgbestuurders en zorgbestuurders Ids Thepass van Laurens en Ad van Rijen van Humanitas.

Foto: Bas Bogers

Reacties op dit artikel (2)

  1. Ik denk zelfs dat de verpakking van de boodschap de burger met een zorgvraag niet alleen gevoel geeft afhankelijker te worden. Maar dat deze boodschap zelfs mensen in isolement kan brengen en uit eigen kracht kan halen. De boodschap dat het zelf op kunnen lossen van je problemen het hoogste goed is diskwalificeert mensen die afhankelijk zijn van ondersteuning. Daarmee komt de symmetrie in verhoudingen nog meer onder druk te staan, die vaak al enorm onder druk staat omdat een ander zoveel ‘voor’ iemand doet in iemands leven. Het valt mij op dat in de discussie rondom de wijzigingen in de zorg en in de beleidsstukken de term Eigen Regie synoniem is aan de termen Eigen kracht en Eigen verantwoordelijkheid. In ‘Van systemen naar mensen’ wordt het belang van eigen regie erkent, maar in de concrete uitwerking wordt Eigen regie vertaalt als het niet denken in rechten, maar denken in wat kan ik zelf. Eigen regie gaat echter om de vraag wat iemand wil met zijn leven en of iemand daarin eigen keuzes kan maken. Als iemand ondersteuning nodig heeft moet hij als mens uitgangspunt van beslissingen zijn die hem aan gaan.
    Eigen kracht gaat om wat iemand zelf kan, samen met zijn omgeving. Eigen verantwoordelijkheid draait om de vraag wat iemand zelf moet doen. Eigen regie kan niet zonder de vraag te stellen wat iemand zelf kan en zelf moet doen. Maar het is niet synoniem hieraan.
    Misschien is de vraag wat iemand zelf kan in het verleden te weinig gesteld. Ging men teveel van automatisme uit dat een bepaalde beperking voor een bepaald aanbod stond. Daarmee had men wellicht niet de mens zelf goed in beeld. Maar is de mens met in dit beleid wel goed in beeld? Komt er nu niet een nieuw automatisme om de hoek kijken? Het automatisme dat de mens eerst moet aantonen te falen alvorens in aanmerking te kunnen komen voor een voorziening/ondersteuning? Voorzieningen worden het laatste vangnet genoemd. Ipv dat voorzieningen ook loopplank kunnen zijn naar kwaliteit van leven en eigen regie (kwaliteitskader zorg).
    In gesprek met mensen met een beperking bespeur ik opeens een allergie voor de term Eigen Regie. Terwijl het tot voor kort dezelfde mensen waren die om Eigen Regie vroegen. Zij wilden juist zoveel mogelijk zelf doen! Maar nu het moet, durven ze daar steeds minder voor uit te komen uit angst niet de nodige zorg te kunnen ontvangen. Dit dreigt een groot faalfactor van huidige beleid te worden. We willen beleid op basis van vertrouwen! Als de boodschap niet juist gecommuniceerd wordt en mensen zich niet gezien en gehoord voelen dreigt er een vicieuze cirkel te ontstaan. De cirkel van zoveel mogelijk zorg vragen en zoveel mogelijk dicht timmeren van regels en controle.
    Misschien moeten we het niet in eerste instantie hebben over eigen verantwoordelijkheid van de groep mensen met een beperking en hun directe omgeving maar moeten we het in communicatie hebben over onze gezamenlijke verantwoordelijkheid. Inclusief die van mensen met een beperking zelf.

Reageer

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *